Een inclusieve kerk

Wij hebben kort geleden als kerkgemeenschap een geestelijk verzorger de zegen van God meegegeven. Hij werkt met mensen met een verstandelijke beperking. Het was zijn verlangen om door een gemeente ‘gezonden’ te worden. Het is het voorrecht om als gemeente te mogen zenden. Het is een gave die die Geest geeft en ook als gift tot ons terugkeert door zijn verhalen in ons midden. Hij zal vanuit zijn ervaring vertellen hoe Gods karakter volop tot uiting komt in leven dat beschadigd is en beperkt. In een gemeente waarin veel maakbaar lijkt, is dat een belangrijke boodschap om te herhalen. Maar welke Bijbel-theologische basis is hieraan te verbinden? Het artikel van Henk  Jochemsen over inclusief kerk-zijn uit 2018 geeft een handreiking. Ik vat het samen en bespreek een paar vragen die het oproept.

Wat is eigenlijk een beperking?

Wanneer we spreken over mensen met een beperking, gebruiken we een begrip dat eenvoudiger klinkt dan het in werkelijkheid is. Het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) omschrijft het als volgt: “Mensen met een beperking zijn onder meer mensen met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke handicaps die in wisselwerking met diverse barrières belemmerd worden in hun volledige en daadwerkelijke participatie in de samenleving op voet van gelijkheid met anderen.”
Deze definitie raakt iets wezenlijks: een handicap is geen medische diagnose, maar een beleving. Het betekent belemmerd worden in wat je wíl doen, door iets wat je níet kunt. Denk aan fysieke beperkingen, zintuiglijke uitdagingen of moeite met leren of begrijpen. De Van Dale noemt het een ‘belemmering’, maar die belemmering ontstaat vaak pas écht als de omgeving niet meewerkt. In een samenleving die inclusief is ingericht, hoeft een beperking geen handicap te zijn. Hoe minder drempels, hoe minder mensen vastlopen.

De veelzijdigheid van beperkingen

Wanneer we kijken naar de concrete verschijningsvormen, zien we een enorme diversiteit. Er zijn lichamelijke beperkingen zoals dwarslaesie, cerebrale parese of multiple sclerose. Verstandelijke beperkingen, waarbij informatie trager wordt verwerkt en het IQ meestal onder de 70 à 75 ligt. Cognitieve beperkingen die invloed hebben op geheugen, aandacht en communicatie, zonder dat dit iets zegt over intelligentie. Bij een ernstig meervoudige beperking (EMB) zijn verstandelijke en lichamelijke beperkingen gecombineerd aanwezig. En zintuiglijke beperkingen beïnvloeden hoe we communiceren en ons in de wereld oriënteren.

De vraag dringt zich op: is het generieke begrip ‘beperking’ wel adequaat om deze veelsoortigheid samen te vatten? Het eerlijke antwoord is: niet echt. Het begrip ‘(mensen met een) beperking’ is nuttig voor beleid en inclusiediscours, maar te breed en te vlak om recht te doen aan de enorme diversiteit van ervaringen.
Het homogeniseert wat radicaal ongelijk is. Iemand met een visuele beperking, iemand met chronische pijn, iemand met een verstandelijke beperking, en iemand met autisme vallen allemaal onder die ene paraplu – terwijl hun maatschappelijke drempels, ondersteuningsbehoeften en vormen van uitsluiting totaal anders zijn. Bovendien depolitiseert het begrip het verschil: “beperking” klinkt medisch-neutraal, maar is vaak sociaal en structureel bepaald. Het is niet de persoon die beperkt is, maar de samenleving die beperkingen oplegt door ontoegankelijkheid, stigma of normering.

Een adequatere aanpak is dus: het generieke begrip gebruiken voor de visie op inclusie (niemand uitsluiten), maar de analyse en strategie baseren op onderscheiden categorieën van beperking en hun specifieke sociale en culturele context.

Twee visies op beperkingen

Hoe we tegen beperkingen aankijken, bepaalt hoe we ermee omgaan. Er zijn grofweg twee benaderingen te onderscheiden. De medische opvatting ziet mensen met een beperking als personen die speciale diensten nodig hebben, bijvoorbeeld aangepast vervoer of welzijnsvoorzieningen. De mensenrechtenvisie daarentegen vertrekt vanuit erkenning als voorwaardelijke en gelijkwaardige leden van de maatschappij.
De barrières die mensen met beperkingen ondervinden, liggen op drie niveaus: houding, omgeving en instelling. In houding gaat het om vooroordelen, schaamte en discriminatie. Mensen met beperkingen worden beschouwd als onbekwaam, afhankelijk en minder intelligent. Als ze zelfstandigheid tonen, worden ze als helden geprezen – alsof dat uitzonderlijk is. De omgeving vormt een barrière als gebouwen, communicatie, media en informatie niet toegankelijk zijn. En op institutioneel niveau zien we uitsluiting bij arbeid, politiek en religie. Soms is die uitsluiting zelfs gebaseerd op geloofsovertuigingen die een beperking zien als gevolg van zonden die in dit of in een vorig leven zijn begaan.

Echte inclusie betekent: gelijke rechten, participatie, toegankelijkheid en duurzaamheid. De behoeften van mensen met een beperking kunnen en moeten worden ingevuld via normale reguliere programma’s en diensten. Waar nodig komen daar specialistische diensten bij: een tweesporenbeleid.

Bijbels-theologische perspectieven

Wanneer we de Bijbel lezen met deze inzichten in het achterhoofd, valt op dat de Schrift op een andere manier spreekt over mensen met een beperking dan wij vandaag doen. Het Oude Testament besteedt meer aandacht aan de maatschappelijke gevolgen van een beperking dan aan de beperking zelf. Bij de profeten zien we een begin van belofte van herstel – niet alleen van de beperking, maar ook van de gevolgen ervan. Dat krijgt vervolg in de genezingen door de Heer op aarde en zijn daden van inclusie. De kerk van Christus is onvolledig zonder de volledige participatie van haar zwakkere leden. Een fundamenteel theologisch inzicht is dat wíj naar Gods beeld geschapen zijn – en dat dit losstaat van ons fysieke voorkomen of verstandelijke vermogen. Alle mensen zijn nodig om God te begrijpen. Dit inzicht dwingt de kerk om inclusie of participatie van mensen met een beperking serieus te nemen.

