Onder christenen ontstaat soms discussie over de kracht van het gebed. Evangelischen verwijten gereformeerden dat zij te weinig van God verwachten. Gereformeerden zeggen dat evangelischen God claimen en verzoeken. En onder beide groepen zijn kinderen van de Here die in de praktijk van het harde leven zich afvragen waarom God soms zo stil of vreemd reageert op aanhoudende gebeden. In dit artikel wil ik een bijdrage geven door het ontwikkelen van een visie op Gods bestuur van de wereld en de plaats van het gebed daarbij.
Direct
Als het gaat om Gods bestuur van de wereld in al haar facetten, kun je onderscheiden in (minstens) twee manieren. God regelt een aantal zaken zelf: de plaats van aarde, zon en maan, de orde van zomer en winter, eb en vloed, het instandhouden van de kosmos; dit alles reageert op zijn woord en hand. Dat heeft Hij ons bekend gemaakt na de zondvloed in de dagen van Noach en dat heeft Hij niet in onze macht gelegd. Wij kunnen het weer bestuderen en een paar dagen van te voren redelijk voorspellen. Wij kunnen echter de wolken of de wind geen bevelen geven. De enige macht die wij hebben op dit punt lijkt destructief: vervuilen en ontregelen door zonde.
Indirect
De tweede manier is dat God de mens aanspreekt met gebod en belofte. Zo begon het in het paradijs en dat is gebleven door alle moeilijkheden heen. God spreekt en geeft daarmee inhoud aan het feit, dat Hij ons schiep naar zijn beeld: verantwoordelijk in de zin van het maken van keuzen, met allerlei gevolgen en ook in de zin van geroepen om verantwoording af te leggen. De kracht en het inzicht is de mens gegeven en wordt gaandeweg in de geschiedenis ontwikkeld. Omdat God een orde in stand houdt, is onderzoek en wetenschap mogelijk. Wij ontdekken verbanden, analyseren, verklaren en voorspellen op grond daarvan. De verantwoordelijkheid van de mens heeft in toenemende mate de gestalte aangenomen van ‘controle krijgen over’ de schepping. Het genieten van en het bewaren van de rijkdom in verscheidenheid blijkt vaak tweederangs belang. Denk aan het uitsterven van bepaalde diersoorten[1].
Gevolgen (1)
Welke gevolgen heeft dit voor het gebed? Twee dingen:
- 1. Gods directe bestuur is onafhankelijk van gebed. De Noachitische belofte is niet gekoppeld aan een voorwaarde[2]. God laat de zon schijnen en regen vallen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, ook als er niemand dankt of bidt[3]. De rechtvaardigen onder de mensen echter hebben van God geleerd te danken. Bidden is ook het eren van de Schepper om zijn handelen buiten ons om. Het gaat om het danken voor de vaste orde, het voorspelbare ritme. In sommige gevallen is bidden ook het vragen om het doorbreken van dat ritme. De zon staat stil, de maan ook, de tijd gaat terug, de ziekte verdwijnt zonder enig menselijk ingrijpen. Dat kan, omdat God alles met de hand bedient. Maar daarna gaat het weer ‘ouderwets’ gewoon. En: het gebeurt niet altijd op ons verzoek. Dan blijft God bij de orde, die Hij schiep. De bidder houdt rekening met de soevereiniteit van God. God overziet meer dan wij en heeft zijn eigen redenen als Hij niet aan ons verzoek beantwoordt.
- 2. Gods indirecte bestuur heeft tot gevolg, dat Hij ons oproept tot gebed, tot actie en bescheidenheid. Wie niet dankt voor zon en regen, wordt van de zegen ervan niet buitengesloten, maar is wel nalatig. Alle mensen nemen hun verantwoordelijkheden, maar het verschil tussen ongelovigen en gelovigen is, dat de laatsten leren bidden. En dat is in de eerste plaats danken voor het gewone en het ordelijke in plaats van vragen om het wonder en het verrassende.
Zonde en vloek
Gods goede schepping is bedorven door de zonde van de mens. De duivel speelt daarbij een rol. Zijn bestaan wordt in Genesis niet verklaard maar voorondersteld. Maar de mensen zijn ongehoorzaam aan het gegeven gebod en zij ondervinden daarvan de gevolgen: schaamte onderling, oneerlijkheid, oordeel. Helder is in deze geschiedenis dat de duivel liegt en Gods soevereiniteit onaangetast is gebleven. Dan horen man en vrouw Gods reactie: de vloek over de slang, het vonnis over de vrouw en de man en de vloek over de aarde[4].
