Wij hebben kort geleden als kerkgemeenschap een geestelijk verzorger de zegen van God meegegeven. Hij werkt met mensen met een verstandelijke beperking. Het was zijn verlangen om door een gemeente ‘gezonden’ te worden. Het is het voorrecht om als gemeente te mogen zenden. Het is een gave die die Geest geeft en ook als gift tot ons terugkeert door zijn verhalen in ons midden. Hij zal vanuit zijn ervaring vertellen hoe Gods karakter volop tot uiting komt in leven dat beschadigd is en beperkt. In een gemeente waarin veel maakbaar lijkt, is dat een belangrijke boodschap om te herhalen. Maar welke Bijbel-theologische basis is hieraan te verbinden? Het artikel van Henk Jochemsen over inclusief kerk-zijn uit 2018 geeft een handreiking. Ik vat het samen en bespreek een paar vragen die het oproept.
Wat is eigenlijk een beperking?
Wanneer we spreken over mensen met een beperking, gebruiken we een begrip dat eenvoudiger klinkt dan het in werkelijkheid is. Het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) omschrijft het als volgt: “Mensen met een beperking zijn onder meer mensen met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke handicaps die in wisselwerking met diverse barrières belemmerd worden in hun volledige en daadwerkelijke participatie in de samenleving op voet van gelijkheid met anderen.”
Deze definitie raakt iets wezenlijks: een handicap is geen medische diagnose, maar een beleving. Het betekent belemmerd worden in wat je wíl doen, door iets wat je níet kunt. Denk aan fysieke beperkingen, zintuiglijke uitdagingen of moeite met leren of begrijpen. De Van Dale noemt het een ‘belemmering’, maar die belemmering ontstaat vaak pas écht als de omgeving niet meewerkt. In een samenleving die inclusief is ingericht, hoeft een beperking geen handicap te zijn. Hoe minder drempels, hoe minder mensen vastlopen.
De veelzijdigheid van beperkingen
Wanneer we kijken naar de concrete verschijningsvormen, zien we een enorme diversiteit. Er zijn lichamelijke beperkingen zoals dwarslaesie, cerebrale parese of multiple sclerose. Verstandelijke beperkingen, waarbij informatie trager wordt verwerkt en het IQ meestal onder de 70 à 75 ligt. Cognitieve beperkingen die invloed hebben op geheugen, aandacht en communicatie, zonder dat dit iets zegt over intelligentie. Bij een ernstig meervoudige beperking (EMB) zijn verstandelijke en lichamelijke beperkingen gecombineerd aanwezig. En zintuiglijke beperkingen beïnvloeden hoe we communiceren en ons in de wereld oriënteren.
De vraag dringt zich op: is het generieke begrip ‘beperking’ wel adequaat om deze veelsoortigheid samen te vatten? Het eerlijke antwoord is: niet echt. Het begrip ‘(mensen met een) beperking’ is nuttig voor beleid en inclusiediscours, maar te breed en te vlak om recht te doen aan de enorme diversiteit van ervaringen.
Het homogeniseert wat radicaal ongelijk is. Iemand met een visuele beperking, iemand met chronische pijn, iemand met een verstandelijke beperking, en iemand met autisme vallen allemaal onder die ene paraplu – terwijl hun maatschappelijke drempels, ondersteuningsbehoeften en vormen van uitsluiting totaal anders zijn. Bovendien depolitiseert het begrip het verschil: “beperking” klinkt medisch-neutraal, maar is vaak sociaal en structureel bepaald. Het is niet de persoon die beperkt is, maar de samenleving die beperkingen oplegt door ontoegankelijkheid, stigma of normering.
Een adequatere aanpak is dus: het generieke begrip gebruiken voor de visie op inclusie (niemand uitsluiten), maar de analyse en strategie baseren op onderscheiden categorieën van beperking en hun specifieke sociale en culturele context.
Twee visies op beperkingen
Hoe we tegen beperkingen aankijken, bepaalt hoe we ermee omgaan. Er zijn grofweg twee benaderingen te onderscheiden. De medische opvatting ziet mensen met een beperking als personen die speciale diensten nodig hebben, bijvoorbeeld aangepast vervoer of welzijnsvoorzieningen. De mensenrechtenvisie daarentegen vertrekt vanuit erkenning als voorwaardelijke en gelijkwaardige leden van de maatschappij.
