De angst om terug te vallen

De Schrijfster Barbara Ehrenreich schreef in 1989 een boek met de titel: Fear of Falling: The Inner Life of the Middle Class. De Amerikaanse middenklasse van managers, advocaten, consultants en andere experts uit de dienstensector had tussen de jaren vijftig en tachtig een mooie opwaartse beweging meegemaakt. Zij waren in welvaart en status snel opgeklommen zonder de basis van oud geld van voorouders. Maar zij werden bang. “Ze raakten in de greep van twee angsten: het mogelijke verlies van hun positie in het samenleving, en het vooruitzicht dat hun kinderen een minder welvarend leven te wachten stond.” (42) Roxane van Iperen, begenadigd essayiste, dit voorjaar een pittig verhaal over de middenklasse in Nederland: Eigen welzijn eerst. Zij ziet een vergelijkbare ontwikkeling hier. En ik kan het moeilijk zomaar naast me neerleggen. Sociaal-economisch behoren M en ik tot deze klasse. Wij hebben welvaart en status bereikt die hoger uitkwam dan die van onze ouders. Hebben ook wij last van de Amerikaanse fear of falling? En heeft ook ons dat gebracht bij de houding dat mensen uit andere groepen en klassen geweerd moeten worden? Eigen welzijn eerst?

Volgens Van Iperen zijn de liberale waarden langzaam maar zeker ingeleverd. Liberaal is om te vinden dat ieder alle kansen krijgt: individuele vrijheid en kansen ongeacht je afkomst, kleur of religie. Daarvoor in de plaats kwam een indeling in eerste- en tweederangsburgers. Wie niet meekomt heeft het aan zichzelf te danken. Migranten en nieuwkomers vormen een bedreiging voor de eigen verworven privileges. Waar de uitsluitingstaal eerst gebezigd werd voor vreemde culturen wordt het nu vilein en egocentrisch omgezet naar de positieve taal: de zelfzorg die nodig is. Maar de uitsluiting van kwetsbare groepen blijft erbij bestaan. “Kansengelijkheid en de vrijheid voor ieder individu om zich naar vermogen te ontplooien als drijvende waarden achter de middenklasse, zijn sluipenderwijs ingeruild voor een mentaliteit waarin iets acceptabel werd wat daar haaks op staat: eerste en tweederangsburgerschap. Daarnaast werd het frame om dit te legitimeren omgekeerd van iets negatiefs – de angst  voor het vreemde, naar iets positiefs – de noodzaak tot zelfzorg.” (138)

Wat levert enige zelfanalyse hierover op? Sinds M is gaan werken hebben we een gestage groei van inkomen en welvaart meegemaakt. Ik schat in dat wij in groter welstand leven dan mijn en haar ouders. Wel hebben wij nogal wat euro’s in de ontwikkeling van onze kinderen gestoken. Op cruciale momenten verstrekten wij geldbedragen om hen uit acute brand te helpen. En natuurlijk bij in de studietijd. Sinds de kinderen zelfstandig zijn kunnen wij meer sparen en door de verhuizing naar een kleinere woning zijn onze maandlasten verminderd. We hoeven niet te aarzelen als wij leuke kleine dingen willen kopen die het leven aangenaam maken. En bij grotere bedragen hebben wij ervoor kunnen sparen. We geven weg aan die doelen die wij ook daadwerkelijk goed vinden. We proberen steeds meer duurzaam te leven, dat mag wat extra’s kosten.

Er heerst een lichte dreiging van inkomensonzekerheid vanwege het werken in de kerk. De vanzelfsprekende financiële ondersteuning wankelt nu de inkomsten van de geloofsgemeenschap geleidelijk teruglopen. Concrete angst voor welzijnsterugval hebben we niet. Maar onbezorgd leven we ook niet meer helemaal. Omdat we werken in een dominant witte kerk met goed opgeleide mensen, vergelijken wij ons allereerst met de medekerkleden. In een Vinexwijk als Zwolle-Stadshagen is men bezig met opwaartse sociale en economische mobiliteit. De ouders van de dertigers en veertigers zijn vergelijkbaar met ons en misschien is het teruglopen van de giften voor de kerk wel een signaal van wat dat bevolkingscohort van dertigers en veertigers meemaakt: de grens aan de groei en actuele terugval. Sterke inflatie en hoge gasprijzen.