Dit ‘verklaart’ de destructieve kracht in de schepping. Alle goede bedoelingen en inzet van mensen ten spijt kunnen oogsten mislukken, dieren ziek worden, landen overstromen of uitdrogen. Het verklaart de aanwezigheid van ziekte en dood, soms duidelijk gekoppeld aan de slechte daden of woorden van mensen. Het leert ons rekenen met de invloed van de duivel, die altijd op vernietiging en bederf is gericht. Dat alles is uitwerking van Gods oordelend en vloekend woord. Het gebeurt onder zijn actieve toelating. Hij heeft de schepping aan deze moeiten onderworpen tot de dag waarop Christus verschijnt om alles te herstellen[5].
Gevolgen (2)
Ook dit besef heeft gevolgen voor het gebed. Ik noem er drie.
- 1. Je kunt God niet eenzijdig buiten het lijden houden en Hem alleen aanroepen als degene die voor en met ons het lijden bestrijden zal. Hij bestrijdt, inderdaad, maar deelt ook toe. Wie van God enkel genezing en bevrijding verwacht, komt teleurgesteld uit. Niet omdat God onverwacht stil is, maar omdat het beeld van God niet deugde.
- 2. Zo komt er ruimte voor de biddende klacht, bij aanhoudend lijden. De Psalmen geven daaraan woorden en daarbij richten de dichters zich tot God. Het kan er scherp aan toe gaan, omdat Gods actieve toelating voorondersteld wordt[6]. Wie dit aspect van Gods bestuur ziet, kan ook de rauwheid van het menselijk bestaan benoemen. Niet alles kan ‘verklaard’ worden.
- 3. Deze werkelijkheid leert je letten op de vormende waarde van het lijden. Daarop kan dan ook het gebed gericht worden. Als God de ziekte, de handicap of de tegenslag niet wegneemt, dan kan van Hem wel worden verwacht dat Hij ons helpt: met geduld, uithoudingsvermogen, blijvende lofprijzing, heiligheid, kortom met de vruchten van zijn Heilige Geest.
Incident
God is zo goed dat Hij soms reageert op ons verzoek om de effecten van zijn vonnis en vloek te verzachten of weg te nemen. Wonderen van genezing, duivelsuitdrijvingen, pijnverlichting, bewaring in ongelukken… het gebeurt allemaal. Per incident. Want de wereld is onderworpen aan lijden en vloek en dat blijft tot aan de wederkomst. De rol van het wonder, waarbij de scheppingsorde en de vloek doorbroken wordt, is dat het mensen iets moet leren over wie God is en zijn komende rijk. Daarbij komt het aan op het kennen van Jezus Christus, die ons dat verkondigd heeft.
Menswording
De woorden en daden van Gods Zoon op aarde wijzen in dezelfde richting, voor wat betreft Gods karakter en bestuur. Vanaf de start van zijn publieke optreden bestrijdt Hij de gevolgen van de zonde: doven horen, blinden zien, lammen lopen, doden worden opgewekt. Maar op een bepaald moment concentreert Hij zich op het komende lijden en maakt hij zijn leerlingen daarvan deelgenoot[7]. In dat lijden zien wij het dubbele terug: God legt het op èn neemt het in zijn eigen Zoon op zich. Dat lijden heeft betekenis in verband met zonde. Het is een losprijs voor mensen die met schulden beladen zijn. Het onderwijs van de Here en zijn apostelen is dan ook, dat met het lijden aan het kruis van Golgotha de diepste nood van de mensen is bloot gelegd. De gevolgen daarvan zijn: dat het gelovig volgen van Christus haar hart vindt in vergeving van de zonden en vernieuwing van het leven door levensheiliging.