Jezus’ boodschap van verbinding

In het Oude Testament en soms ook in het Nieuwe Testament wordt een beperking gezien als een vloek en als gevolg van ongeloof. We zien dat in Leviticus 21,16-23, Genesis 19,11, Deuteronomium 28,28, Matteüs 12,22 en Lukas 1,22. Maar in Johannes 9 doorbreekt Jezus dit denken radicaal. De vraag van de discipelen veronderstelt het oude denkpatroon (“wie heeft gezondigd?”), maar Jezus’ antwoord doorbreekt het.
Al deze geschiedenissen laten zien welk respect Jezus had voor mensen als individu. Als Jezus onderweg mensen met een beperking ontmoet, stopt Hij om ze als mensen te zien en te ontmoeten. We kunnen verwachten dat kerken veranderen als we mensen met een beperking vragen naar wat ze willen en als we onszelf openstellen om hun visie te horen.
Een bijzonder inzicht komt van de tekenen van Jezus’ kruisiging op Zijn opgestane lichaam: een beperking hebben is onderdeel van iemands identiteit, en een beperking vormt je als mens. Jezus’ boodschap van inclusie is het duidelijkst te vinden in Lukas 14,1-24, de gelijkenis van het grote feestmaal, waar juist de uitgeslotenen worden binnengehaald.

Van betrokkenheid naar vriendschap

Mensen met een beperking kunnen worden opgenomen en hebben volledige en gelijkwaardige toegang tot onze kerken. Ze horen er echter niet bij zolang we geen vriendschappen sluiten en contact leggen. Erik W. Carter beschrijft kenmerken van echte betrokkenheid: aanwezig zijn, uitgenodigd worden, verwelkomd worden, geaccepteerd worden, ondersteund worden, verzorgd worden, bevriend raken, nodig zijn, geliefd zijn.
Daarbij is tijd essentieel. Het doel van tijd is om liefde vorm te geven en in stand te houden. John Swinton adviseert ons om minder gehaast te zijn, zodat we als een discipel kunnen liefhebben. In dit langzame proces van afstemming op het hart van iemand met een beperking, beginnen we te begrijpen hoe mooi de diversiteit onder mensen is en leren wij een openbaring van God te zien.

Hoe vormen we elkaar?

Een cruciale vraag in dit alles is: als mensen met een beperking volop mee mogen doen, zijn zij dan ook net zo verantwoordelijk en open voor kritiek via feedback? Het antwoord moet volmondig ‘ja’ zijn – anders is er geen sprake van werkelijke gelijkwaardigheid.

Wederzijds discipelschap

De kern van inclusieve ecclesiologie is dat vorming nooit eenzijdig is. In een werkelijk inclusieve kerk worden niet zij gevormd door ons, maar wij allen door elkaar. Mensen met beperkingen dragen eigen gaven, perspectieven en manieren van geloven bij die het lichaam van Christus aanvullen en corrigeren. De vorming gebeurt relationeel: door gedeelde liturgie, gezamenlijke verantwoordelijkheid en open feedback over wat ieder kan en wil bijdragen.
Toch is er ook een persoonlijke component: ieder mens, ongeacht beperking, wordt geroepen tot groei in geloof, liefde en dienstbaarheid. Dat vraagt dat de kerk ruimte maakt voor agency – mensen niet behandelen als object van zorg, maar als subject van roeping. Het vraagt om aangepaste leerwegen en rituelen: catechese, geloofsgesprekken, participatievormen die rekening houden met cognitieve, sensorische of psychische verschillen. En het vraagt om een cultuur van interdependentie: mensen met een beperking niet als last of kwetsbare uitzondering zien, maar als onmisbare bron van theologische verbeelding.

Misschien ligt de theologisch meest vruchtbare taal in een paradox: ieder mens is beperkt, en juist daarom geroepen tot gemeenschap. Dan is “beperking” niet langer een categorie maar een conditie van mens-zijn, waarin Gods genade werkzaam wordt. We zijn allemaal afhankelijk van elkaar, allemaal onvolledig zonder de ander, allemaal op weg naar een volledigheid die alleen in Christus te vinden is.

Conclusie: een kerk van wederkerigheid

Concluderend kunnen we zeggen dat een inclusieve kerk een plaats is waarin iedereen gelijke toegang heeft, waarin iedereen volledig deelneemt en bijdraagt in alle mogelijke rollen, waar iedereen fysieke en geestelijke behoeften heeft, maar waar we, net als Jezus, anderen vragen wat zij willen dat wij voor hen doen. Het is een kerk waar we ons onvolledig voelen tenzij mensen met een beperking tot onze gemeenschap behoren, waar we contact leggen met mensen als discipelen en vrienden en waar we God en elkaar met ons hele hart liefhebben – van nu af en totdat we Jezus persoonlijk ontmoeten.

Zo ontstaat geen ‘inclusieve kerk’ als liefdadigheidsproject, maar een gemeenschap die zichzelf als onvolledig ziet zonder de wederkerigheid van al haar leden. Vorming van mensen met een beperking is niet iets wat aan hen gedaan wordt, maar iets wat met hen en door hen gebeurt, in een kerk die beseft dat beperking de grondvorm is van genade.


Naar aanleiding van : Henk Jochemsen, Een inclusieve kerk. In: H. Jochemsen (red.), ‘Als de tak wil bloeien…’: Ontwikkelingssamenwerking in christelijk perspectief (pp. 315-341). Amsterdam: Buijten & Schipperheijn Motief, 2018.

Feiten en cijfers over beperkingen

Wereldwijde cijfers

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) schat dat meer dan een miljard mensen een bepaalde beperking heeft. Zij vormen ongeveer vijftien procent van de wereldbevolking. Van alle mensen met een beperking leeft tachtig procent in ontwikkelingslanden.

Internationaal kader

Het verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van mensen met een beperking (CRPD) is een internationaal mensenrechtenverdrag dat de rechten en waardigheid van mensen met een beperking moet beschermen.