Volgens Roxane van Iperen moet de overheid meer zekerheden bieden. (140) En de burgers uit hun defensieve stemgedrag stappen. “Extremen bestrijden begint in het midden. Met het besef dat het eigenbelang gediend is door langetermijnplannen, goede publieke voorzieningen voor iedereen en investeringen in de burgers die sociale stijging mogelijk maken, van íedere burger.” (143)
En wat nu als je jezelf ook nog christen noemt?
Ik denk dat Jezus ons erop zou wijzen dat wij allemaal leven van de geef: “In alles heb ik u getoond,” zegt de heilige apostel Paulus tot de verzamelde oudsten uit Efeze, “dat u de zwakken, door hard werken, moet steunen, indachtig de woorden van de Heer Jezus, die immers gezegd heeft: ‘Geven maakt gelukkiger dan ontvangen.’” (Handelingen 20,35). Zo loskomen van je zelfzorg kan alleen in groot vertrouwen op Vaderzorg: “Jullie hemelse Vader weet wel dat jullie dat alles nodig hebben.” (Matteüs 6,32) Denken dat je jezelf moet redden is in de grond niets anders dan afgoderij, zeker als wij ‘onszelf’ definiëren naar een mate van bezit of inkomen.


Naar aanleiding van: Roxane van Iperen, Eigen welzijn eerst: Hoe de middenklasse haar liberale waarden verloor. Amsterdam: Thomas Rap, 2022. Een sterke passage is het verhaal over vrienden ‘M’. die door Big Tech en desinformatie het complottenfuik in zwemt en hopeloos in wij-zij terechtkomt, 126-135. “Een bepaald type mens krijgt in complottheorieën wat hij of zij al zocht: een bevredigend antwoord op de ongrijpbare, frustrerende en soms niet te bevatten realiteit van bepaalde gebeurtenissen.” (132)

Heiligheid als fundament

Dit voorjaar besloot ik het Bijbelboek Leviticus nog eens grondig door te nemen. Ik wil me verantwoorden over mijn veranderde houding ten opzichte van homoseksualiteit. In dit Bijbelboek staan daarover enkele strenge bepalingen (18,22; 20,13). Hoe moet ik de krachtige afwijzing begrijpen als ik er persoonlijk geen probleem mee heb als twee mannen (of vrouwen) als consenting adults seks hebben? Laat ik in mijn denkproces toch ineens getroffen worden door een passage in een boek dat ik ook dit voorjaar las. Ik leende van mijn zoon Het Rechtvaardigheidsgevoel van de Amerikaanse psycholoog Jonathan Haidt en las het volgende: “Toen ik de Hebreeuwse Bijbel las, ontdekte ik tot mijn grote verbazing dat ik een groot deel van dat boek – een van de belangrijkste bronnen van de westerse moraal – werd ingenomen door regels voor de omgang met voedsel menstruatie, seksualiteit, het lichaam en de doden. … Veel van deze regels leken meer een emotionele logica te volgen en vooral gericht op het vermijden van gevoelens van afschuw.” (29) Nu ik het boek uitgelezen heb begrijp ik hoe dat zijn thema raakt. Hij wil aan ons uitleggen waarom  mensen zo verdeeld zijn over religie en politiek. Aan het slot van het boek vat hij het kort en krachtig samen: “De verklaring is dat onze geest ontworpen is op morele oordelen gericht op groepsvorming. Wij zijn diep intuïtieve wezens. Onze instinctieve gevoelens beheersen onze strategische redeneringen. Dat maakt het zo moeilijk om verbinding te maken met mensen die in andere matrices wonen, die veelal gebouwd zijn op een andere deelverzameling van de beschikbare morele fundamenten.” (357)

