Economie van vreugde

Op weg naar een menswaardige economie (12). Dat wil Govert Buijs, hij zet hoog in: een economie van vreugde. Toe maar, denk ik dan met rechtgeaard wantrouwen. In de neoliberale werkelijkheid dromen van een omslag van die omvang? “Kan een Nubiër zijn huid veranderen, of een panter zijn vlekken?” vraagt de profeet Jeremia aan Gods volk, “Zouden jullie, vergroeid met het kwaad, dan iets goed kunnen doen?” (Jeremia 13,23) Wie vergroeid is met het kapitalistisch systeem moet verlost worden – van buiten af. En toch ben ik na het boek Waarom werken we zo hard? voorzichtig optimistisch. Dat mag een prestatie heten en een welgemeend ‘dank je’ aan het adres van prof. dr. Govert Buijs. Hij bezet de Goldschmeding-leerstoel Economie in relatie tot Civil Society aan de Vrije Universiteit en heeft met dit boek een uitwerking gegeven aan zijn oratie in 2015. Met respect moet ik zeggen dat hij erin geslaagd is voor niet economisch ingewijden de stof helder te serveren en voor filosofisch geïnteresseerden een fraaie denkweg te wijzen. Wat me vooral aansprak dat hij erin slaagt een antropologisch vloertje te leggen onder de economie. Zij gaat over meer dan zorgen dat een mens wat te eten krijgt of het nastreven van eigenbelang en winst. In het eerste deel van het boek weet hij ons lezers mee te nemen naar deze definitie:

“Economie bestaat uit de intermenselijke netwerken van op creativiteit gebaseerde coöperatieve uitwisselingsrelaties, waardoor we individueel en gezamenlijk het leven meer kwaliteit (‘waarde’)  kunnen geven dan we afzonderlijk zouden kunnen en dus gedeelde vreugde kunnen creëren in wederzijdse erkenning in een gedeelde wereld.” (44)

De eerste stap is het erkennen van het menselijk tekort. Vandaar dat wij samenwerken en uitwisselen. Buijs geeft het aardige voorbeeld van een potlood. Er is geen mens die zonder hulp van anderen uit grondstoffen een enkel potlood kan maken. (31) De mens is hulpbehoevend en leeft daarom ex-centrisch (43, Helmut Plessner). Maar de mens is ook op zoek naar erkenning. Het gaat daarbij om waarde willen toevoegen of het ontvangen van de tekenen van waardering. Wie iets maakt, doet dat te midden van anderen, in de hoop dat zij er iets positiefs over zeggen. (43) Waar dat gebeurt, ontstaat er vreugde, gedeelde vreugde.

In het tweede deel van het boek onderneemt Govert Buijs de exercitie om in vogelvlucht de economische wereldgeschiedenis te beschrijven. Hij zegt vooraf dat het een ‘beetje triest’ verhaal gaat worden. De economie van de grote imperia stond ver van de gevonden definitie af en het huidige neoliberalisme ook. En toch is hij niet zonder hoop in de beschrijving van de tijd. Hij komt ook de tegenbeweging op het spoor die tot op vandaag kan worden voortgezet.

Na de jager/verzamelaarsculturen en die van de sedentaire landbouw volgt de periode van de grote koninkrijken. “Imperia zijn ambivalente fenomenen,” schrijft Buijs (64). Zij brengen orde en vrede, maar kunnen ook wrede veroveringsmachines zijn met hoge belastingen en slavernij. Een imperiale definitie van economie is “een systeem van op onderdrukking gebaseerde organisatiestructuren waarin surplus dat mensen creëren voortdurend wordt afgeroomd naar een kleine toplaag, zodat die een kwaliteit van leven kan bereiken die absoluut onbereikbaar blijft voor het overgrote deel van de bevolking.” (67) Geen wetenschappelijke omschrijving maar wel erg reëel. De legitimiteit ervan werd vaak door religie en levensbeschouwing ondersteund. Extraction is het kernwoord (68), uitbuiting. De vreugde is alleen voor de kleine bovenlaag. Het gekke is dat mensen blijkbaar machteloos kunnen worden in verhouding tot hun eigen objectiveringen. Involutie wordt dat genoemd en het accepteren van imperia is daarvan een voorbeeld. (71) Maar gelukkig is dat niet het hele verhaal. Er ontstaan tegenbewegingen waarbij Buijs – verrassend genoeg – wijst op het Oude Testament als documentatie daarvan. (75) Het verhaal van Kain en Abel en van de toren van Babel geven blijk dan een afkeer van de inhumane macht. Daartegenover staat Gods voorkeur voor gelijkwaardig partnerschap als uitwerking van zijn schepping. In de Griekse taalwereld komt daar het woord agapè (liefde) voor, dat omschreven kan worden als “de concrete inzet van een actor voor de bloei van een andere actor, op weg naar gedeelde vreugde, waarbij bijzondere aandacht uitgaat naar actoren en situaties waarin die vreugde nog niet gerealiseerd was.” (79) Als verre uitloper daarvan wijst hij op de burgerlijke cultuur die in West-Europa ontstond. De middeleeuwse stad bood als sociologisch fenomeen de ontsnapping aan feodale structuren. Een verbond met vrijheid, solidariteit en gelijkheid begon tot de mogelijkheden te behoren. Dat kreeg vorm in maatschappelijke instituties als associaties, universiteiten en een rechtsstaat. De coöperatieve mens ging zijn vorm van markteconomie tonen. Adam Smith en John Keynes hebben theoretisch uitgedacht en uitgewerkt, met arbeidsdeling, uitwisseling en innovatie. (zie 125)