Situatie in Nederland

In Nederland hebben ongeveer 2 miljoen mensen een beperking. Ze zijn bijvoorbeeld slechtziend, doof, hebben een lichamelijke of verstandelijke beperking of gedragsproblemen. Hun behoefte aan zorg en ondersteuning is verschillend. Net als wat hun naasten nodig hebben.
De zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking moet ook in de toekomst mogelijk en betaalbaar zijn. En moet blijven passen bij wat mensen met een beperking nodig hebben. Het kabinet heeft tot 2027 € 138 miljoen vrijgemaakt voor de zorg en ondersteuning van mensen met een beperking.
In Nederland leven naar schatting 15.000 mensen met een ernstig meervoudige beperking (EMB).

De relatie is de remedie

Veertig jaar oud, traumachirurg, werkt en woont in Schotland. Sophia heeft zich aangemeld voor een eenmalig consult bij psychiater dr. Irvin Yalom (1931) via Zoom. Haar ouders kwamen om bij een auto-ongeluk in Zuid-Afrika. Nu voelt ze zich helemaal alleen op de wereld. Vrienden heeft ze nauwelijks, en relaties met mannen lopen dood na een paar dates. Terwijl Yalom probeert te achterhalen waar het mis gaat, merkt hij iets op. Er ontstaat afstand tussen hen tijdens het gesprek. Voor hem een teken om over te schakelen. “‘Sophia’, begon ik, ‘ik wil je iets vragen. Hoe vind je het gesprek tussen ons gaan?'” (44)

Op dit punt hield ik even mijn adem in. Het zijn dit soort momenten die Het uur van het hart zo bijzonder maken. Dr. Yalom beschrijft hoe hij in eenmalige gesprekken – een uur, niet meer, geen vervolg – razendsnel naar het hier-en-nu durft te gaan. Zelf doe ik dat zelden, ook niet als ik een reeks gesprekken met mensen voer. Uit deze gespreksverslagen blijkt hoe Yalom de concrete ontmoeting ziet als sociale microkosmos: wat er tussen hem en zijn cliënt gebeurt, gebeurt ook in de echte wereld.
Sophia kijkt angstig en verbaasd. “Ik denk,” schrijft Yalom, “dat dit komt omdat we vrijwel nooit echt eerlijke feedback van anderen krijgen.” (45) Reacties zijn altijd gekleurd door de aard van de relatie – geliefden, collega’s, statusverschillen. “Oprechte eerlijkheid is een van de sterkste dingen die een therapeut kan geven.”

Een schat aan inzichten

Dit is slechts één voorbeeld van de leerzame punten in dit boek. Yalom besteedt aandacht aan het indirecte geheugen en intuïtie, aan de bijzondere stap om een hulpvrager jóúw te laten bevragen, en – daar nog voor – aan zelfonthulling als waardevol element in de helpende relatie. Ik herken vrijwel alles uit de pastorale praktijk en voel me uitgedaagd om het toe te passen.

Dit alles staat in het teken van Yaloms kernboodschap: de relatie is de remedie. “Daarmee wil ik zeggen dat de ontwikkeling die een patiënt doormaakt vooral voortkomt uit de hechte, veilige relatie met zijn of haar therapeut en veel minder het gevolg is van een specifieke interventie, diagnose of medicatie.” (187) Het verlangen naar persoonlijk contact blijkt een belangrijk motief voor mensen om hulp te zoeken. Dat heeft Yalom in zestig jaar als therapeut wel geleerd. Zoon Benjamin schrijft in het nawoord: “Naar blijkt is dit niet louter zijn persoonlijke mening, maar wordt dit belangrijke idee inmiddels krachtig ondersteund door de resultaten uit tientallen jaren aan onderzoek.” (265)

De paradox van verbinding

Mensen hunkeren naar warmere, betere relaties. Om die te bereiken moet je bereid zijn jezelf open te stellen. Je bloot te geven. En dat is nu juist wat het moeilijk maakt: kwetsbaarheid voelt niet veilig.
In zijn uur-sessies wilde Yalom bereiken dat mensen in korte tijd echte verbinding gingen ervaren – als opstap naar verdere hulp door anderen, op zijn aanbeveling. Het boek is een prachtig en leerzaam verslag van die gesprekken. Dat hij door zijn leeftijd soms last heeft van een gebrekkig geheugen, wordt onderdeel van het verhaal. Net als het verlies van zijn vrouw. Hij ontsluit zich voor de mensen die zijn hulp inroepen.
Opvallend: het zijn vaak therapeuten en psychologen zelf die zich bij hem melden. Actief om anderen te helpen, toch niet tevreden met hun eigen leven. De eenmalige sessies zijn leerverhalen, geen blauwdruk voor therapie in het algemeen. Zo heb ik het ook gelezen: welke strategieën past de zo ervaren Irvin Yalom toe en hoe zou dat kunnen werken in pastorale gesprekken?

Het hier-en-nu als spiegel

Een voorbeeld uit mijn eigen praktijk. Ik sprak eens een vrouw die bang was dat haar man haar zou verlaten. Uit haar verhaal kreeg ik de indruk dat het echt zou gebeuren. Een van zijn klachten was dat zij soms niet ophield en met stemverheffing op hem bleef inpraten. Over wat er beter moest en dat hij het huwelijk niet mocht opblazen. We hadden het ruim en intens onderzocht, toen begon ze opnieuw – heftig, geëmotioneerd. “Weet je wat er nu gebeurt?” vroeg ik. “Ik denk: ik wil hier weg. Ik voel: kan ik naar buiten?” Ze trok bleek weg. “Sorry, sorry,” zei ze geschrokken, “ik wilde je niet wegjagen.” Ik maakte haar duidelijk dat haar man waarschijnlijk hetzelfde voelde bij haar gedrag.

Yalom doet precies hetzelfde bij Sophia. Ze reageert dat ze verwarring en enige irritatie voelt bij de manier waarop hij met haar spreekt. “En nu vermoed ik,” antwoordt Yalom, “dat wat hier in ons gesprek gebeurt sterk overeenkomt met wat er tussen jou en de anderen gebeurt.” (46) Dat is de opening in het gesprek. Sophia realiseert zich dat ze zich niet snel blootgeeft. Dat is ze niet gewend en ze voelt zich er niet prettig bij.

Nooit te oud om te leren

Het uur van het hart is een boek dat ik zal herlezen. Je bent nooit te oud om te leren – dat laat de geleerde en gelouterde Yalom indringend zien. Een voorbeeld om te volgen.

