Indringende taal

Indringend is een passend woord bij Psalm 19. De dichter wil duidelijk aangeven dat er een boodschap bij hem binnendringt. Hij noteert de volgende effecten: kracht en wijsheid (8), vreugde en licht (9), ontzag (10), bevredigend (als vervolg op verlangen, 11), bescheidenheid als typering die volgt op erkenning van falen (13), en daarbij de vraag om hulp en bescherming: dus afhankelijkheid (14-15) en verbondenheid of geborgenheid: hij typeert de verhouding met God de HEER als een van een dienaar die op hulp en bescherming kan rekenen (12 en 14); en hij bewondert God met hoogheidstermen met een persoonlijk voornaamwoord erbij: mijn rots, mijn bevrijder (15)

De dichter is vooral doordrongen van de kracht van de wet van God. De voorbeelden van indringendheid komen uit het tweede deel van de Psalm. Het lied kent drie delen (goed gezien door Jochem Douma, 136): 1) de lof op Gods scheppingswerk (2-7), 2) de lof op Jahwe’s wet (8-12) en 3) het gebed om vergeving, bescherming en hulp (13-15). Het tweede deel gaat over ‘de wet van de HEER’ (8a) en een belangrijk effect is dat de dichter niet hoogmoedig wil zijn (14). Trots of hoogmoed geldt als een van de hoofdzonden – volgens sommigen dé hoofdzonde. Nu valt juist dát woord in het derde deel, de gebedswoorden. De dichter verspringt van vertellende modus naar de direct aansprekend. Zo vormen deze twee delen in combinatie een antwoord op de vraag: hoe verhoud ik mij tot de HEER die aanwijzingen geeft voor het totaal van het goede leven? Hij formuleert het antwoord in de eerste persoon enkelvoud maar de beschrijving van de voortreffelijkheid van de wet en zijn effecten is generiek: dit kan voor ieder gelden.

Welke indringende taal vinden we in deel 1 van dit lied? De dichter wijst zijn luisteraars (en daarna lezers) op de hemel (het uitspansel) (2), het dag-nachtritme (3) en vooral de zon (5c-7). Deze laatste is logisch aan de eerste twee gekoppeld. Beschrijvend legt de dichter de nadruk op de taal, let maar om de werkwoorden: verhalen en roemen (2), zeggen en vertellen (3), spraak zonder klank (4), stem en taal (5) en juichend (6). Het is boeiend om te vernemen dat de mens niet eerst geadresseerde is. De dag spreekt tot de dag, de nacht aan de nacht (3). Toen ik me op een goede dag realiseerde waarom mussen zo druk tjilpen, voelde ik dezelfde verrassing. Hun drukte is niet voor mij bedoeld, zelfs niet in de eerste plaats ter ere Gods. Zij kwetteren tegen elkaar en vooral de indringers in het territorium. Dat ik daar ook wat van vind nu ik hen hoor, is bijzaak – zij het geen onbelangrijke. De dichter maakt er werk van om te vertellen dat hemel, dag-nachtritme en zon algemeen bekend zijn: ‘over heel de aarde gaat hun stem, tot aan het einde van de wereld hun taal’ (5). Voor zover mensen de taal oppikken, is het niet lokaal of provinciaal maar globaal. En dat gaat het erom dat de taal van deze fenomenen wordt omgezet in bewondering voor God: ‘De hemel verhaalt Gods majesteit’ (1). Dat snappen de dagen, dat begrijpen de nachten – en nu wij mensen nog.

De zon krijgt veel regels en dat is niet alleen omdat zij juicht (6). De zon is in het Nederlands vrouwelijk, in het Hebreeuws mannelijk. Dus kan het beeld van de bruidegom toepgast worden. De eerste keer seks hebben met je vrouw of vriendin – dat is een ervaring in de categorie bijzonder. Meedoen aan een wedstrijd, zeg de marathon, en die uitlopen, dat is ook een happening in diezelfde categorie. Dat bijzondere is correleert met wat voor mensen het normale is. Want dat de hemel elke dag zichtbaar is door het schijnen van de zon, dat behoort tot het basale levensvertrouwen. Zo basaal dat wij het nauwelijks opmerkelijk vinden. Gelukkig maar, stel je voor dat de wereld elke dag zich aan je zou voordoen als de eerste ervaring met seks. Je zou voortdurend in opgewonden toestand zijn en dat houd niemand vol. Wat de psalm doet is ons voor een enkel moment uit de vanzelfsprekendheid halen: “One of the goals of the poets of the Bible is to awaken the mind from the lethargy of the familiar so that we can sense the wonder of the common rhythms of nature.” (Dictionary, 827)