De beschikbare morele fundamenten, Haidt noemt er zes: het zorgzaamheid/schadefundament (155) , het eerlijkheid/bedrogfundament (160, zie ook 206v), het loyaliteit/verraadfundament (163), het autoriteit/subversiefundament (167), het heiligheids/ontaardingsfundament ( 171) en – later toegevoegd – het vrijheid/onderdrukkingsfundament (198). In verband met mijn onderzoek is vooral zijn beschrijving van het heiligheidsfundament erg behulpzaam. Haidt ontdekte dat naast het morele kader gebaseerd op autonomie (zo in het Westen) ook kaders van collectiviteit en heiligheid in de plurale wereld voorkomen. “Een ethiek van heiligheid is gebaseerd op het idee dat mensen eerst en vooral tijdelijk plaatsen zijn waarin een goddelijke ziel woont.” (122, zie ook 129) Daarom is het lichaam een goddelijke tempel. Het is geen speeltuin. Ook al berokken je niemand schade, je mag niet iets doen dat het lichaam vernedert omdat je zo de Schepper onteert en de heilige orde van het universum schendt. In samenlevingen waarin heiligheid hoog gewaardeerd is, wordt persoonlijke vrijheid geassocieerd met hedonisme en het bevorderen van de lagere instincten van de mens.

In India kwam hij op het spoor van reinheid. Een tempel ligt hoger dan de straat en het binnenste van de godheid nog hoger. Want beneden op straat is het vuil. Evolutionair is het gevoel van afschuw waarschijnlijk geboren uit het eetpatroon. Omnivoren als onze voorouders waren hebben het grote voordeel dat ze overal gedijen. Maar ze moeten wel opletten op het voedsel veilig is. Risico’s van infectie door afvalproducten moeten worden voorkomen en daar heb je signalen voor nodig. Je neemt voorzorgsmaatregelen. Zo kun je eten wassen, bij bepaalden zieken uit de buurt blijven en dode lichamen mijden. (174)
De oorspronkelijke triggers zijn inmiddels uitgebreid en diverser geworden. De houding tot migranten kan leiden tot een vorm van ‘onaanraakbaar’ maken van mensen. “Waarom behandelen mensen objecten (de vlag, het kruis), plaatsen (Mekka, een veldslag die verband houdt met het ontstaan van je land), mensen (heiligen, helden) en principes (vrijheid, gelijkheid, broederschap) vaak alsof ze van oneindige waarde zijn? Wat de oorsprong ervan ook is, de psychologie van heiligheid helpt individuen om zich te verbinden tot morele gemeenschappen.” (175) Met hebben gevoelens van onreinheid of afschuw over bepaalde handelingen is nauwelijks uit te leggen. De ratio komt achteraf mooie redeneringen toevoegen, maar het is ook zonder dat gewoon afschuwelijk. Morele sprakeloosheid, daar begint het mee. (42, 56)

Hoe kun je constructiever van mening verschillen in een diep verdeelde samenleving? Haidt zegt: vergroot je inzicht voor te kijken naar de morele matrices. (333, zie ook 339, 343) Het is nu eenmaal zo dat er verschillende ethische pijlers zijn waarop mensen hun overtuigingen en gedrag laten rusten. Als je inziet dat een ander accenten legt die jij niet legt, helpt dat de verschillen te snappen. Bedenk vervolgens dat bij iedereen, dus ook bij jou, emoties de baas spelen. Die vormen de olifant, de ratio is slechts de berijder. Hij noemt intuïtie en redeneren ‘twee vormen van cognitie’:  “Morele emoties zijn een bepaald type morele intuïtie, maar de meeste morele intuïties zijn subtieler; ze bereiken niet het niveau van emoties.” (63) Het gaat om de honderden snelle morele oordelen die je dagelijks maakt.
Wie anderen wil overtuigen moet zich niet richten op de berijder maar op de olifant. Dat is heel moeilijk. Als je wilt dat mensen zich ethischer gaan gedragen kun je het beste het pad veranderen waarop de olifant en de berijder zich bewegen. “Je kunt kleine en goedkope verbeteringen aanbrengen in de omgeving, die sterke stimulans aan ethisch gedrag kunnen geven.“ Intuïties komen eerst, strategische redeneringen volgen.

