In 1968 publiceerde de Nederlandse filosoof Ton Lemaire zijn kleine maar opmerkelijke boek De tederheid. Gedachten over de liefde. Lemaire schrijft over huid en aanraking, over liefde en erotiek, over melancholie en kwetsbaarheid. Maar uiteindelijk stelt hij een veel grotere vraag: wat houdt mensen overeind nu het geloof in een transcendente God voor velen zijn vanzelfsprekendheid heeft verloren? Zijn antwoord is verrassend. Waar religie vroeger troost, verzoening en verbondenheid bood, zijn moderne mensen steeds meer op elkaar aangewezen geraakt. In de liefde, en vooral in de tederheid, vindt Lemaire een menselijke kracht die een deel van de functie van religie lijkt over te nemen.
De mens als kwetsbaar wezen
Lemaire begint niet bij ideeën, maar bij het lichaam. De huid is voor hem de plaats waar mensen elkaar ontmoeten. Door aanraking ontdekken wij niet alleen de ander, maar ook onszelf. “Het tasten is de wijze waarop ‘huid’ ontsloten wordt. Al tastende ontdek ik tegelijkertijd de eigenaardigheid van mijn eigen huid en van die van anderen.” (25) In de kus en de liefkozing wordt zichtbaar hoe diep het menselijke verlangen naar verbondenheid reikt.
Dat verlangen hangt samen met een fundamentele kwetsbaarheid. Mensen zijn eindige wezens. Zij lijden, verliezen geliefden, worden oud en sterven. Bovendien ervaren zij voortdurend de afstand tussen zichzelf en anderen. Geen mens is ooit volledig toegankelijk voor een ander.
Juist daarom wordt tederheid zo belangrijk. Tederheid is voor Lemaire meer dan een gevoel. Zij is een houding van behoedzaamheid tegenover de kwetsbaarheid van de ander. Hij noemt haar zelfs een vorm van troost. Achter elke liefkozing schuilt het besef dat de ander breekbaar is en bescherming nodig heeft. Zijn denken wordt daarbij gekleurd door melancholie: het tere besef dat alles wat bestaat onvolmaakt en vergankelijk is.
Erotiek als opvolger van religie
Het meest intrigerende deel van Lemaire’s essay is zijn beschrijving van de rol van erotiek in de moderne tijd. In de godsdienstwetenschappen wordt vaak onderscheid gemaakt tussen de inhoud van religie en haar functie. Religie gaat dan niet alleen over God of het heilige, maar vervult ook bepaalde menselijke behoeften. Zij biedt troost, geeft betekenis, schept gemeenschap en helpt mensen omgaan met hun eindigheid.
Lemaire lijkt precies vanuit zo’n functioneel perspectief te denken. Wanneer het traditionele geloof zijn overtuigingskracht verliest, verdwijnen de menselijke behoeften niet waarop religie antwoord gaf. De behoefte aan verbondenheid, verzoening en geborgenheid blijft bestaan. Waar mensen vroeger eenheid met God zochten, zoeken zij nu eenheid met elkaar. Waar religie verlossing beloofde, verwachten moderne mensen die vaak van de liefde. Waar vroeger de mystieke vereniging met God centraal stond, komt nu de intieme ontmoeting tussen geliefden centraal te staan. Dat bedoelt Lemaire wanneer hij schrijft dat de westerse erotiek “tot zichzelf gekomen religie” is. (89-90)
Dat betekent niet dat seks een nieuwe god wordt. Wel dat de liefde functies vervult die vroeger sterk met religie verbonden waren: troost bieden, eenzaamheid overwinnen, verbondenheid scheppen en mensen boven zichzelf uittillen.
Naast de erotiek noemt Lemaire ook de techniek. De moderne techniek vervult volgens hem de rol die magie vroeger had. Zij geeft mensen macht over de natuur. Techniek en erotiek vormen zo de twee grote antwoorden van de moderne mens op zijn kwetsbaarheid: de techniek helpt ons de wereld te beheersen, de liefde helpt ons met elkaar verzoend te worden.
Dicht bij de Bijbel
Wie dit leest, ontdekt verrassende raakvlakken met de Bijbel.
De eerste hoofdstukken van Genesis beginnen immers eveneens bij menselijke kwetsbaarheid. Nadat de mens geschapen is, klinkt voor het eerst in de Bijbel dat iets “niet goed” is: “Het is niet goed dat de mens alleen is” (Genesis 2,18) Ook hier verschijnt de mens als een relationeel wezen. Niet kennis, macht of techniek lossen zijn diepste probleem op, maar de ontmoeting met een ander mens.