Helaas is de gerichtheid op eigenbelang de hoeksteen geworden van het marktmodel, eigenlijk contra Adam Smith. (103) Hij zag in de burgerlijke cultuur mogelijkheden om op grote schaal veel mensen zich te laten ontworstelen aan de armoede. Het succes van de markt: “In twee eeuwen tijd heeft zich een economische groei voltrokken die in hoogte en omvang/spreiding nog nooit eerder in de geschiedenis is vertoond.” (104, zie ook 123v) Buijs analyseert vervolgens hoe wij in de neoliberale ratrace terecht zijn gekomen. De radicalisering van het individu-in-het-centrum wint van meer collectieve en coöperatieve alternatieven. Het eigen belang staat voorop en het besef van verantwoordelijkheid voor een ander verdwijnt. (115vv) “We werken nu primair als vorm van geluksrealisatie en we werken zo hard om nooit onszelf het verwijt te hoeven maken dat we er zelf niet alles aan gedaan hebben om ons eigen ongeluk te slim af te zijn.” (117)

Onderweg naar een ‘economie van de vreugde’ ziet Buijs zes transformaties voor zich: 1) nieuwe balans tussen mens en natuur, omschakelen naar een circulaire economie is noodzaak; 2) de-materialisering van de economie, van productie naar zorg; 3) nieuwe verhoudingen van flexibiliteit en zekerheid op de arbeidsmarkt, Buijs is een voorstander van participatieloon; 4) ‘Rijnlandse verhoudingen tussen arbeid en kapitaal, dat wil zeggen overleg en coördinatie tussen arbeid, kapitaal en overheid; 5) bedrijven als coöperaties, ondernemerschap als teamwork en 6) een nieuwe meetkunde, die andere dimensies dan cijfers zichtbaar maakt.
Wat heel sterk is in Buijs’ visie op de toekomst, is dat hij onderkent hoe belangrijk de persoonlijke ethiek daarbij is. In het hoofdstuk ‘eerherstel voor de zielzorg’ zegt hij kernachtig: “Geen institutie kan compenseren voor wat mensen perverteren” en “Goede systemen vragen ook om goede mensen, om mensen die om kunnen gaan met hun eigen zwakheden.” (154) In dat kader voert hij het pleit voor de vier klassieke deugden (moed, matigheid, bezonnenheid en rechtvaardigheid) aangevuld met de drie theologale: geloof, hoop en liefde. Terecht wijst hij erop dat de vier klassieke uit een strijdcontext komen (158) terwijl de drie andere uit de sfeer van de ‘antiheld’ Jezus en de kwetsbaarheid. Het meeste van de drie christelijke deugden is de liefde. Zij creëert de vreugde waarover Buijs het in de economie wil hebben. “Vreugde is soms zelfs afzien van geluk, omdat iets belangrijkers, iets diepers, iets wat meer betekenis heeft, aan de orde is. Vreugde is dus aanzienlijk actiever van geluk. Vreugde schép je.” (164)


Naar aanleiding van: Govert Buijs, Waarom werken we zo hard? Naar een economie van vreugde. Amsterdam: Boom, 2019. Klik hier en hier voor besprekingen over dit boek.

Ambt, Schrift en belijdenis

Is de Bijbel niet te mooi om waar te zijn? Jongeren van rond de vijftien stellen mij vragen over de betrouwbaarheid van de Bijbel. Hoe weet je of waar is wat er in staat en waarom zou je het allemaal geloven? Nu ik zestig ben realiseer ik me dat deze vragen de mijne lange tijd zijn geweest. In tijden zonder geloofstwijfel had ik wél onopgeloste vragen rond de Bijbel. Pas toen ik doorkreeg wat het betekent dat de Bijbel instrument in de handen van Christus’ Geest is, kon ik het goede verhaal erbij vertellen. En ere wie ere toekomt, ik heb daarbij veel geleerd van prof. Van de Beek.
De enige God maakt zich bekend door de schepping en door de het Woord. Dat belijden wij met artikel 1 en 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Meer nog dan door de natuur laat de HEER zich kennen door middel van zijn heilig en goddelijk Woord ‘… namelijk voor zover dit voor ons in dit leven nodig is tot zijn eer en behoud van de zijnen.’ Mooie combinatie, Gods eer en ons behoud. Gods eer is de Zoon. Jezus van Nazaret die de Christus wordt genoemd en door de Vader is opgewekt uit de dood. (Romeinen 1,4) Van de Beek heeft mij al vanaf het boek Jezus Kurios (1998) geleerd: wij kennen geen andere God dan Jezus. En ook in zijn bespreking van het gezag van de heilige geschriften benadrukt hij het: “Zowel het geloof als de Schrift heeft alleen gezag en is alleen betrouwbaar als ze over Christus gaat.” (335)

In de tijd van de Reformatie is opgeschreven dat de Bijbel van zichzelf geloofwaardig is (autopistos). Met name Johannes Calvijn heeft dat benadrukt. Waar de kerk en de traditie in de eeuwen de enig ware uitleg van de Schrift gingen bepalen, stelde de reformatoren dat de Schrift ons regeert. Zoals recent nog door Arnold Huijgen is betoogd: de Bijbel leest ons. Van de Beek kijkt kritisch naar twee kanten: “Rome is geneigd de kerk boven de Schrift te zetten, de reformatie is geneigd de Schrift boven de kerk te zetten. Beide doen er geen recht aan dat Schrift en kerk allebei vrucht van het werk van de Geest zijn, waarin Hij woont en werkt. Beide zijn plaatsen waar de Geest in alle waarheid leidt. Dat wordt uitgedrukt in de tweeheid van ambt en canon. Ze kunnen niet zonder elkaar. Ze kunnen niet tegen elkaar worden uitgespeeld en ze kunnen niet in een hiërarchisch verband worden gebracht. Want ze zijn het werk van de ene Geest.” (329) Het is voor Van de Beek overigens een drietal dat samenwerkt om de kerk bij Christus te bewaren: ambt, Schrift en belijdenis. (195) Het is niet voor niets dat er drie zijn. Elk afzonderlijk leidt makkelijk tot willekeur en dat is het tegendeel van betrouwbaarheid. Dus ook: geen Schrift zonder belijdenis en ambt.