Onderwijs
Als de Here zijn leerlingen (en via hen alle gelovigen) leert bidden, dan is dat gericht op het vernieuwen van het innerlijk van de mensen met het oog op het komende rijk[8]: Hij leert ons vragen om Gods kracht in ons leven, die ons bereid en actief maakt in het heiligen van zijn Naam, het bevorderen van Gods rijk en het doen van zijn wil. Door op de vernieuwing van mentaliteit en daden aan te dringen, komt verlangen naar gezondheid, rust, geluk en harmonie op een tweede plaats. Gegeven de scheppingsorde en de vloek zal de invloed van God op het gebed in de eerste plaats duidelijk worden de houding van de christenen: tevreden, gehoorzaam, blij, geduldig, vredelievend. En behulpzaam en zorgend voor ieder die lijdt en zucht.
Daarna leren wij ook bidden om dagelijks onderhoud, vergeving en vergevingsgezindheid, en verlossing van de Boze. Daarin zitten opgesloten een aantal van de verlangens die mensen hebben. Bovendien verwijst het naar de schepping en de vloek: eten en drinken zijn afhankelijk van zon en regen, vergevingsgezindheid kan helen in de menselijke relaties, de duivel is een realiteit waarmee wij moeten rekenen. Het gebed, dat Jezus ons leerde, is gericht tot de soevereine God van wie kracht, het koningschap en de glorie is. Het is dan ook aan Hem om te beslissen wanneer het ritme van de schepping of de doorwerking van de vloek opgeheven wordt ten gunste van zijn kinderen. Dat Hij het kan is besloten in de lofprijzing, maar Hij geeft er geen belofte bij dat Hij dat automatisch zal doen als antwoord op een uitgesproken ‘Onze Vader’ of een vrij gebed.
Conclusies
Ik trek hieruit dan ook de volgende conclusies:
- 1. De komst van Christus op aarde bewijst dat God zijn schepping wil verlossen. Door de woorden en daden van Gods Zoon wordt onderstreept dat God de gevloekte schepping bestuurt. De gevolgen voor het gebed, zoals hierboven beschreven, worden door de komst van Christus niet opgeheven. Ook na zijn komst rekenen wij met een gevloekte schepping.
- 2. Het lijden en de dood van Christus leert ons het centrale van de zonde als de grootste nood van mensen. Het koninkrijk dat Hij opent en belooft kunnen wij binnengaan door erkenning van schuld en het zoeken van redding door Christus. Dat werkt in de eerste plaats door in de vernieuwing van onze persoon: het innerlijk, onze mentaliteit en onze dienende daden daarbij. Het gebedsonderwijs van de Here leert ons in de eerste plaats op dàt punt veel van God verwachten. Hij werkt immers in ons door zijn Heilige Geest.
De Geest
In aansluiting bij de Here verkondigen de apostelen dat de Heilige Geest Gods grote geschenk is aan de gemeente in de wachttijd tot de wederkomst. De Geest is het onderpand, dat ons gegeven is[9]. De uitwerking daarvan is: door de Geest hebben wij toegang tot de Vader, worden wij samengevoegd in eenheid, ontvangen wij gaven en ambten, wordt het innerlijk versterkt, leren wij lofprijzen en bidden. De apostelen typeren de dagen van ons leven als ‘boze’ dagen en hebben daarbij het oog op duivelse activiteiten en het lijden in de tegenwoordige tijd[10]. De gaven en de vruchten van de Geest hebben dus die sombere context.
De beschrijving van God en zijn gaven aan de gemeente in de Nieuwtestamentische brieven sluiten aan bij de werkelijkheid zoals die gevonden werd vanaf de schepping en bij de komst van Christus. God is Schepper en bestuurt, direct en indirect, de wereld. De wereld ligt onder de vloek en wordt voortdurend geteisterd door zonde van mensen. De komst van het evangelie roept afwijzing op en ook dat zal lijden met zich meebrengen. De gelovigen worden steeds opnieuw voorbereid op een moeilijke weg, maar tegelijk op een behouden aankomst[11]. Het gebed moet zich op deze werkelijkheid instellen. Vrijmoedig vragen gaat dan samen met bescheiden afwachten. Claimende en manipulerende gebeden passen daarbij niet. Waar lezen wij in het Nieuwe Testament dat alle gelovigen de autoriteit ontvangen om te genezen of duivels uit te drijven?
Koppeling
In dit verband wil ik de koppeling tussen gebed en zegen ter sprake brengen. Veel evangelische broeders en zusters werken met de volgende redenering: God geeft zijn zegen op het gelovige gebed. En in geval van tegenspoed geldt de koppeling dan ook andersom: er moet gebrek aan gebed of onheilige levenswandel (onbeleden zonden?) zijn. Wie niet genezen wordt op het gebed of de handoplegging van de genezer, heeft het aan zichzelf te wijten.