Jonathan Haidt vertelt hoe hij veranderd is door contact met mensen die hem een andere moreel leven voorleefden. (123) Dat is precies wat er met mij ook gebeurde. Toen ik homo’s en lesbiennes leerde kennen werd mijn theoretische afwijzing aan het wankelen gebracht. Toen het mijn eigen dochter betrof wilde ik niets anders dan haar support geven. Zonder dat ik precies kan invoelen hoe het is om lesbisch te zijn, kan ik wel zien hoe een lesbienne integer probeert haar relaties vorm te geven. De intuïtieve afschuw ebt weg, het seksuele leven is privé en dus moet ik mij nu verhouden tot Bijbelteksten die die afschuw wel verwoorden – zelfs als de afschuw van de HEER: het is een gruwel, zegt Leviticus. Als die emotionele reactie van toen uitblijft in het heden, is dan de verwoording van toen een culturele aanpassing van Gods kant? Is daar een reden voor te geven? We denken verder.


Naar aanleiding van: Jonathan Haidt, Het rechtvaardigheidsgevoel: Waarom wij niet allemaal hetzelfde denken over politiek en moraal. Utrecht: Ten Have, 2021. Oorspronkelijk verschenen in 2012 onder de titel The Righteous Mind, vertaald door Karl van Klaveren en Indra Nathoe.

Welkom in het immunoceen

De laatste lockdown viel me zwaar. Waren we net weer een beetje bij elkaar in de buurt gekomen, ook op zondag, kwam de camera er weer tussen zitten. Wat gezondheid betreft heb ik me in de twee jaar geen zorgen gemaakt en toen ik ten slotte toch corona kreeg, viel het ziekteverloop erg mee. Een kleine week verkouden en hoofdpijn en nog wat gammel in de weken erna. Tot je op een dag constateert dat dat het dan was.

Heb ik zelf meegewerkt aan dat rustige beeld, terwijl ik toch de groep van zestigers nabij ben gekomen? De vraag stel ik nu ik het boek van Jaap Goudsmit uit heb. Hij is arts en microbioloog  en hoogleraar aan de Harvard T.H. Chan school of Public Health. Hij heeft meer dan twintig jaar ervaring als wetenschapper met het maken van vaccins en antivirale antistoftherapie, lees ik op de achterflap. Geen kleine jongen dus. Hij publiceerde recent voor het gewone volk waartoe ik op het punt van gezondheid en ziekte behoor het zeer leesbare: Een gezonde toekomst: Vijf lessen van corona. Hoe vol het boek ook staat met medisch-technische informatie, de lessen die hij trekt zijn voor een geïnteresseerde leek goed te volgen.

Om je leven niet te laten vergallen door welk virus dan ook, moet je de wetenschappelijkheid van kennis op waarde leren schatten. Dat is les 1. Heel nuttig in een tijd waarin de virologen voortdurend aan gesprekstafels werden uitgenodigd. En tegelijk werden tegengesproken, ook door collega’s en andere wetenschappers. Goudsmit benadrukt dat wij goed moeten snappen wat oorzaak en gevolg is en dat wij op het punt van virussen niet alles weten op dit punt. “Waar het virus vandaan komt, doet er eigenlijk weinig toe. Belangrijker is de vraag hoe we omgaan met de onzekerheid dat we het misschien nooit precies zullen weten. Wat we wel weten is dat het om de zoveel tijd een samenloop van omstandigheden het virus de ruimte geeft om zich onder mensen te verspreiden en zich daar te handhaven.” (57) Dat is nuttig, dat een deskundige zo nu en dan zegt wat we gewoon niet weten. “Hoeveel ik ook had geleerd over mijn vak gedurende de laatste veertig jaar, over de huidige pandemie wist ik met zekerheid niets te zeggen en lessen op grond van de geschiedenis heb ik maar al te vaak verkeerd geïnterpreteerd. We moeten vooral uit het verleden leren hoe we het niet moeten doen.” (162) Zo, dat lucht op.

Hij verbreedt de bescheiden houding tot dit algemene punt: ziekte en lijden is onvermijdelijk. “Dat we met steeds meer mensen de lucht op aarde in- en uitademen, komt niet zonder prijs. De lucht zit vol met virussen en soms zijn dat virussen die ons ziek maken. Zo is het nou eenmaal en we kunnen niet vermijden dat we geboren worden en we kunnen niet vermijden dat we sterven.” (69) Waarvan acte, ik hoop dat alle RIVM’s en kabinetten dit inzicht laten doorwerken in hun beleid. Het kan ons helpen om je angst te leren beheersen. “Vaker dan ons lief is moeten we accepteren dat veel in het leven onduidelijk of onverklaarbaar is. Daar niet angstig van worden kan een hele opgave zijn. Het liefst willen we een schuldige kunnen aanwijzen voor het leed dan ons wordt aangedaan.” (64) Hier heb ik dan als gelovige nog wel weer wat extra gedachten bij, maar in het betoog van Goudsmit is het wel nuttig. Leer accepteren wat je niet kan veranderen.