Naar aanleiding van: Irvin D. Yalom en Benjamin Yalom, Het uur van het hart: Echt contact in een vluchtige tijd. Amsterdam: Balans 2025. Uit het Engels vertaald door Anne-Marie Vervelde en René van Veen. Oorspronkelijke titel Hour of the Heart, uitgegeven door Harper/Collins, verschenen in 2024. Naast publicaties in het veld van de psychiatrie schreef dr. Irvin Yalom ook verschillende bestsellers: Nietzsches tranen, De Schopenhauer-kuur en Het raadsel Spinoza.

De zin van het leven

Gerard Visser (* 1950) was tijdens zijn werkzame leven jarenlang hoofddocent cultuurfilosofie aan de Universiteit van Leiden. Hij schreef eens een essay dat indruk op me maakte. Over de fundamentele vraag naar de zin van het leven. Het is een vraag waar we zomaar van denken dat wij het antwoord erop kunnen vinden. Maar zo vanzelfsprekend is het niet. En dat herken ik. Vandaar dat hij mijn aandacht ten volle heeft.

Visser observeert dat het moderne leven optimaal is afgesteld op de verwerkelijking van doeleinden. Dit doelmatigheidskarakter is hoog ontwikkeld in onze samenleving en manifesteert zich in onderwijs, zorg en overheid. Wanneer we vragen naar de zin van studie geneeskunde en het doel ervan, dekken deze vragen elkaar volledig.
Deze benadering vindt zijn oorsprong in de Griekse filosofie, specifiek bij Aristoteles’ concept van telos. Voor Aristoteles lag het telos van het menselijk leven in geluk (eudaimonia), wat een geslaagd leven veronderstelt waarin handelingen (erga) optimaal worden uitgevoerd. Telos betekent echter meer dan alleen een na te streven doel – het duidt op de volledige voltooiing en ontplooiing van een zijnde, beter vertaald als ‘voleinding’.

De problemen ervan

Visser stelt kritische vragen bij deze doelgerichte benadering. Wat gebeurt er wanneer resultaten uitblijven? Hij verwijst naar ethische dilemma’s rond kinderen met het syndroom van Down die met complicaties worden geboren, en naar mensen die na een lang leven geen enkele zin kunnen ontdekken.
De traditionele teleologische orde werd weliswaar verchristelijkt overgenomen, maar werd ondergraven door de emancipatie van de wetenschap, het ontstaan van nationale staten en de burgermaatschappij. De moderne fysica heeft geen boodschap meer aan het begrip wezen of telos – alles wordt gezien als een berekenbaar geheel van krachten. Teleologie heeft plaatsgemaakt voor functionaliteit, waarbij alles in dienst staat van het effect voor de mens.
In de burgerlijke maatschappij kenmerkt zich door politieke rechten voor iedereen en marktgeoriënteerde warenproductie. De burger moet vrijheid hebben om zijn gevoel te volgen en zijn leven naar eigen smaak in te richten. Hier manifesteert zich vandaag de vraag naar de zin van het leven opnieuw.

Echter, deze bezieling en beleving komen weer in handen van de geest van doelmatigheid. In een beleveniseconomie heeft het functionalistische denken zich volledig van de beleving meester gemaakt en exploiteert nu niet alleen de buitenwereld maar ook ons innerlijk. Het denkschema van belevingsrationaliteit luidt: ‘richt je leven zo in dat ze je bevalt’. (41)  Elk individu moet voortaan zelf de samenhang creëren die traditie en collectiviteit niet meer bieden, door van het leven een belevenisproject te maken – het leven zo manipuleren dat het mooie belevenissen oplevert.

Het water dat zich laat oversteken

Visser introduceert het centrale beeld van René Char: ‘De kinderen en de wijzen weten dat niet de brug bestaat, alleen het water dat zich laat oversteken.’ (34, 43v) De brug is alleen brug dankzij het water dat zich laat oversteken. We moeten niet meer vragen naar het doel van het leven, maar naar een dimensie die ons laat leven. “Het gaat dan niet meer om een doel dat ons voor ogen staat, laat staan een resultaat dat wij bereiken. Wij kunnen dat niet en hoeven dat niet – wat ons laat leven is zo onuitputtelijk als water.” (43)

Gelatenheid en loslaten

Op de vraag naar de zin van het leven is geen ondubbelzinnig antwoord mogelijk, zolang we doelmatige activiteiten tot maatstaf nemen en zin vereenzelvigen met doel. We moeten de zin van het leven niet zoeken in het manipuleren van beleving, maar in het loslaten van alle effectbejag. Het ‘laten’ in Chars dichtregel impliceert voor de mens niet alleen loslaten, maar geeft ook een positieve hint: het overlaten aan of zich verlaten op. Toegepast op de zin van het leven betekent dit dat we ons leren verlaten op het onuitputtelijke dat ons laat leven.
Visser verwijst naar Eckhart’s begrip van gelatenheid: loslaten van eigenwilligheid, jezelf overlaten aan God, het laten van God. Dit betekent God als vatbare entiteit loslaten, opdat Hij in ons binnenstroomt en werkzaam wordt – niet geduldig ondergaan of lusteloosheid.

“Zin is geen doel waar je op afgaat, maar een dragende dimensie die zich opent als je een stap achteruit doet,”  concludeert Visser. (46) De ware zin van het leven ligt niet in doelgericht handelen of het nastreven van belevingen, maar in het zich verlaten op het onuitputtelijke dat ons fundamenteel laat leven.


Gerard Visser, ‘De vraag naar de zin van het leven’ In: Idem, Water dat zich laat oversteken: Verkenningen in het stroomgebied van beleving en gelatenheid. Amsterdam: Sjibbolet, 2011, 31-46. Klik hier voor zijn persoonlijke website.

Pactieve golven

De Zweedse filosofe Jonna Bornemark (* 1973) heeft een woord bedacht dat in eerste instantie wat vreemd in de oren klinkt: pactiviteit. Ze smeedt het in haar onderzoek naar zwangerschap, leven en de grenzen van het ik. Het woord klinkt wat onwennig, maar het probeert iets heel wezenlijks te zeggen: dat leven niet te vatten is in de simpele tegenstelling tussen actief en passief. Baren, bijvoorbeeld, is niet alleen iets wat je zelf “doet” (actief) of wat je lijdzaam “ondergaat” (passief). Het is eerder een golf die door je heen gaat, groter dan jezelf, waarin je zowel meegesleept als meewerkend bent. Passiviteit en activiteit zijn woorden die het gebeuren niet begrijpen. Het is eerder pactiviteit.