Van de Beek begint met het ambt. Want dat was historisch gezien het begin van het bewaken van de kerk. Er was al een ambt voordat de canon kwam en voordat het Credo zijn uitgewerkte vorm kreeg.  Ambtsdragers kunnen niet naar eigen inzicht de geloofsleer ontwikkelen. “Zij moeten altijd terugkoppelen naar de geschreven boodschap van de apostelen.” (276) Het gaat om de juiste verkondiging van de Heer. Zij hebben Hem gezien en gehoord, dát maakt hun geschriften bijzonder. (Lukas 1,2 en 4). De eis van ooggetuige-zijn is niet helemaal strikt. “Het kunnen ook geschriften zijn die hun leerlingen hebben geschreven, maar dan wel in de tijd dat de apostelen nog in leven waren, zodat deze konden getuigen dat deze geschriften correct waren en ze anders konden weerleggen.” (277; Paulus waarschuwt al voor brieven die in zijn naam geschreven zouden zijn, 2 Tessalonicenzen 2,2; vandaar soms een eigen slotwoord: 2 Tessalonicenzen 3,17; Galaten 6,11; Kolossenzen 4,18.) Door de apostelen is een gezagsvolle overlevering geboden. Daarvoor moet gestreden worden, om die vast te houden. “… het Symbool van de kerk, de regel van het geloof als expressie van haar belijden. Het zijn fundamentele richtlijnen voor de manier hoe men de Bijbel moet lezen, in welk perspectief men de teksten moet verstaan.” (339)

Van de Beek vergelijkt de Bijbel met de kerk. Theologisch komen zowel de Schrift als de kerk ter sprake in de pneumatologie. Niet in de christologie. Voor Christus geldt: Hij is God én mens. Voor de kerk geldt: heilig en niet-heilig. Even radicaal, beide. De kerk is een falend instituut en tegelijk de plek waar Gods Geest wil wonen. Zo ook bij de Bijbel. De Bijbel is Gods Woord. Tegelijk is de Bijbel een menselijk boek. Met onjuiste historische informatie, achterhaalde wiskunde en een wereldbeeld van vergane tijden. Je kunt over de Bijbel net zoveel lelijke dingen zeggen als over de kerk. “Ze zijn niet goddelijk en toch is er geen andere weg tot het kennen van God.” (329) Van de Beek wijst op de liefde. De liefde in de meest essentiële relaties is er gewoon. “Bij de diepste dingen van ons leven, de bron van ons bestaan en het ultieme perspectief van ons leven verliezen argumenten hun betekenis. Dat geldt voor kindschap, voor liefde tot ouders, kinderen en partners. … liefde is er gewoon – en elk argument is secundair: letterlijk ‘volgend’. (330)

Hij vat daarmee de bespreking samen van vier posities die rond het Schriftgezag ingenomen worden.

  • (1) Wie de Bijbel als letterlijk door God gegeven beschouwd moet zich verdedigen tegen de evidente fouten, zoals bijvoorbeeld de foute naam in 2 Samuel 21,8 of de gemankeerde wiskunde van 1 Koningen 7,23. Wat zit eronder? De hang naar een vaste basis voor het geloof: “Daarom is het uiteindelijk begonnen: een vaste basis voor het geloof dat niet kan worden aangevochten door historisch, geologisch, literair of enig ander onderzoek. De kracht van de fundamentalistische benadering zit in die vaste grond.” (314)
  • (2) Daartegenover staat de positie die historie totaal irrelevant acht voor het geloof (zo bijvoorbeeld Rudolf Bultmann). Maar ook dat is problematisch.  “Het christelijk geloof is aan een historisch moment gekoppeld en aan een historische persoon. Die lastige frasen uit het Credo dat God mens is geworden en is gekruisigd, gestorven en begraven, kan men niet negeren. Fundamentalisten maken zich te gemakkelijk af van de historische kritiek, maar Bultmann maakt zich te gemakkelijk af van de geschiedenis.” (318) Leuk is overigens, dat Van de Beek het proefschrift van Koert van Bekkum een goed voorbeeld noemt van een discussie tussen tekst en archeologie. “Alleen grondig onderzoek, met stem en tegenstem zoals dat in onderzoek nu eenmaal gaat, kan verder helpen in het verstaan van de Schrift.” (319, noot 552)
  • (3) Een derde benadering wijst op de vervulling van profetieën. Is dat geen bewijs van de goddelijkheid? Hoe Bijbels ook, het is kwetsbaar: er zijn ook profetieën die niet uitkomen. En: “Zelfs al zou alles feitelijk kloppen, dan nog blijft het kloppen van feiten en dat kan ook een andere oorzaak hebben.” (324)
  • (4) Tenslotte bespreekt Van de Beek de inspiratieleer die Herman Bavinck ontwikkelde: hij noemt het organisch en creëert ruimte voor de eigen inbreng van de verschillende schrijvers. Hij komt in het incarnatiemodel terecht: de Bijbel is én goddelijk én voluit menselijk. Christologie dus. Daar wringt het, volgens Van de Beek. In de pneumatologie komt er ruimte voor het én en het én-niet. Net als de bij kerk. De Geest incarneert niet, maar komt inwonen (inhabitatie, 328) en dát geeft dat dubbele karakter.