Maar doe intussen wel wat in je invloed ligt. Want we hebben vooral gekeken naar wat het virus doet. Wat hem betreft letten we meer op hoe het lichaam reageert: het immuunsysteem en leren wij daaruit preventieve lessen voor een leven in een wereld vol visrussen. “Ik heet iedereen welkom in het immunoceen, waar het bewaken van je eigen gezondheid centraal staat en de verantwoordelijkheid daarvoor steeds meer bij jezelf komt te liggen. Een tijdperk waarin de overheid hopelijk alles in het werk stelt om individuen daarbij maximaal te helpen en te ondersteunen onder het motto: ziekte voorkomen is belangrijker dan achteraf behandelen.” (183) En even daarvoor had hij in eenvoudige taal volstrekt helder gemaakt waar het dan op aan komt: “Het risico om op je zeventigste of tachtigste door en ernstige infectie op de ic te belanden, hangt in hoe mate af van hoe gezond je er op je veertigste of vijftigste voorstaat. Of je overgewicht hebt, rookt, drinkt of regelmatig drugs gebruikt, maakt uit. Ook je mentale gezondheid is belangrijk in tijden van grote druk.” (182)

Ik ben bijna zestig en ongeveer een jaar bezig die laatste paar kilo’s af te werpen, zeg een stuk of vijf nog. Ik ben door Goudsmit nog wat gemotiveerder en laat me helpen door inzicht in de zwakke momenten (honger, boosheid, eenzaamheid, vermoeidheid, verdriet) en mijn echte behoeften op die momenten. Intussen werk ik aan mijn innerlijke balans en het leven in het nu. Hypnotherapie kent vele invalshoeken en sluit geweldig bij me aan. Op een of andere manier ook bij wat ik geloof over Jezus, zijn Vader en zijn Geest. Al met al maak ik me niet heel druk over een nieuwe coronagolf deze zomer of dit najaar.


Naar aanleiding van: Jaap Goudsmit, Een gezonde toekomst: Vijf lessen van corona. Amsterdam/Antwerpen, Pluijm (in samenwerking met De Groene Amsterdammer), 2022.

Nihilistisch spelen

What’s in a name? Nou van alles. De Bijbelse verhalen hebben voorbeelden te over: noem mij maar Mara, zegt Naomi bij terugkeer in Betlehem. Jezus vindt Petrus, ‘Rots’, wel een mooie toevoeging aan de naam van de meest spraakmakende leerling. En de apostelen op hun beurt sieren de Leviet Jozef uit Cyprus met de bijnaam Barnabas, ‘Trooster’. Als ik het goed begrepen heb betekent Smutek in het Pools ‘treurigheid’ of ‘droefheid’.  En dat is in het verhaal Speeldrift niet voor niets. De heer Smutek is de speelbal van twee nihilistische middelbare scholieren en heel blij kan je er niet van worden als je ziet hoe deze leraar Duits en gymnastiek lange tijd gechanteerd wordt. En zelfs als hij ten slotte wordt vrijgesproken van strafvervolging vanwege het mishandelen van Alev, ook dan blijf je als lezer treurig achter. Wanneer het leven allemaal spel is, zijn wij verloren. (11)

Het is lang geleden dat ik zo door een literaire roman gegrepen werd; en dat nog wel een vertaalde. Ik kende de Duitse Juli Zeh (pseudoniem van Julia Barbara Finck * 1974) in het geheel niet. Nu ik dit boek uit hebt zie ik dat zij al krachtig aan haar oeuvre gebouwd heeft. Het wordt tijd dat ik het Zeh-leespeloton achterhaal. Want zij is links en rechts bekroond. Op grond van de vertaling van Spieltrieb kan ik daarbij alleen maar bewonderend knikken. Wat een taalbeheersing en plotplanning, wat een sterk thema en hoe relevant in het Europa van nu. “God is, zoals u ongetwijfeld hebt gehoord, overleden.” (439) Hoe onderscheid je dan nog goed en kwaad en wie is gerechtigd daar wat van te vinden? Alleen de rechter? “De enige geesteswetenschap die recht op bestaan heeft is tegenwoordig de rechtenstudie. Die zal ons allemaal overleven. “ (169)