Deze koppeling is deels terecht. De apostel Jakobus zegt dat de gelovigen niet ontvangen, omdat zij niet bidden of onheilig leven[12]. De apostel Petrus spreekt over belemmerde gebeden, bijvoorbeeld als er sprake is van oneerbaar leven tussen man en vrouw[13]. Maar deze koppelingen maken nog geen systeem, waarin alle gebeden en hun gevolgen passen. We zien dat God bepaalde zegeningen geeft zonder dat Hij er om gevraagd heeft: algemene goedheid voor ieder, sinds het verbond met Noach. Wij hebben gezien dat lijden soms de rechtvaardigen kan treffen. Niet alleen lijden, dat in de gevloekte schepping zich voordoet, maar ook lijden vanwege het geloof. Er is dus ruimte om in het pastoraat te vragen naar onbeleden zonden als het leven tegenvalt. Dat is geen evangelische specialiteit. Maar het is tevens van groot pastoraal belang om het onbegrepen lijden onverklaard te laten staan en de wrange klacht een plaats te geven: waarom treft mij dit, terwijl ik probeer als kind van u serieus uw weg te gaan?
Geloven
Wie vanuit een Bijbelse visie op Gods bestuur van de wereld en ons leven zich een beeld vormt over Gods bemoeienis met mensen, krijgt een idee van wat je van God mag verwachten. Hij kan daarop de gebedsverwachtingen aanpassen. Daarbij betrek je dan de gang van het geloof in een mensenleven. Want bidden is een uiting van geloven. Gods is betrouwbaar en onveranderlijk dezelfde, maar gelovigen zijn zwak en licht uit balans te brengen. Momenten van diepe geloofservaring volgen op diepe dalen of andersom. Het lijden van geliefden kan ons geloof beproeven, het genieten van welvaart kan ongemerkt overgaan in een veruiterlijkt christendom. Kortom, het geloof is voortdurend in beweging. Daarom past er geen strak en simpel systeem op. Koppelingen zoals hierboven beschreven veronderstellen dat het allemaal zo simpel is, zo helder te traceren waar het kwaad vandaan komt. Er zijn soms meervoudige oorzaken voor ellende, denk aan de desastreuze volkstelling die David opzette[14]. Wie de complexiteit van het leven kan combineren met de grootheid en onbegrijpelijkheid en de macht en de liefde van God, die heeft ook ruimte om te blijven bidden als er onbegrijpelijke dingen gebeuren of blijven bestaan. God heeft meer mogelijkheden dan het wonder dat wij in gedachten hebben.
[1] Over Gods directe bestuur spreken Bijbelgedeelten als Genesis 1; Psalm 19,1-7; Psalm 33,6 en 2 Petrus 3,5-7. Over Gods indirecte bestuur Genesis 1,27 en hoofdstuk 2; Psalm 19,8-15 en Psalm 148,7-12 (zie de overgang tussen 10 en 11). Over het onderhoud van de schepping door het Woord spreken over Hebreeën 1,2-3 en Colossenzen 1,16.
[2] Lees Genesis 8,20-22 en 9,12-16.
[3] Denk aan de woorden van de Here in Matteüs 5,45 en de woorden van de apostel Paulus in Handelingen 14,15-17.
[4] Zie voor deze geschiedenis Genesis 3.
[5] Romeinen 8,18-30; zie ook het boek Job. In de belijdenis is dat samengevat in zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus.
[6] Lees bijvoorbeeld Psalm 32; 44; 88.
[7] Zie bijvoorbeeld in het evangelie van Marcus die overgang in hoofdstuk 8.
[8] Het gebedsonderwijs van de Here in Matteüs 6 en Lucas 11: het Onze Vader.
[9] Zie Efeze 1,13-14 en 4,30
[10] Bijvoorbeeld Efeze 6,13 in het geheel van 10-20.
[11] De apostel Paulus: “… dat wij door vele verdrukkingen het Koninkrijk van God moeten binnengaan” Handelingen 14,22.
[12] Jakobus 4,1-10
[13] 1 Petrus 3,1-7
[14] 2 Samuël 24,1en 1 Kronieken 21,1