Dat idee werkt ze verder uit in haar boek Ik ben zee en hemel (Nederlandse vertaling 2023). Misschien, zo stelt ze, heeft de mens wel een pactieve grondstructuur. (143-44) Het ik ontstaat niet door puur gegeven te zijn, en ook niet door radicaal autonoom scheppen, maar door een pactief bewegen. Het gegevene wordt bekrachtigd, in een andere richting voortgedreven. Ons gevoel van identiteit, onze wil, ons zelfbewustzijn: ze worden niet van buitenaf op ons geplakt, en we verzinnen ze ook niet helemaal zelf, maar ze gebeuren in deze pactieve beweging.
Dat roept de vraag op: sluit deze taal misschien verrassend goed aan bij de Bijbelse verhalen over de verhouding tussen God en mens, mens en mens, mens en dier?

Tussen Vader en Moeder

De christelijke traditie heeft lang benadrukt dat er een onoverbrugbaar verschil bestaat tussen God en mens. God is de Schepper, de mens een schepsel. Die scheiding moest duidelijk worden afgegrensd, zeker in het debat met gnostische stromingen en andere religieuze tradities die dat verschil dreigden uit te wissen. Tegelijk klinkt in de Schrift ook een ander geluid. Paulus zegt in Athene: “In Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij” (Handelingen 17,28). In de psalmen en profetieën wordt het leven zelf verbonden met Gods scheppende kracht. Psalm 139 spreekt over God die ons weefde in de schoot van onze moeder. (vers 13) Jesaja vergelijkt God met een moeder die haar kind troost. (Jesaja 66,13).

Als je deze beelden op je laat inwerken, merk je dat ze juist het passieve element van het mens-zijn niet wegduwen, maar omarmen. Je bent gedragen, gebaard, geweven, gevoed. Tegelijk wordt dit nooit een passief slachtofferschap, maar altijd ook een mee-bewegen. Het schepsel is geen marionet, maar iemand die kan instemmen, meedoen, voortzetten. Precies de beweging die Bornemark pactief noemt, zien we in Bijbelse taal oplichten: leven als een ontvangen golf, maar ook als een instemmend voortdragen.

Filosofische bedding

Bornemark staat niet op zichzelf. Ze plaatst zich in een filosofische traditie die kritisch kijkt naar de logica van identiteit. Vanaf Aristoteles en Plato is onze westerse filosofie sterk gevormd door het principe van identiteit: X = X. Alles moet helder gedefinieerd worden, alles moet onder een vaste categorie vallen. Dat heeft geweldige helderheid gebracht, maar ook een enorme verenging. Want het leven is vaak geen kwestie van of-of, maar van overgang en wording.

“Hier komt het identiteitsbeginsel, X = X, terug. Of je bent dood, of je bent het niet. Bij de meest animale lichamen kun je heel simpel vaststellen of ze levend of dood zijn. Maar dat je een dag of een nacht hebt, betekent nog niet dat er geen dageraad en avondschemering is.” (133-134)

Daartegenover plaatst Bornemark de logica van het leven. Die gaat niet uit van vaste grenzen, maar van bewegingen en processen. Leven is een voortdurende vorming, tijdelijke grenzen die steeds verschuiven. Baren, groeien, sterven: het zijn geen momentopnamen, maar golven. De logica van identiteit zegt: dood of levend, man of vrouw, mens of dier. De logica van het leven zegt: er is dageraad, schemer, overgang, verandering. Identiteit is nodig om orde te scheppen en politiek te voeren, maar het leven zelf laat zich er niet in opsluiten.

“We hebben de logica van het leven nodig om te begrijpen hoe we met elkaar in verband staan, en wie hebben de identiteitslogica nodig om politieke strijd te voeren.” (210)

Bijbelse resonanties

Kunnen we dit verschil in logica ook terugvinden in de Bijbel? Je zou kunnen zeggen: de Bijbel werkt niet met abstracte logica’s, maar met verhalen, liederen, profetieën. Toch hoor je in die teksten echo’s van beide logica’s.

  • Identiteitslogica in de Bijbel: God is God en geen mens (Hosea 11,9). Licht is licht en duisternis is duisternis. Israël is apart gezet van de volken. De Tien Geboden trekken heldere grenzen: gij zult niet.
  • Logica van het leven in de Bijbel: tegelijk wemelt de Schrift van beweging en overgang. De schepping is een proces van onderscheiden én verbinden. Het boek Ruth laat zien hoe grenzen van volk en familie poreus worden. De Psalmen zingen over mensen als gras dat opkomt en verdort. Jezus zelf spreekt in gelijkenissen vol zaad, gist, mosterdzaadjes – beelden van groei en wording.

De genres versterken dit nog eens. Wet en profetie hebben vaak de toon van identiteit: scherp onderscheiden, oproepen tot keuze. Narratief en poëzie daarentegen openen ruimte voor ambiguïteit, wording, overgang. Toch lopen beide logica’s door elkaar heen. Het is precies de spanning die de Bijbel vruchtbaar maakt: duidelijke identiteit en open beweging.

Waarom ooit?

Waarom is het dan toch de identiteitslogica die eeuwenlang de boventoon voerde, zeker in de theologie? Daarvoor zijn verschillende redenen.

  1. Apologetische noodzaak: in de strijd met gnostiek en heidense religies moest duidelijk worden dat God geen verlengstuk van de mens is, en de mens geen vonkje van het goddelijke. Er is een kloof tussen Schepper en schepsel.
  2. Griekse filosofische erfenis: de vroege kerk dacht in de categorieën van Aristoteles en Plato, waarin essentie, substantie en identiteit centraal stonden.
  3. Scholastiek en systeemdenken: de middeleeuwse theologie werd een sterk logisch en hiërarchisch systeem. Alles kreeg zijn vaste plaats: God bovenaan, daaronder engelen, mensen, dieren.
  4. Moderniteit: in de nieuwe tijd werd de mens gezien als autonoom subject. Theologie schoof mee: geloof werd verdedigd in termen van vaststaande waarheden en definities.

Zo raakte de identiteitslogica diep verankerd in het theologische spreken. Het gaf orde, zekerheid, verdediging tegen verwarring – maar soms ook verstarring.