Ada is veertien als de roman begint. Zij is superslim en heeft moderne romans en filosofische inzichten zich eigen gemaakt (dat is, eerlijk is eerlijk, wel wat onwaarschijnlijk, maar oké). Ada kent in elk geval Friedrich Nietszsche: wij hebben God gedood en hebben de horizon van ons leven uitgewist. Wij zijn nu echt aan onszelf overgeleverd, goed en kwaad is aan ons. Dat betekent dat het erom gaat wie de macht heeft de gang van zaken te bepalen. Dat vinden wij uit door samen te spelen. Soms vriendelijk, vaak hard en als we elkaar helpen is dat uit welbegrepen eigenbelang. De redding van de vrouw van Smutek (179vv) door Ada, het had niets om het lijf: zij wilde zichzelf iets bewijzen. (187) Wij handelen allemaal pragmatisch. “Neem de oceanen. Daar leeft een veel groter aantal schepsels dan op het vasteland, de voedselvoorraden zijn schaars en ongelijkmatig verdeeld. Onder water vind je geen wetboeken, geen rechters, geen gevangenissen, geen advocaat en geen politie. Er is niets dan strijd, maar geen oorlog. De veelheid van soorten neemt niet af, de populaties blijven in evenwicht, het grote geheel functioneert, terwijl elk schepsel op zichzelf neemt wat het nodig heeft en niets meer. Dit wonder wordt verricht door het pragmatisme. Een dier hoeft in niets anders te geloven dan in de onzinnige zin van het overleven. De pragmatische mens echter verschilt van het pragmatische dier in een belangrijk aspect. Zijn speeldrift verdwijnt niet bij het aanbreken van de geslachtsrijpheid. Die drift leeft eeuwig. Of dat het menselijke pragmatisme tot een gevaarlijk iets maakt – ik zou het niet kunnen zeggen.” (416)

Alev is een nieuwe leerling op het Ernst Blochcollege in Bonn. Ada ontmoet in hem een geestverwant. Samen verzinnen zij hun machtsspel (189) en docent Szymon Smutek wordt de tegenstander. Maar als hij dan gechanteerd wordt met compromitterende foto’s (seks met leerling Ada) lopen de zaken ten slotte toch anders dan het tweetal denkt. Alev krijgt een enorm pak slaag van Smutek en als dat voor de rechter komt, aanklacht mishandeling, is Alev degene die straf opgelegd krijgt. Want hoe nihilistisch je ook kunt zijn, we leven uiteindelijk nog in een rechtsstaat. Er zijn mensen die de macht hebben je vrij te spreken of straf op te leggen. De hele vertelling staat in het kader van de bespiegelingen van de rechter. (9v en 450v) “Waar zouden we dan nog het recht vandaan halen om te beoordelen, te veroordelen, en vooral: wie? De verliezer van het spel of de winnaar? De rechter zou tot scheidsrechter worden. Met elke poging om theorie in praktijk te brengen en recht in gerechtigheid te vertalen, zou hij zich aan de laatst resterende doodzonde schuldig maken: de huichelarij.” (9)

Ook zonder God is er een besef van recht, van goed en kwaad. We zien dat in het mensenpark waardenconflicten bestaan. We hebben niet vanzelf of latent een universeel gedeeld besef van goed en kwaad, en zelfs over God en zijn wetten valt nogal te twisten. Maar het lukt wel om als land, natie, stam of groep een wet te maken, rechters te waarderen en het kwaad te temmen. Soms gaat dat samen met de idee dat wij allemaal een ziel hebben. Die gedachte is aan Ada niet besteed. “Wat de ziel dan wel was, had Höfi gevraagd en als antwoord had hij gekregen dat de ziel dat streven in de mens was dat tot elke prijs in een God wilde geloven. Zijzelf, Ada, kon daar weinig over zeggen, omdat ze zoiets niet had.” (171) Voor het geloof heeft Ada in haar pleidooi in de rechtszaal weinig goede woorden over. Het is de vergelijken met de verhouding van een hond tot z’n baas. De mens is voor het beest de instantie die beschikt over leven en dood, voer of verhongeren. De mens beloont en bestraft de hond, zijn motieven zijn voor het dier niet te volgen. “Godsdienst is niets anders dan de leer van de blinde gehoorzaamheid…” (438).