Het Hooglied komt Lemaire misschien nog dichter nabij. Daar worden lichamen bezongen, geliefden bewonderd en verlangens uitgesproken. Erotiek verschijnt niet als iets verdachts, maar als een goede gave. Net als bij Lemaire wordt de ander niet gereduceerd tot object, maar liefdevol aanschouwd als persoon. Ook in het Nieuwe Testament zijn opmerkelijke parallellen te vinden. Wanneer Paulus schrijft dat de liefde zichzelf niet zoekt (1 Korinte 13), raakt hij aan wat Lemaire bedoelt met tederheid: de bereidheid de ander te ontzien en ruimte te geven. En wanneer Jezus Christus kinderen omarmt, zieken aanraakt en zich ontfermt over kwetsbaren, zien we een vorm van tederheid die nauw aansluit bij Lemaire’s ideaal van zachtmoedigheid en mededogen.
Waar de Bijbel verder gaat
Toch blijft er een belangrijk verschil bestaan.
Bij Lemaire ontstaat tederheid uiteindelijk vanuit menselijke kwetsbaarheid. Mensen hebben elkaar nodig omdat zij eindig, eenzaam en breekbaar zijn. De liefde wordt daardoor bijna een seculiere vorm van genade. De Bijbel draait de richting echter om.
Daar is tederheid niet allereerst een menselijke ontdekking, maar een eigenschap van God zelf. Mensen kunnen liefhebben omdat zij eerst geliefd zijn. Zij kunnen ontferming tonen omdat God zich ontfermt. De oorsprong van de liefde ligt niet in de menselijke behoefte, maar in Gods karakter.
Bij Lemaire blijft liefde uiteindelijk een menselijke mogelijkheid. Zij moet het doen met de beperkte middelen van sterfelijke mensen. De geliefde kan troosten, maar blijft zelf kwetsbaar. De geliefde kan dragen, maar slechts tot op zekere hoogte. Hij roept op in zijn slotzin: “Laten we zacht zijn voor elkaar, want het leven is een onduldbare pijn.” (103)
De Bijbel erkent diezelfde kwetsbaarheid, maar voegt er een nieuwe dimensie aan toe: hoop. Liefde is niet alleen troost voor een vergankelijke wereld, maar ook een belofte dat vergankelijkheid niet het laatste woord heeft. Bovendien verbreedt de Bijbel het bereik van de liefde. Bij Lemaire blijft de erotiek het uitgangspunt. Weliswaar mondt zijn denken uit in universeel mededogen, maar de weg daarheen loopt via de liefde tussen geliefden. De Bijbel maakt een grotere beweging. Zij begint eveneens bij man en vrouw, maar eindigt bij de liefde voor de vreemdeling, de arme, de zieke en zelfs de vijand. Tederheid wordt niet alleen een kwaliteit van intieme relaties, maar een levenshouding tegenover alle schepselen.
Tederheid als venster
Misschien ligt daar de blijvende waarde van Lemaire’s boek. Hij laat zien dat de moderne mens religieuze vragen niet achter zich heeft gelaten. Ook wie niet meer over God spreekt, blijft verlangen naar troost, verbondenheid, verzoening en betekenis. De liefde wordt dan gemakkelijk de plaats waar al die verlangens samenkomen.
De Bijbel herkent dat verlangen, maar plaatst het in een ruimer kader. Zij ziet tederheid niet als vervanging van transcendentie, maar als een venster erop. Niet als alternatief voor genade, maar als een weerspiegeling ervan. Daardoor hoeft een lezer van Lemaire niet te kiezen tussen zijn humanistische inzicht en het Bijbelse getuigenis. Integendeel. Juist zijn scherpe analyse van menselijke kwetsbaarheid maakt zichtbaar waarom de Bijbel zoveel aandacht geeft aan liefde, ontferming en zachtmoedigheid. Alleen voegt de Bijbel daaraan toe dat de bron van die tederheid uiteindelijk niet in de mens ligt, maar in God.
Naar aanleiding van: Ton Lemaire, De tederheid: Gedachten over de liefde.5 Baarn: Amboboeken 1968.

“Nu wij het geloof verloren hebben in een god, die ons verlost heeft of eens zal verlossen, weten we ons aangewezen op onszelf, op het eigen vermogen tot verlossing, dat het leven ons in zijn anonieme wijsheid heeft toebedeeld: elkaar te kunnen liefhebben – dat is: elkaar te kunnen ontzien in de fundamentele kwetsbaarheid: te bestaan – en daardoor de wereld kunnen liefhebben.” (82, zie ook 84)