Dat heeft tot gevolg dat wij het gezag van de Schrift niet in onze hand hebben. (331) Zij heeft haar eigen zeggingskracht, zij is autopistos. Niets ligt op voorhand vast. Het is lezen en herlezen, samen studeren vernemen we Gods stem, niet bij voorbaat maar als geschenk. “In heel dat ingewikkelde proces komt de stem van God tot ons, troostend vermanend, aansporend, oordelend, enthousiasmerend.” (332) Het gaat uiteindelijk om Christus. God heeft zich in Hem ontledigt. Hij doet dat opnieuw, nu in de heilige Geest (334). Christus’ Geest werkt het geloof, de liefde, de overgave, de toewijding aan deze ontzagwekkende God. “In de wijsheidsliteratuur van het Oude Testament wordt op verschillende plaatsen al aangegeven dat de diepste doordenking van de wijsheid haar grenzen kent. Diepere waarheid vind men alleen in de vreze des Heren en het doen van zijn geboden.” (Job 28,28; Spreuken 1,7)


Naar aanleiding van: A. van de Beek, Lichaam en Geest van Christus: De theologie van de kerk en de Heilige Geest. Zoetermeer: Meinema, 2012.

“Daarom wordt het hoogste bewijs van de waarheid der Schrift overal ontleend aan de Persoon Gods, die in haar spreekt. De profeten of apostelen beroepen zich niet op hun scherpzinnigheid of op al wat hun spreken geloofwaardigheid verschaft, en zij leggen zich niet toe op redeneringen; maar zij voeren de heilige naam Gods aan, opdat door die de gehele wereld tot gehoorzaamheid gedwongen worde.” (Calvijn, Institutie, I, VII, 4, vertaling A. Sizoo; zie ook I, VIII, 1 over de ‘verachtelijke nederigheid der woorden’ en ‘die ongepolijste en schier ruwe eenvoud’ van de Schrift)

Van de Beek over de christelijke canon: “Het is goed om de volgorde van de Tenach aan te houden. Net als de kerkvaders doen we het maar met de vertalingen die we hebben en die de volgorde van de Septuagint hebben.” (295)

Dora en haar buren

Wij werden drie jaar geleden nieuwe buren. De verhuizing uit Den Hoorn betekende afscheid van de mensen tussen wie wij dertien jaar woonden. We werden nu de buren in een doodlopend straatje in Stadshagen, Zwolle. Wennen aan elkaar. Het is een boeiende gedachte om terug te gaan in de tijd en dan te bedenken dat je bestemd was om elkaars buren te worden. Dat klinkt deterministisch, het is natuurlijk relatiever – we hadden in Zwolle een ander huis kunnen kopen – maar met terugwerkende blik is het niet eens een gekke gedachte. We moesten elkaars buren worden. Juli Zeh (pseudoniem van Julia Barbara Finck, * 1974) laat het Dora denken. Dora is de hoofdpersoon uit haar recente roman Onder buren: “Alles is er al,” denkt zij, kijkend naar het kind Franzi, “staat in de wereld gegrift, bevindt zich in voorbereiding, wacht op het juiste moment om te gebeuren. Helemaal vanzelf. Geen wiel om aan te draaien, geen hendel om over te halen.” (286) Dit ontspant Dora, dit te denken. Het punt is namelijk dat de roman ons wil duidelijk maken dat er op deze manier mensen op je pad komen die je verafschuwt. Want Franzi is de dochter van Gottfried Proksch. Hij stelt zich voor als ‘de dorpsnazi’ van Bracken (39), de plaats waarheen Dora in het voorjaar van 2020 verhuist.
Een rechts-extremist als buurman, hoe is dat?

Juli Zeh weet dit menselijk ongemak ons dit meesterlijk voor te schotelen. Haar boodschap is: de ander is een mens, als jij. Je bent niet beter en we delen ons lot. We wonen op dezelfde planeet aarde. Het verhaal speelt zich af in Bracken, ‘een typisch Oost-Duits lintdorp’ (11), op een uur en een kwartier met de trein vanaf Berlijn. Dora heeft afscheid genomen van haar vriend. Het ging niet meer. Robert draaide door in complotten en verzet tegen de maatregelen. Alles boven elke twijfel verheven. Het leven met hem was niet meer houdbaar. Met hond Jochie betrok zij de woning die zij kort daarvoor had gekocht. Desolate toestand, en dus nogal bewerkelijk. Maar daar is tijd voor, nu de pandemie het thuiswerken opdringt. Maar de ontmoeting met de buurman die zich voorstelt als Gote is het begin van een verhaal over relaties. De kleine gemeenschap van he dorp is zo anders dan het mensenpark in de grote stad. Het verrast haar hoe haar idee over de mensen die zijn leert kennen bijgesteld moet worden aan de realiteit. De man die met zijn vrienden het Horst Wessellied zingt blijkt een hulpvaardige buurman. De geflipte overbuurman Heini (‘R2-D2’) is ook al bereid om bijstand te bieden bij het in orde maken van de tuin of het sauzen van de muren. Voeg er Tom en Steffen aan toe en Sadie en het je gaat als lezer mee in de verwarring van Dora.