Wat voor nihilisten overblijft, is het verlangen naar rust. “Wij willen geen gemeenschap. Wij willen onze rust.” (440)


Naar aanleiding van: Juli Zeh, Speeldrift.7 Amsterdam, Ambo/Anthos, 2007. (Eerste druk 2006) Nederlandse vertaling van Spieltrieb dat in 2004 verscheen bij Schöffling & Co (Frankfurt am Mein). Het boek werd vertaald uit het Duits door John Breeschoten. Voor de website van de auteur, klik hier.

Ik kwam op de titel door het boek van Hans Schnitzler, Wij nihilisten. “Het besef dat er geen hoger plan of doel achter het leven schuilgaat en de ware aard der dingen onkenbaar is, ontneemt elk geloof zijn geloofwaardigheid en elke overtuiging zijn overtuigingskracht.” (88) met daarna Speeldrift als voorbeeld.

“Smutek stelde het zich voor dat ze het op grote schaal ontfutselen van tijd als een natuurlijk verschijnsel beschouwden, net zoiets als het gewichtsverlies van te drogen gelegd fruit.” (129) De verbeeldingskracht van Zeh voor vergelijkingen en metaforen is enorm en gevarieerd. Daarom viel het me tegen dat zij kort na elkaar die vergelijking met ‘gewichtsverlies van te drogen gelegd fruit’ maakt, zie ook 118.

Wij nihilisten

‘Alles van waarde is weerloos.’ Deze zin uit een gedicht van Lucebert (pseudoniem van Lubertus Jacobus Swaanswijk, 1924-1994) zag ik voor het eerst in Rotterdam. Aan de Blaak, een verzekeringsmaatschappij had het in 1978 laten plaatsen. Soms hebben de reclamejongens goede voeling met de Nederlandse letteren. Ik kwam de gevleugelde uitspraak opnieuw tegen in het alarmerende geschrift Wij nihilisten van Hans Schnitzler. Wat hij me nu bijleert is dat direct op deze zin volgt: ‘wordt van aanraakbaarheid rijk’. Als zin opnieuw een poëtisch werkje (de r doet het goed) maar voor Schnitzler is het de kleine weergave van een grote inzet: de strijd om het behoud van de menselijke waarde. En hij heeft in zijn boekje willen aantonen dat het tijd is voor alarm. De techno-baronnen bedreigen met hun data-honger de beschaving.

Hoe kan het toch dat mensen hun recht op zelfbeschikking hoog in het vaandel hebben, en tegelijk hun hele hebben en houden uitleveren aan de data-slurpende tech-reuzen? Dat is de vraag die de auteur behandelt. Hij neemt geen genoegen met de clichés. Bijvoorbeeld, dat mensen nu eenmaal liever lui dan moe zijn. Er zit meer achter. De digitalisering komt met een grotere belofte naar ons toe: wij kunnen verlost worden van alles wat het bestaan onvoorspelbaar en grillig maakt. (36, zie ook 45 en 47) Die belofte klinkt in een wereld waarin wij God dood hebben verklaart. De filosoof Friedrich Nietzsche fungeert prominent in het betoog: wij zijn nihilisten geworden. Het Grote Verhaal waarin God het grillige leven in de hand heeft, heeft een onvoldoende gekregen in de westerse wereld. Dus betekent dat dat wij er alleen voor staan. Nu data-verzameling een enorme macht blijkt te zijn, zijn de nerds en hun bazen bezig dit niet alleen commercieel maar ook ideologisch om te zetten tot succes. We halen de bugs uit het leven en kunnen zelfs de grootste hobbel te lijf: onze sterfelijkheid. Want alles is terug te brengen tot informatie en die kunnen we permanent maken.