De barrières die mensen met beperkingen ondervinden, liggen op drie niveaus: houding, omgeving en instelling. In houding gaat het om vooroordelen, schaamte en discriminatie. Mensen met beperkingen worden beschouwd als onbekwaam, afhankelijk en minder intelligent. Als ze zelfstandigheid tonen, worden ze als helden geprezen – alsof dat uitzonderlijk is. De omgeving vormt een barrière als gebouwen, communicatie, media en informatie niet toegankelijk zijn. En op institutioneel niveau zien we uitsluiting bij arbeid, politiek en religie. Soms is die uitsluiting zelfs gebaseerd op geloofsovertuigingen die een beperking zien als gevolg van zonden die in dit of in een vorig leven zijn begaan.
Echte inclusie betekent: gelijke rechten, participatie, toegankelijkheid en duurzaamheid. De behoeften van mensen met een beperking kunnen en moeten worden ingevuld via normale reguliere programma’s en diensten. Waar nodig komen daar specialistische diensten bij: een tweesporenbeleid.
Bijbels-theologische perspectieven
Wanneer we de Bijbel lezen met deze inzichten in het achterhoofd, valt op dat de Schrift op een andere manier spreekt over mensen met een beperking dan wij vandaag doen. Het Oude Testament besteedt meer aandacht aan de maatschappelijke gevolgen van een beperking dan aan de beperking zelf. Bij de profeten zien we een begin van belofte van herstel – niet alleen van de beperking, maar ook van de gevolgen ervan. Dat krijgt vervolg in de genezingen door de Heer op aarde en zijn daden van inclusie. De kerk van Christus is onvolledig zonder de volledige participatie van haar zwakkere leden. Een fundamenteel theologisch inzicht is dat wíj naar Gods beeld geschapen zijn – en dat dit losstaat van ons fysieke voorkomen of verstandelijke vermogen. Alle mensen zijn nodig om God te begrijpen. Dit inzicht dwingt de kerk om inclusie of participatie van mensen met een beperking serieus te nemen.
Jezus’ boodschap van verbinding
In het Oude Testament en soms ook in het Nieuwe Testament wordt een beperking gezien als een vloek en als gevolg van ongeloof. We zien dat in Leviticus 21,16-23, Genesis 19,11, Deuteronomium 28,28, Matteüs 12,22 en Lukas 1,22. Maar in Johannes 9 doorbreekt Jezus dit denken radicaal. De vraag van de discipelen veronderstelt het oude denkpatroon (“wie heeft gezondigd?”), maar Jezus’ antwoord doorbreekt het.
Al deze geschiedenissen laten zien welk respect Jezus had voor mensen als individu. Als Jezus onderweg mensen met een beperking ontmoet, stopt Hij om ze als mensen te zien en te ontmoeten. We kunnen verwachten dat kerken veranderen als we mensen met een beperking vragen naar wat ze willen en als we onszelf openstellen om hun visie te horen.
Een bijzonder inzicht komt van de tekenen van Jezus’ kruisiging op Zijn opgestane lichaam: een beperking hebben is onderdeel van iemands identiteit, en een beperking vormt je als mens. Jezus’ boodschap van inclusie is het duidelijkst te vinden in Lukas 14,1-24, de gelijkenis van het grote feestmaal, waar juist de uitgeslotenen worden binnengehaald.
Van betrokkenheid naar vriendschap
Mensen met een beperking kunnen worden opgenomen en hebben volledige en gelijkwaardige toegang tot onze kerken. Ze horen er echter niet bij zolang we geen vriendschappen sluiten en contact leggen. Erik W. Carter beschrijft kenmerken van echte betrokkenheid: aanwezig zijn, uitgenodigd worden, verwelkomd worden, geaccepteerd worden, ondersteund worden, verzorgd worden, bevriend raken, nodig zijn, geliefd zijn.
Daarbij is tijd essentieel. Het doel van tijd is om liefde vorm te geven en in stand te houden. John Swinton adviseert ons om minder gehaast te zijn, zodat we als een discipel kunnen liefhebben. In dit langzame proces van afstemming op het hart van iemand met een beperking, beginnen we te begrijpen hoe mooi de diversiteit onder mensen is en leren wij een openbaring van God te zien.
Hoe vormen we elkaar?