Waarom nu?

Tegenwoordig komen de beperkingen van die identiteitslogica steeds duidelijker aan het licht.

  • Gender en lichaam: de werkelijkheid laat zich niet vangen in man/vrouw-binaire categorieën. Lichamelijkheid is divers en vloeiend.
  • Ecologische crisis: de harde scheiding mens/natuur blijkt funest. We zijn niet alleen heersers, maar ook afhankelijk, ingebed.
  • Globalisering en migratie: de identiteit van volk en natie is poreus. Mensen bewegen, grenzen vervagen.

Tegelijk is er een filosofische wending naar ervaring en lichaam. De fenomenologie benadrukt dat we de werkelijkheid altijd lijfelijk beleven. Feministische filosofie neemt vrouwelijke ervaringen serieus als bron van kennis. Bornemark begint niet bij een abstract begrip, maar bij zwangerschap – een ervaring die haarscherp laat zien dat actief/passief niet voldoende is.
Daarmee geeft zij woorden aan een breed gevoel: de logica van het leven dringt zich op, juist nu onze oude kaders knellen.

Theologische horizon vandaag

Wat zou er gebeuren als de theologie de logica van het leven serieuzer neemt?

  • Schepping: niet alleen een afgesloten daad in het verleden, maar een voortdurende golf waarin God leven wekt en draagt. “In Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij.” (Handelingen 17,28)
  • Mens en dier: niet star hiërarchisch, maar relationeel en asymmetrisch. De mens deelt in de golf van leven met het dier, maar heeft ook verantwoordelijkheid.
  • Gender en seksualiteit: geen rigide ordening, maar een pactieve veelvormigheid waarin mensen leven en liefhebben.
  • Ethiek: verantwoordelijkheid niet alleen als keuze van een autonoom ik, maar als pactieve instemming met een beweging die groter is dan jezelf.

Dat hoeft niet te betekenen dat grenzen verdwijnen. Bornemark zelf benadrukt dat de logica van het leven en de identiteitslogica elkaar nodig hebben. Identiteit is belangrijk voor recht en orde, maar leven is meer dan identiteit. De uitdaging is om beide logica’s niet tegen elkaar uit te spelen, maar vruchtbaar te verbinden.

Relevant

Het is veelzeggend dat een filosofe vandaag vanuit een lichamelijke ervaring als zwangerschap een nieuwe logica aandraagt. Het laat zien dat wij in een tijd leven waarin vaste schema’s knellen, maar waarin we ook verlangen naar woorden die recht doen aan de rijkdom van het leven. De Bijbel zelf blijkt verrassend veel aanknopingspunten te bieden om die logica van het leven te verstaan. Wie de verhalen leest, merkt dat de golf van Gods scheppende kracht door alle generaties heen beweegt, mensen meeneemt, laat meedoen, pactief.

In een samenleving die worstelt met identiteitsdebatten, ecologische crises en vragen rond lichaam en gender, kan deze combinatie van Bijbelse narratieven en Bornemarks filosofie een nieuw kompas geven. Niet óf identiteit óf wording, maar een pactief samengaan. Niet het krampachtig vasthouden aan categorieën, en ook niet het volledig loslaten, maar leven als meebewegen in de golf van het leven, gedragen door de bron waaruit alles voortkomt.


Naar aanleiding van: Jonna Bornemark, ik ben zee en hemel: Een filosofisch onderzoek van zwangerschap, leven en de grenzen van het ik. Amsterdam/Antwerpen: Querido Facto, 2023. Oorspronkelijk verschenen in 2022 onder de titel: jäg ar himmel och hav – en filosofisk undersōkning av graviditet, liv och jagets gränser. Vertaling door Elina van der Heijden, via het Scandinavisch Vertaal en Informatiebureau.

“Ik vraag me af of onze taal ons hier niet om de tuin leidt. We zijn zo gewend om te denken dat we passief of actief zijn. Slachtoffer of dader. Actief barend of passief lichaam dat verlost moet worden. Maar zo ziet baren er niet uit. Het baren is een golf met een oorsprong ergens ver voorbij dat wat ik opvat als ik. Een golf waar ik ooit uit gekomen ben, op de dag dat ik werd geboren, en die toen door mijn moeder werd gepersonifieerd. Een golf die zich door de generaties heen beweegt, de ene uit de andere. Die golf stort zich tijdens het baren over mij heen, keert mijn lichaam binnenstebuiten zodat het nieuw leven eigen contouren kan krijgen in een wereld. Mijn wil is terzijde geschoven, maar ik kan ervoor kiezen te baren, ervoor kiezen mee te gaan de golf te volgen, haar tot de mijne te maken en actief de beweging voort te zetten die ergens anders vandaan komt. Passiviteit en activiteit zijn woorden die het gebeuren niet begrijpen. Het is eerder pactiviteit.” (142-143)

Klanktaal voor wie wil

Ik ben de schaamte voorbij. Als ik op zondag tijdens een kerkdienst zin heb om mee te klappen bij een lekker uptempo lied, dan doe ik dat gewoon. Ik weet nog precies wanneer ik dat punt bereikte: tijdens de Hindostaans-Pakistaanse diensten waarin ik in de jaren negentig voorging, toen ik in Rotterdam werkte. De begeleiding met tabla en tamboerijn nodigde daartoe uit; verschillende aanwezigen gaven het voorbeeld en ik volgde. Nu ik niet meer in die setting voorganger ben, klap ik waar en wanneer ik wil – zolang ik me veilig genoeg voel. Dat laatste wil ik er nadrukkelijk bij zeggen.