In korte intermezzo’s (in een ander lettertype) geeft Schnitzler columns over motieven en oogmerken van de data-jongens. ‘Data maken vrij’ is in drie pagina’s een beschrijving van het evangelie van het dataïsme. (29-31) “Onze centrale geloofsbelijdenis luidt: er is geen andere godheid dan Data en Algoritmus is zijn profeet.” De verspreiding over de wereld is de kerstening, we kunnen spreken van de predestinatie (alles ligt vast en is beschikt), er is de belofte dat we zo dichter bij elkaar komen, bij toetreding moet je je aan de regels houden: gebruikersvoorwaarden. Soms worden wij door de Grote Datascheppers aan een test onderworpen (lees: beproefd). Ware verlossing staat of valt met overgave aan de dataleer en zo kan ieder naar zijn bestemming worden geleid. “In onze gemeenschap is iedereen welkom. Toegang is gratis. Uw ziel is ons geluk. De redding van de mensheid is nabij. Data maken vrij.” (31)

Op Netflix staat op dit ogenblik een film over de ruimteplannen van Elon Musk: Return to Space. De mens moet een multi-planetaire soort worden. Reden: de aarde is niet langdurig houdbaar. Klimaatcrisis of een derde wereldoorlog, we hebben een way-out nodig. Er wordt systematisch aan doorgewerkt, niet meer (alleen) met overheidsgeld (NASA) maar (ook) met commerciële bronnen.
Zit daar het punt om de digi-grootmachten te beperken? Facebook en anderen ongenadig in hun portemonnee treffen als zij onze grenzen overgaan? Dat is wat ik nu vooral hoor. Maar Schnitzler roept op tot een tegenstreven dat positieve inhoud geeft aan wat echt belangrijk is. “De wil tot macht van de tech-lords vraagt dan ook om tegenmacht met als inzet een strijd om waarden. Hun streven naar wat je de definitieve oplossing van het mensenvraagstuk kunt noemen, met als doel niets minder dan de eindoverwinning op de menselijke natuur, vergt een tegenstreven dat die aspecten van ons mens-zijn beaamt die wij de moeite van het behouden waard vinden.” (132) Het boekje van Schnitzler is een teken van hoop. Zijn er meer lichtjes in over ons komende schaduw? Ik las dit voorjaar het essay van Phillip Blom. Hij pleitte voor een bezielend verhaal. Ik las ook het pleidooi voor de bevrijdende en verzoenende lach van Tim Fransen. Anders is het tragische bestaan niet te harden. Hans Schnitzler raak een gevoelige snaar als hij via Lucebert ons brengt bij de aanraakbaarheid. “Aanraakbaarheid betekent dat we, in overdrachtelijke zin, geraakt kunnen worden. Een oogopslag, een enkel woord, een hand op je schouder, de aanblik van een berglandschap of kunstwerk: of en hoe je geraakt wordt, welke stemming het oproept en wat de gevolgen ervan zijn, daar is nauwelijks vat op te krijgen, laat staan dat zoiets meetbaar is. We zijn tastende wezens en staan weerloos tegenover onze eigen aanraakbaarheid. Tegelijk maakt dat het leven juist zo waardevol: de rijkdom (en de inherente kwetsbaarheid) van het menselijk bestaan bestaat uit de wijze waarop iets indruk maakt en hoe iets resoneert. Vrij vertaald: nastrevenswaardig ideaal is niet zozeer de concrete bestemming, als wel de aandachtsvolle afstemming op je omgeving.” (144)

Ik denk dat hij hier niet ver meer is van het koninkrijk van God. En dat vertoont zich op planeet aarde. Om met Hannah Arendt te spreken: “De aarde is het wezen zelf van de menselijke conditie.” (123)


Naar aanleiding van: Hans Schnitzler, Wij nihilisten: Een zoektocht naar de geest van digitalisering. Amsterdam: De Bezige Bij, 2021. Klik hier voor zijn persoonlijke website.

Het complete gedicht van Lucebert:

De zeer oude zingt:

er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings

alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk

als het hart van de tijd
als het hart van de tijd

(opgenomen als ongepubliceerd gedicht uit de periode 1952-1963 in Verzamelde gedichten, Amsterdam, 1974, 439)