Zeh weet vernuftig de dood van Georg Floyd, voorjaar 2020, in het verhaal te vlechten. Floyd, een Afro-Amerikaanse man, overleed op 25 mei 2020. Hij stierf op zesenveertigjarige leeftijd. Een politieagent had met zijn knie meer dan acht minuten op Floyds nek had geleund, terwijl deze geboeid met zijn buik op straat lag. Twee andere agenten leunden gelijktijdig met hun knieën op zijn rug en een vierde agent hield het publiek op afstand. Nadat Floyd na ongeveer zes minuten buiten bewustzijn was geraakt, hield de agent zijn knie nog bijna drie minuten op Floyds nek. Floyd werd hierna in een ambulance naar het ziekenhuis vervoerd; een poging tot reanimatie in de ambulance mocht niet meer baten. Hij werd bij aankomst in het ziekenhuis doodverklaard.
Dat gebeurt in Amerika en de wereld is boos. Maar hoe kijk je naar je buurman, gewoon in het Duitse Bracken? Nadat Dora begrepen heeft aan welk racistisch misdrijf Gote heeft meegedaan, wordt ze boos op hem. Als Gote dan zegt dat zichzelf dus beter vindt, wil ze dat inderdaad bevestigen. Maar dat brengt haar ook direct tot bezinning. “De woorden klinken goed, en het voelde heerlijk om ze uit te schreeuwen: ‘En of ik beter ben!’. Maar bij nader inzien is deze zin de moeder van alle problemen. Aan de dorpsrand in Bracken, maar ook wereldwijd. Een langwerkend gif, dat iedereen heeft geslikt en dat de mensheid van binnenuit verteert.” (314)
Hier voel je drijfveer van de auteur. Zeh wil dat wij ons spiegelen en wat mij betreft heeft zij haar doel bereikt. Ik kan niet anders dan denken aan het verhaal dat Jezus vertelde over de barmhartige Samaritaan. De vooroordelen tussen Joden en Samaritanen zijn bekend. De afstand die mensen innemen tot lijden en slechtheid evenzeer. Maar Jezus maakt het verhaal spannend door het tot een vraag aan ons te maken: voor wie ben jij een naaste? Die ademen kan en bekeken wordt naar eerlijkheid. Niemand is helemaal slecht. Als we elkaar dehumaniseren, de bekende boog eromheen. Maar de praktijk leert dat zo geweld en vernedering tot bloei komen. Noem iemand een monster (zedendelinquent, de nazi of de oplichter) en je hebt jezelf gerechtvaardigd. Komt de samenleving niet in actie, dan jijzelf.
Maar wat als die buurman ook nog eens een begenadigd houtsnijder blijkt te zijn en aan een dodelijke ziekte te lijden heeft? Zo maakt Zeh Gote tot een mens, en laat zij Dora ontdekken wat burenzorg is. Als haar vader Jojo (Joachim Korfmacher) in het verhaal betrokken wordt en eens tegen zijn dochter zegt dat Gote toch alleen maar de buurman was, ontsteekt Dora bijna in woede. Hij was tot alleen maar je buurman? “‘Hij was mijn…’ Dora’s woede zakt meteen weer. Er bestaat helemaal geen woord voor wat Gote voor haar was. En ook geen reden om het aan Jojo uit te leggen.” (337)

De roman laat de ontwikkeling zien. In het begin vindt Dora nabuurschap niet meer dan een gedwongen huwelijk. (35) Maar op het eind is het gegeven van er-zijn en gewoon naast elkaar wonen ook iets goeds in zich bergt. “Op een gegeven moment had Dora begrepen dat er iets moois aan de hand was met dat bestaan en nergens-heen-gaan. Je kunt het delen. Gotes bestaan was aan haar meegedeeld. Hij had het met haar gedeeld. Uiteindelijk hadden ze samen bestaan. Verbonden door de muur die hen scheidde.” (345) Ik kan daar Jezus bij halen, zijn beeldverhaal en de liefde van God voor alle mensen. Dat heeft Zeh tot niet nodig. In een gesprek met Franzi gaat het over doodgaan: “Ze weet niet precies waar ze in gelooft. Niet in God. Maar in een samenhang. ‘Ik geloof dat er in de natuur niets verloren gaat. We blijven allemaal hier. We veranderen alleen van vorm.” (305) In het laatste hoofdstuk maken we de begrafenis van Gote mee. Het is slecht weer. Tussen de takken van een spar bij het graf zit een eekhoorn het gebeuren te bekijken. ‘Dat is je pappa,’ zegt Dora tegen het meisje. (350) Zij belooft haar dat haar vader haar zal opzoeken en op haar passen, uit liefde. Dat klinkt als een troost.

Dan staat het huis naast dat van Dora leeg. Maar dat is niet het einde van het buren-zijn. “In de toekomst moet hier iemand de boel in de gaten houden. Door de ramen kijken, elke vrijdag. Misschien ook luchten, de verwarming aanzetten, waterkranen open en dichtdraaien en andere praktische zaken die je op internet kunt nalezen. Dora heeft de sleutel. Op de muur zit de rode kat naar haar te kijken.” (352)


Naar aanleiding van: Juli Zeh, Onder buren. Amsterdam: ambo Anthos, 2021. Oorspronkelijk verschenen onder de titel Über Menschen bij Luchterhand Literaturverlag, 2021. Vertaald uit het Duits door Annemarie Vlaming.
Meer nog dan de eekhoorn is de gaai een belangrijke vogel in het boek. Dat begint al op 56 en loopt in elk geval door tot en met 314. “Omdat Dora van haar moeder hield, beantwoordde ze de vraag wat haar lievelingsdier was met ‘gaai’.” (56)

Wondverzorging

Lockdown, avondklok, anderhalve meter, geen handen geven, de coronapas, de vaccinaties en de boosters, hoelang is het geleden? Nauwelijks driekwart jaar. Het lijkt een vervlogen, boze droom. Festivals, terrassen, uit eten, het kan weer, net als handen geven, zingen en hoesten in de buurt van anderen, geen pas meer, geen testen. We vliegen als vanouds naar Mallorca en verlangen naar meer koopkracht want consumeren is ons ding. Onze zorgen besteden we aan de volgende crisis die ons uitgavenpatroon raakt: de energie, de inflatie en we kijken ook nog hoofdschuddend naar de schandvlekken op ons beschaafde imago: de opvang van asielzoekers, de onmacht de overheidsschade aan burgers te repareren, en meer van dergelijke groteske zaken.