Nu ik het boek Klanktaal uit heb, moet ik aan dit voorbeeld denken. Agnes Huizenga en Wim Noordzij hebben het christelijk publiek een dienst bewezen met het schrijven van dit bondige en toegankelijke boek. In minder dan 150 bladzijden word je als lezer meegenomen langs de essentiële aspecten van dit bijzondere fenomeen. Is het nog voor nu, of hoorde het bij de start van de christelijke kerk? Waar in de Bijbel kom je het tegen? Sprak Jezus in bijzondere klanken tijdens Zijn gebeden en kun je al klanktaal in het Oude Testament aanwijzen? Is het een gewone taal en past het in de samenkomsten? Antwoorden op deze en andere vragen krijg je soepel geserveerd door Agnes en Wim op een goed leesbare manier. Wim Noordzij, predikant en theoloog, heeft de meer Bijbel-theologische hoofdstukken voor z’n rekening genomen. Agnes Huizenga is coach en contextueel therapeut en zij vertelt uit haar rijke ervaring met klanktaal. Zij schreef het slothoofdstuk en de bijlage met praktische wenken. Want de strekking van het boek is: toe maar, probeer het maar. Het is een gave die iedereen kan najagen en ontvangen. Ik verwelkom het boek graag in de orthodox-protestantse hoek van de kerk. Het is een hulp in de zoektocht naar ruimte voor verschillende spiritualiteiten. Het helpt om vooroordelen te herzien en onderlinge oordelen tegen te gaan. En tegelijk kan ik melden dat ik persoonlijk de behoefte aan klanktaal niet heb, ook niet na het lezen van het boek. En ik ga het ook niet proberen. Uit respect voor het boek en als verheldering voor mijzelf wil ik proberen uit te leggen hoe dat zit. Een blog lang hardop denken.

Ik begin met dit punt: je moet je controle willen verliezen als je klanktaal zoekt en ontvangt. Wim Noordzij citeert (instemmend) uit een essay van Dick Westerkamp (uit 2007):

“De Geest van God neemt bezit van mijn geest, ziel en lichaam. Daar hoort ook het onbewuste van mijn geestesleven bij. Ben ik in staat de controle uit handen te geven? Dan is het ook niet meer zo’n grote stap om als een daad van overgave te beginnen met het maken van klanken, niet omdat men een ‘taal’ ontvangt, maar omdat je vrijmoedigheid voelt alles over te geven aan Hem, wat je ook fysiek kunt uiting door te lofprijzen en daarbij letterlijk out of your mind te gaan.”(94, zie ook 83 en 118 ‘God neemt over’).

Ik denk dat het voor niemand heel gemakkelijk is, maar ik kan eerlijk zeggen dat ik in een veilige setting dat wel durf: controle verliezen. Wim wijst ergens op de expressie van de liefde die zich niet meer in woorden laat uitdrukken. (103) In de vertrouwde sfeer van je geliefde laat je je gaan. Maar zoveel intimiteit kent het kerkelijke leven niet. Ik noemde hierboven het voorbeeld van meeklappen met een lekker lied in een eredienst – maar dat doe ik niet als ik ergens in een kerkdienst voor het eerst ben. En als in m’n eigen gemeente, waar ik me vertrouwd voel, de gewoonte groeit om liturgisch te dansen, dan geef ik op dat punt mijn zelfbeheersing niet uit handen. Laten we eerlijk zijn, de samenkomst van Gods gemeente is niet per definitie een veilige oefenplaats.

Nu is dat ook in het boek Klanktaal wel helder. (55-56) Zou ik het dan niet in de privésfeer kunnen beoefenen? Al eerder had ik mij die vraag gesteld – en met ‘nee’ beantwoord. Bij heroverdenking kom ik weer bij dat antwoord uit. Dat heeft voor mij niet met schaamte te maken. Ik durf thuis onbeschaamd dingen te doen, al doe ik er goed aan hier niet al te concreet te worden. Het heeft voor mij te maken met wat voor mij geloven is. Leven in eenheid met de Heer (Kolossenzen 2,6) of wandelen in Christus gaat wat mij betreft over het vormen van een karakter. En dat in je taal, houding en gedrag laten zien (Kolossenzen 3,1-17) Zoals Jezus tussen mensen was, zo wil ik graag worden – en ik krijg daar een leven lang tijd voor. Het gaat mij primair om een houding van aandacht voor de ander, trouw tonen in liefde en vriendschap, behulpzaamheid en goede zorg voor mij zelf. Dan kan ik waar nodig met iemand twee mijlen optrekken of mijn rechterwang toekeren als de linker al geraakt is. Dagelijks veranderd worden naar het beeld van Christus (2 Korinte 3,18) doe ik in dagelijkse dialoog met mensen. En zo met God. Niet dat God daarmee op de tweede plaats komt. Ik geloof dat God juist erg aanwezig is in de ander. De presentie van God buiten de ander om, dat ervaar ik zelden. En als het zo is, maar voor even. En dat vind ik niet erg.

“Mijn diepe verlangen is,” schrijft Agnes Huizenga, “dat meer mensen in klanktaal spreken heeft hiermee te maken: ik geloof dat God geloven zoveel meer vrolijk, ontspannen en makkelijk bedoeld heeft dan we in onze kerksystemen vaak tegenkomen.” (117) Nu weet ik niet precies wat zij bedoelt met ‘kerksystemen’. Ik werk erin en laat ik zeggen dat ik vrolijkheid, ontspanning en gemak direct omarm en – op mijn manier – in de kerk beleef, zonder dat ik klanktaal beoefen. Als zij verder gaat met: “Klanktaal helpt om die kinderlijke vreugde van het leven met God te hervinden…,” dan wil ik graag een ander perspectief er naast zetten. “Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind, dacht ik als een kind, redeneerde ik als een kind. Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke achter me gelaten.” (1 Korinte 13,11) Hier is dezelfde Paulus aan het woord die in het hoofdstuk hierna een pleidooi voert voor de klanktaal. Als het in de samenkomst maar niet tot wanorde leidt. Dat is in het boek Klanktaal welsprekend uiteengezet. (hoofdstuk 4 en 7) Terwijl ik dus snap dat je kunt bidden met je verstand én met je geest (1 Korinte 14,15), is mijn vraag of een volwassen gelovige dat zou moeten najagen. Gods Geest deelt toch afzonderlijk uit? Ik denk aan deze uitspraak van de heilige apostel: “Al deze gaven worden geschonken door een en dezelfde Geest, die ze aan iedereen afzonderlijk toebedeelt zoals Hij wil.” (1 Korinte 12,11) Wim Noordzij suggereert dat dat vooral geldt voor de samenkomst. Als gebedstaal voor persoonlijke gebruik bespeurt hij bij Paulus het verlangen dat iedereen in klanktaal spreekt. En daartoe zelfs aanspoort. De gaven van de Geest zijn beschikbaar en opvraagbaar voor iedereen. (97-98) Geldt dit dan ook voor de gave van het leren, leiding geven, genezen, vraag ik me af. De praktijk wijst uit dat dat niet zo is. Kun je dan zeggen dat het niet ontvangen van bepaalde gaven slechts ligt ‘bij de blokkades die wij opwerpen’? De Geest deelt toch toe ‘zoals Hij wil’?