Een cruciale vraag in dit alles is: als mensen met een beperking volop mee mogen doen, zijn zij dan ook net zo verantwoordelijk en open voor kritiek via feedback? Het antwoord moet volmondig ‘ja’ zijn – anders is er geen sprake van werkelijke gelijkwaardigheid.
Wederzijds discipelschap
De kern van inclusieve ecclesiologie is dat vorming nooit eenzijdig is. In een werkelijk inclusieve kerk worden niet zij gevormd door ons, maar wij allen door elkaar. Mensen met beperkingen dragen eigen gaven, perspectieven en manieren van geloven bij die het lichaam van Christus aanvullen en corrigeren. De vorming gebeurt relationeel: door gedeelde liturgie, gezamenlijke verantwoordelijkheid en open feedback over wat ieder kan en wil bijdragen.
Toch is er ook een persoonlijke component: ieder mens, ongeacht beperking, wordt geroepen tot groei in geloof, liefde en dienstbaarheid. Dat vraagt dat de kerk ruimte maakt voor agency – mensen niet behandelen als object van zorg, maar als subject van roeping. Het vraagt om aangepaste leerwegen en rituelen: catechese, geloofsgesprekken, participatievormen die rekening houden met cognitieve, sensorische of psychische verschillen. En het vraagt om een cultuur van interdependentie: mensen met een beperking niet als last of kwetsbare uitzondering zien, maar als onmisbare bron van theologische verbeelding.
Misschien ligt de theologisch meest vruchtbare taal in een paradox: ieder mens is beperkt, en juist daarom geroepen tot gemeenschap. Dan is “beperking” niet langer een categorie maar een conditie van mens-zijn, waarin Gods genade werkzaam wordt. We zijn allemaal afhankelijk van elkaar, allemaal onvolledig zonder de ander, allemaal op weg naar een volledigheid die alleen in Christus te vinden is.
Conclusie: een kerk van wederkerigheid
Concluderend kunnen we zeggen dat een inclusieve kerk een plaats is waarin iedereen gelijke toegang heeft, waarin iedereen volledig deelneemt en bijdraagt in alle mogelijke rollen, waar iedereen fysieke en geestelijke behoeften heeft, maar waar we, net als Jezus, anderen vragen wat zij willen dat wij voor hen doen. Het is een kerk waar we ons onvolledig voelen tenzij mensen met een beperking tot onze gemeenschap behoren, waar we contact leggen met mensen als discipelen en vrienden en waar we God en elkaar met ons hele hart liefhebben – van nu af en totdat we Jezus persoonlijk ontmoeten.
Zo ontstaat geen ‘inclusieve kerk’ als liefdadigheidsproject, maar een gemeenschap die zichzelf als onvolledig ziet zonder de wederkerigheid van al haar leden. Vorming van mensen met een beperking is niet iets wat aan hen gedaan wordt, maar iets wat met hen en door hen gebeurt, in een kerk die beseft dat beperking de grondvorm is van genade.
Naar aanleiding van : Henk Jochemsen, Een inclusieve kerk. In: H. Jochemsen (red.), ‘Als de tak wil bloeien…’: Ontwikkelingssamenwerking in christelijk perspectief (pp. 315-341). Amsterdam: Buijten & Schipperheijn Motief, 2018.

Feiten en cijfers over beperkingen
Wereldwijde cijfers
De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) schat dat meer dan een miljard mensen een bepaalde beperking heeft. Zij vormen ongeveer vijftien procent van de wereldbevolking. Van alle mensen met een beperking leeft tachtig procent in ontwikkelingslanden.
Internationaal kader
Het verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van mensen met een beperking (CRPD) is een internationaal mensenrechtenverdrag dat de rechten en waardigheid van mensen met een beperking moet beschermen.
Situatie in Nederland
In Nederland hebben ongeveer 2 miljoen mensen een beperking. Ze zijn bijvoorbeeld slechtziend, doof, hebben een lichamelijke of verstandelijke beperking of gedragsproblemen. Hun behoefte aan zorg en ondersteuning is verschillend. Net als wat hun naasten nodig hebben.
De zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking moet ook in de toekomst mogelijk en betaalbaar zijn. En moet blijven passen bij wat mensen met een beperking nodig hebben. Het kabinet heeft tot 2027 € 138 miljoen vrijgemaakt voor de zorg en ondersteuning van mensen met een beperking.
In Nederland leven naar schatting 15.000 mensen met een ernstig meervoudige beperking (EMB).