Hoe hebben wij de coronatijd doorstaan? Deze vraag gaat verder dan de herinnering. Het is evalueren: op waarde schatten van twee jaar reageren op een besmettelijk virus. Evalueren heeft meestal als doel om in de toekomst de herhaling van eerdere missers te voorkomen. Het kan echter ook een vorm van heling zijn. Trots en schaamte, eer en schuld, onze menselijke conditie geeft als levensles mee dat wij die houdingen moeten behandelen. Als we gevolgen van ons reageren op ontwrichtende gebeurtenissen typeren als ‘wond’, dan komt het nu aan op wondverzorging en geduldig kijken hoe het organisme in nieuwe balans komt. En het litteken bewaren. Kortom, heling. Ronald Meester (* 1963), hoogleraar waarschijnlijkheidsrekening aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, schreef een boek dat voor het helingsproces bedoeld is: Wetenschap als nieuwe religie: Hoe corona de spirituele schaarste in de samenleving blootlegde. “Ik denk ook dat we als samenleving een bepaalde ‘heling’ nodig hebben, want de crisis heeft diepe wonden geslagen. Elke heling vraagt transparantie: wat is er gebeurd? Het is niet mijn bedoeling om te polariseren of mijn gelijk te halen, maar wel om met mijn analyse een bijdrage te leveren aan het gesprek over wat er is gebeurd. Dat kan, hoop ik, ons alleen maar helpen.” (22, zie ook 201). Zijn doel is te verhelderen wat er gebeurde en vanuit welk perspectief er werd gekeken naar effecten van het virus in ons midden. Dat kan ook duidelijk maken waarom de emoties op hoog opliepen. Als wij ‘de spirituele schaarste’ onder ogen willen zien, kan ook de vraag naar een nieuw, rijk verhaal gesteld worden.

Om te beginnen: spirituele schaarste, dat woord uit de ondertitel. Meester verwijt het de samenleving en vooral de mensen die ingrijpende beslissingen hebben genomen. Door de wetenschap als een religie te beschouwen, is de wetenschap overvraagd. Een groot levensbeschouwelijk verhaal ontbrak. Dát is de schaarste. Maar Meester kijkt ook verwijtend richting de kerken. “Ik vroeg me af of de kerken zichzelf eigenlijk wel serieus genoeg namen, en of ze niet stiekem een knieval maakten voor de ogenschijnlijke superioriteit van het getal, de wetenschap en de ratio.” (151) Ik geef Meester voor een deel gelijk. Wij hebben ons laten imponeren door de verhalen van angst voor besmetting en dood. We hebben als kerken ons gedragen alsof we niet zo essentieel waren. In de eerste lockdown was het geen vraag voor het bestuur van de kerk en de leden: alles dicht. Later ontstond discussie, en bleef alles dicht. We zeiden dat God zich bedienen kan van de kennis van de wetenschap. Als de deskundigen beslissingen voorstellen dan zetten zij hun kennis van mens en schepping in ten bate van het welzijn van de burgers. We voegden daarbij onze gehoorzaamheid aan de overheid. Want de heilige apostelen wezen de christenen in de Romeins-Griekse cultuur daarop. Zij leefden onder het bestuur van keizers die voor christenen weinig respect hadden.

Het probleem met de eerbied voor de deskundigheid is dat het intussen serieus de vraag is of de voorgestelde maatregelen wel effectief zijn geweest. En of de wetenschap ons wel kan helpen met het afwegen van de belangrijke waarden in ons leven: wat krijgt de voorrang?
Het probleem met het tweede is dat wij niet of nauwelijks Jezus’ rebelse kant hebben laten gelden. Jezus was rebels, aldus Meester. De Heer gebiedt ons God op de hoogste plaats te zetten: liefde voor Hem met heel je hart, ziel, verstand en krachten. Revolutionair is dat Hij er direct aansluitend een dubbelgebod van maakt. De grenzen van de wet mogen overtreden worden als de liefde voor de medemens daarom vraagt. (161) Solidariteit is bij Meester het kernwoord: dat hadden de kerken moeten tonen en daar luid hun stem over moeten verheffen. Kerken hebben niet geprotesteerd toen de overheid het Corona Toegangsbewijs introduceerde, waardoor een gedeelte van de samenleving verstoken bleef van veel sociaal verkeer. “Over solidariteit gesproken. Dáár hadden de kerken zich sterk tegen moeten verzetten, met alles wat in hen was.” (152)

Ik herinner me van de vele bestuursvergaderingen dat wij het niet eens waren. De meningen waren sterk, dik, rijk en vooral verschillend. Maar ja, uiteindelijk moest er wel een besluit genomen worden. En niet steeds opnieuw. Dus gingen we de aanwijzingen van het landelijk overleg tussen overheid en kerken (CIO) volgen. Of de vertaling ervan voor de kleine gereformeerde kerken van het Steunpunt Kerkenwerk. Ik zou dat niet spirituele schaarste willen noemen. Het was de botsing van overvloedig spirituele perspectieven, in de diepe overtuiging dat andere opties je in strijd bracht met de liefde en het gebod van de Heer. Het had tot gevolg dat wij bij elke wending in de situatie vooral een maatregelen-verhaal communiceerden met de leden. Kerken die afweken kregen de Nederlandse pers over zich heen en dat wilden we voorkomen. Daar voel ik dat we tekortgeschoten zijn. Het ontbrak ons aan lef. De moed om een afwijkend verhaal te vertellen en daar de eventuele hoon over te incasseren. En, ik vraag het eerst aan mezelf, gaat dat niet terug op het ontbreken van een Groot Verhaal dat met opgeheven hoofd publiek gedeeld kon worden? Móest worden, als bijdrage aan het welzijn van het land.