Maar stel dat Wim en Agnes gelijk hebben. Dan staat hun pleidooi in verband met een bepaald Godsbeeld en met een idee van wat geloven is. Agnes legt bijvoorbeeld dit accent. Zij ziet geloof ‘… als een relatie waarin je geliefd en bemoedigd wordt.’ (117) Als kind van God mag je weten dat God als Vader jou zo bemoedigt. Dat is zeker een kant van Gods Vaderschap. Maar aanvullend: een ander aspect is het geven aan aansporingen, aanwijzingen en geboden. Hij waarschuwt en corrigeert z’n kinderen. Hij is nabij én blijft op afstand. Met andere woorden: geloven is een vorm van dialogisch leven tussen Vader en kind.
Je kunt ook zeggen tussen Meester en leerling. Dat laatste is een beeld dat past bij God zoals Hij op aarde was: Jezus Christus. Hij leidde een groep leerlingen op door jaren met hen op te trekken. Hij gaf hen de opdracht anderen tot leerling van Hem te maken. (Matteüs 28,19) Soms kozen zij zelf een route. (Handelingen 13,4 en 13) Op andere momenten stuurde Geest heel nadrukkelijk. (Handelingen 16,9) Leerlingen maken betekent nieuwkomers leren onderhouden wat de Meester geboden heeft. (Matteüs 28, 20) Dat laat Hij oefenen in de omgang met mensen, met de schepping, met jezelf en zo ook met Hem. De belofte dat Hij er altijd bij is (28,20) sluit niet uit dat wij ook de ervaring kunnen opdoen dat Hij afwezig is. Het koninkrijk van God is te vergelijken met een man die op reis ging. (Matteüs 25,14-30 en Lukas 19,11-27) Tot aan zijn terugkeer moeten de dienaren er het beste van maken. Zij weten hoe de Heer is. In zijn geest moeten zij hun werk doen. En hij is niet elk moment te raadplegen voor detailbeslissingen. Je hebt de heilige boeken. Je hebt elkaar. Dat geeft vrijheid en verantwoordelijkheid. En soms het gevoel dat je er even alleen voorstaat.

Ik vind dat wel oké. Ik heb niet de angst dat Hij niet meer van mij houdt als Hij een tijd zwijgt. Ik zit er, andersom bekeken, soms even doorheen met God. Is er radiostilte tussen ons. Ik heb soms klachten over zijn gebrek aan ingrijpen. Dat alles hoeft wat mij betreft niet weggenomen te worden door een gebedsvorm die mij instant-ervaring oplevert. Ik heb geleerd in zo’n zestig jaar leven dat ook eenzaamheid en isolement in het geloof vaak gecompenseerd wordt door liefdebetoon van mensen om mij heen. Ik kan stories of faith and glory vertellen, terwijl ik maanden terug mij geërgerd afvroeg waarom de Heer in vredesnaam geweldig leed niet had voorkomen. Het hoort voor mij bij het geloof zoals ik het door de jaren heen geleerd heb: dialogisch, vrij, verantwoordelijk, vrolijk, verdrietig en vol verbeelding.

Hoe klinkt jullie dat in de oren? Dat is de vraag die ik aan Wim en Agnes stel aan het einde van het boek. De vraag is, wat mij betreft, niet of klanktaal ruimte mag krijgen in de christelijke gemeente. Wie het wil of heeft, ga je gelovige gang. De vraag is of er alle ruimte is voor echt verschillende spiritualiteiten.
‘Ja, natuurlijk!’ zou een snelle reactie kunnen zijn. Zeker in onze tijd waarin verstikkende eenstemmigheid als een donkere schaduw uit het verleden wordt bekeken. Maar zo’n snelle reactie zou het diepere punt overstemmen. Doe de realitycheck. Het is nog steeds ingewikkeld om verschillen in geloofsbeleving zonder oordeel en in liefde naast elkaar te laten staan. Niet hoofdstuk 14 van 1 Korinte is het spannende hoofdstuk, hoofdstuk 13 is dat. “Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen – had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schallende cimbaal.” Deze en elke volgende zin uit dat hoofdstuk – het is bijna niet te doen. Wij zijn nu eenmaal ‘geprogrammeerd’ op onderscheiden, beoordelen, wij-en-zij, en het gevoel van beter en minder. De sociologie en de culturele antropologie vertellen het ons onomwonden. De theologie probeert daar haaks op te gaan staan. Wat meer is, de heilige apostelen spreken door Geest van Christus: “U allen die door de doop een met Christus bent geworden, hebt u met Christus omkleed.” (Galaten 3,28 zie ook Kolossenzen 3,11) Christus is alles in allen, dát is de motivatie om elkaar wat ruimte te gunnen. En daarom verwelkom ik het boek Klanktaal. Tegen de achtergrond van verwaarlozing van die bijzondere gave staat dit stevige pleidooi. En in de werkelijkheid van zoeken naar de juiste combinatie van eenheid en diversiteit verwacht ik ruimte. Voor meer dan alleen deze geloofsbeleving.

Blijft nog één vraag over: stel nu dat de Heer, op een goede dag, mij er ongevraagd en ongezocht mee verrast, met die klanktaal? Ja, dan moet ik eraan geloven. En dan kan het niet anders of ze vragen een keer: “Hoort Simon nu ook al onder de klanktaligen?”


Naar aanleiding van: Agnes Huizenga & Wim Noordzij, Klanktaal. Leeuwarden: Ark Media (onderdeel van Jongbloed Christelijke Media), 2025.

Ik moest bij het schrijven ook denken aan wat in de belijdenis staat over de uitwerking van de wedergeboorte: “De goddelijke genade van de wedergeboorte werkt dan ook niet in de mensen alsof zij stokken en blokken waren en zij vernietigt de wil met zijn eigenschappen niet en dwingt de mens niet tegen wil en dank. Maar zij maakt de wil geestelijk levend, geneest, herstelt hem en buigt hem liefdevol en tegelijk krachtig.” (Dordtse Leerregels III/IV 16) God neemt niet zomaar over.