En daar komt een tweede bij: ‘niets blijft voor zijn gloed verborgen’ (7c). De Midden-Oostenzon is niet te ontlopen. Het is opnieuw een onderstreping van het universele effect. Dit is de afsluiting van deel 1 en vormt de brug naar deel 2 en 3. Het universele komt terug in de beschrijving van de wet van Jahwe. En het effect is het komen tot erkenning van falen. Het is blijkbaar niet mogelijk de wet van je af te houden. Althans, als je jezelf weet opgenomen in een dienaar-verhouding tot Jahwe. Dan sluit de bewondering van de HEER als je rots en bevrijder in vers 15c aan bij de majesteit van God in vers 1. Zo wordt de cirkel van aanbidding gesloten (G.C. Berkouwer). Zo wordt Jahwe gelijkgesteld met de universele Schepper, God. Dat is de claim die de Tenach steeds weer neerlegt: Israëls God Jahwe is de universele.

Samengevat noteer ik achtereenvolgens als effecten:

  1. het losgeschud worden uit het vanzelfsprekende van de levenscontext
  2. het onderkennen van de onontkoombare zichtbaarheid van je gedrag
  3. de innerlijke houding erachter en het publiek erkennen van je bescheiden positie als mens

Gedachtig aan Paulus woord dat de heilige geschriften ons willen vormen tot rechtschapen mensen (2 Timoteüs 3,16-17), verwelkomen we dit lied als verzet tegen de hoofdzonde hoogmoed. Hoogmoed is de op zichzelf gerichte houding van jezelf boven anderen plaatsen als voortdurend zoeken naar aanzien en waardering van anderen. Die anderen kunnen ook de dieren, de planten, de oceanen zijn, kortom de natuur. “Als hoogmoedigen van nu respecteren we de natuur en haar wetmatigheden onvoldoende.” (Esther van Fenema, 19) Deze ondeugd past in onze competitieve wereld. De race om aandacht, waardering en superioriteit is ziekelijk en slecht. Het overdenken en je eigen maken van dit lied helpt daartegen.

De kerk is op haar best als zij de plaats is waar je dit verzet leert bij deze God Jahwe. In Christus heeft Hij ons de nieuwe weg (torah) geleerd: vrijheid (Jakobus 1,25) zijn juk is licht (Matteüs 11,28-30). Dienaar-zijn transformeert naar discipel, leerling van het goede leven naar het beeld van deze God. Genade leer de juiste zelfwaardering: die gaat samen met bescheidenheid en verwondering. Dat is Psalm 19. En als dat kan worden geïnd door aanbidding, dan doet de kerk iets goed als zingende gemeenschap. Als er iets indringend is dan toch wel zingen.


Naar aanleiding van: Dr. Jochem Douma, Psalmen: Commentaar op Psalm 1 – 41. [z.p.]: Brevier, 2013.
Leland Ryken, James C. Wilhoit, Tremper Longman III (Gen. Eds.), Dictionary of Biblical Imagery: An encyclopedic exploration of the images, symbols, motifs, metaphors, figures of speech en literary patterns of the Bible. Downers Grove, Ill/ Leicester, England: Inter Varsity Press, 1998.
Esther van Fenema, Het verlaten individu: Waarom voelen we ons zo leeg? Amsterdam: Prometheus, 2022.
Dr. G.C. Berkouwer, De algemene openbaring (Dogmatische Studiën). Kampen: Kok, 1951: In de Psalmen ontmoeten wij de doxologie de aanbidding van het volk Gods. Psalm 8, 19, 29, 93, 104, maar ook 65, 147 en 67 “Het merkwaardige van al deze psalmen is juist hierin gelegen, dat door deze zangers tussen deze – om zo te zeggen – kosmische en soteriologische geen spanning of dualisme werd gevoeld.” (102)