Dat grote verhaal begint, naar mijn diepe overtuiging, met de permanente viering van heilig avondmaal en het niet aflatende gebed tot de Heer. Daarom mag het kerkgebouw niet dicht. De Heer heeft aan de kerk de sacramenten toevertrouwd. De maaltijd van de Heer, de dankzegging (eucharistie) is bedoeld om te herhalen, totdat Hij komt (1 Korinte 11,26). Dat eschatologische perspectief zet een samenleving in een uniek licht. Alles wat wij doen en verzinnen moet gericht zijn op de Heer die eens verschijnen zal. De Eigenaar die thuiskomt en de tijdelijke bewoners van zijn pand ontmoeten wil om te zien hoe zijn eigendom ervoor staat. Om te blijven herinneren wie wij dan voor ons hebben, eten wij het brood en drinken uit de beker: de gedachtenis aan de bittere dood die ons het vrije leven geeft.

De dood greep om zich heen in het begin van de pandemie. De besmetting met het virus riep de doodsangst op: wat gebeurt er met me als er geen plek is op de ic omdat alle bedden bezet zijn? Wat als ik doodga? “Wie in Mij gelooft, leeft, ook al is hij gestorven,” zei de Heer tegen een verdrietige vriendin. (Johannes 11,25) Zo vaak wij dit brood eten wordt de claim om gezond verder te gaan waar we voor de pandemie gebleven waren onder kritiek gezet. Zo vaak wij de slok uit de beker nemen, weten wij dat wij onze inzet als vrije mensen kunnen geven voor dienst aan de naaste. Daar komt de solidariteit van Meester in zicht.

Maar voordat wij na de Maaltijd de kerk uitlopen en onze diensten aanbieden, gaan we op de knieën. Het gebed is het belangrijkste van de dankbaarheid die de Heer van ons vraagt. Hoe zei Mozes het tegen Israël, aan de grens van Kanaän, toen hij hen Gods wetten voorhield? “Leef ze strikt na, dan toont u wijsheid en inzicht. Alle volken die dat zien en van deze wetten horen, zullen zeggen: ‘Wat is dat grote volk wijs en verstandig!’ Want welk volk, hoe groot ook, heeft goden zo dichtbij als wij de HEER , onze God, telkens als wij Hem om hulp roepen?” (Deuteronomium 4,6-7) Geleerd door onze Heer, spreken wij de Almachtige aan als Vader en roepen Hem te hulp. Want de taken zijn groot en veel en onze krachten gering. Met het gebed van Jezus in ons achterhoofd is onze eerste vraag of God ervoor wil zorgen dat zijn Naam met respect klinkt op aarde, dat mensen zich gaan beschouwen als burgers van het hemelrijk en dat wij als christenen het goede voorbeeld geven in het uitvoeren van Gods wil. Voordat wij toekomen aan vragen over ons voedsel, de vergeving van onze schulden en de bescherming tegen het kwaad, realiseren wij ons de hoofdzaak: Gods komende rijk. Het is vechten om het juiste perspectief te houden. Want onze samenleving is niet bezig met Gods naam, de komst van zijn Rijk of het uitvinden wat de wil van God is. Gezond geluk en veiligheid voor de meeste mensen, is een van de betere aardse idealen, dubieuzer is het streven naar het perfectioneren van de menselijke soort en het overwinnen van de dood, en misschien reëler en gewoon kwalijk: eet, drink en geniet tot je dood gaat, kortom: carpe diem. Hoe houden we gelovig focus in zo’n omgeving? Avondmaal vieren en bidden. Als onze hemelse Vader ons blijft verzorgen met wat wij nodig hebben, dan snappen we ook waarom wij ons gebed afsluiten met de lofprijzing op zijn koningschap, macht en glorie. Met dat vertrouwen gaan we zien hoe wij onze naaste kunnen dienen. En zo werken wij aan onze karaktervorming: we leren nederigheid, treuren om zonde, onrecht en tekort; we leren zachtmoedigheid, verlangen naar gerechtigheid, barmhartigheid, zuiverheid van hart, vrede stichten; en incasseren waar het gaat om staan voor het recht van de hemelse koning op aarde. (Matteüs 5,1-10)

In de pandemie 2020-2022 hebben we dat niet helder genoeg verwoord. Ik zal niet zeggen dat wij het verzwegen. Ik kan voorbeelden geven van preken, gebeden en meditaties waarin ik dat heb gezegd. Maar onze praktijk in en om het kerkgebouw liet niet zien dat deze geloofswaarden ons dreven. Eerlijk, we waren het gewoon te weinig eens. De argumenten die Meester noemt (167vv) popten ook op in onze discussies: angst voor besmetting, en dus schuldig worden aan de ziekte of dood van een ander; door extra besmetting de zorgmedewerkers belasten; angst voor publieke hoon en negatieve media-aandacht; niet ongehoorzaam willen zijn aan de overheid. Wat veel minder naar voren kwam is dat het leven zelf een gift is, en dat de enige ware kwaliteit van leven gelegen is in het kennen van de Heer. Dat is wat de heilige apostel Johannes ‘eeuwig leven noemt’: “Het eeuwige leven is dat zij U kennen, de enige ware God, en Hem die u gezonden hebt, Jezus Christus.” (Johannes 17,3)  En zijn collega-apostel Paulus brengt het kort en krachtig onder woorden: “Breng het goede dat God u schenkt geen schade toe, want het koninkrijk van God is geen zaak van eten en drinken, maar van gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest. Wie Christus zo dient, is God welgevallig en bij de mensen geacht.” (Romeinen 14,16-18)

Ronald Meester stelt terecht dat ons maatschappelijk verhaal niet opgewassen is tegen de crises van deze tijd. “Onze technische, rationele en wetenschappelijke visie op de wereld heeft op bepaalde punten geholpen, maar op andere punten de zaak absoluut geen goed gedaan. Het is een zeer eenzijdige visie.” (10) Volgens hem moeten we op zoek naar ‘misschien wel een nieuwe metafysica, een nieuw overstijgend verhaal waarin moderne wetenschap, religie, filosofie, ethiek, recht en levensbeschouwing allemaal een rol spelen’. (17) Nu weet hij ook dat kerken geen patent op levensvragen en – antwoorden hebben en dat hun rol bescheiden zal blijven. (150) Zo is het. Maar dit speelt ook mee: de Heer vraagt niet minder dan bekering en een onvoorwaardelijke toewijding aan zijn zaak. (1 Korinte 7,35) Daarbij raken gezondheid en behoud van koopkracht op het tweede plan (wanneer hoor je Paulus er ooit over?), zij blijven ver achter de karaktervorming die het leven met Christus zal opleveren. Wie in Nederland ziet dit als een bijdrage aan een nieuw wenkend en samenbindend groot verhaal voor de moderne samenleving?


Naar aanleiding van: Ronald Meester, Wetenschap als nieuwe religie: Hoe corona de spirituele schaarste in de samenleving blootlegde. Amsterdam: ten Have, 2022. Klik hier voor een uitgebreid gesprek tussen Ad Verbrugge en Ronald Meester.

De Bijbel leest ons leven

De waarheid is een persoon en dus is de waarheid relationeel. Dat is kort samengevat wat ik geloof als het gaat om de waarde van de Bijbel in het geloofsleven. Het boek zoals wij dat hanteren is bedoeld om de geloofsrelatie te bevestigen. De band is gelegd door de Geest van de Heer zelf. Dat mysterie laat zich niet ontrafelen. Die band wordt keer op keer verstevigd door de rituelen die de kerk van de Heer beheren mag, waarvan de heilige doop, het heilig avondmaal en de heilige menselijke dialoog de belangrijkste zijn. Om en in deze rituelen speelt de tekst van de Bijbel een rol. Ook daarvan maakt de Geest van de Heer gebruik, in het midden van de geloofsgemeenschap. Daar wordt de waarheid van een Bijbelwoord samen gevonden. Voor nu, voor hier. Soms net als vroeger, soms anders als vroeger. Later zal het net zo zijn, of ook weer anders. De belijdenissen van de vroeg-christelijke geloofsgemeenschap verwoorden wat wij ook nu nog vinden. Vooral het Apostolicum en het Niceanum. En uit de tijd van de Reformatie de Heidelbergse Catechismus. Deze belijdenissen over de Heer vormen onze leescontext, samen met de tijd van nu. In deze context kennen wij de HEER onze God, Jezus Christus.

Zo lees je en wordt je gelezen. Dat is wat ik meeneem nu ik het boek van Arnold Huijgen uit heb: Lezen en laten lezen: Gelovig omgaan met de Bijbel. “Intussen is Jezus Christus zelf geen onderdeel van de tekst van de Bijbel. Hij is immers een persoon, geen tekst. De schrift draait om Hem en de Schriften verwijzen naar Hem, maar de Schrift is niet Christus en Christus is geen tekst.” (63) Kijk, als je dat schrijft, dan heb je mij aan je zijde. Ik vind het daarom ook betekenisvol dat Israël en later de christelijke gemeente een tijd zonder canon leefden. Er was live prediking door profeten en getuigen. De Geest bevestigde een en ander door wonderen en tekenen. Vanwege noodzakelijke nazorg na gemeentevorming komt er correspondentie op gang. Het vertelde verhaal over de Heer wordt opgeschreven. De Bijbel volgt op de levende werking van apostelen, evangelisten, oudsten, rituelen. In een missionaire context vraagt dat om lef en volharding en vanwege dreiging van binnen en van buiten blijken de geschriften contextueel bepaald. Niet de Heer is contextueel bepaald, maar wel de heilige geschriften. Als wij in dezelfde spanning van geloof en ongeloof staan, is de existentiële lezing van Huijgen een welkom advies. “Hoe gaan we om met allerlei voorschriften en bepalingen die ons tegenwoordig vreemd zijn? Ik stel voor om ze vanuit het leven te lezen. Dat is allereerst lezen vanuit Christus en met het oog op Christus die ons leven is. Christus is nooit zonder zijn gemeente en als we de broeder groeten, groeten we Christus zelf en groeten we namens Christus.” (178)

Daarbij aansluitend nog een citaat waarmee ik instem: “Eigenlijk is sola scriptura een misverstand. Het is gaan gelden als een soort slogan, een samenvatting van waar het de Reformatie om ging, maar bij de reformatoren zelf kom je de uitdrukking nauwelijks tegen, al helemaal niet als een soort program van wat zij wilden.” (162). Huijgen introduceert veel Luther in zijn betoog. Hij denkt met de Reformator mee en leert ons: de Reformatie wilde de traditie niet afschaffen. “Als we de term sola scriptura al willen gebruiken, zal dat alleen zinvol kunnen in samenhang met de andere zogenaamde sola’s van de Reformatie:…”: sola fide, sola gratia, solus christus. (163-164) Wel voeg ik hier een punt toe: het beslissende van de Bijbel zal toch in een gemeenschap geaccepteerd moeten worden. Iedereen kan een mening hebben, velen kunnen deskundig zijn of worden, en soms wordt je het over de uitleg niet eens. Wat is de bandbreedte van de gemeenschap? Volgens mij kan dat niets anders zijn dan de gezamenlijk aanvaardde geloofsbelijdenis. Alles wat dat weerspreekt kan wel binnen de vrijheid van exegese vallen; maar niet binnen de leervrijheid van die geloofsgemeenschap. En alles wat geloofd en geopperd wordt en buiten die vastgelegde confessietekst valt, is vrij en kan de invloed uitoefenen. Als de geloofsbelijdenissen niets zeggen over het geslacht van het ambt, kan binnen de belijdende kerk zowel een man als een vrouw daarin dienen. Het gesprek over Bijbelteksten zal niet overtuigen naar de ene kant of naar de andere kant. Daar zijn we veel te eigenwijs voor. Wat wel kan is dat de Bijbel vanuit andere teksten onze motieven leest en zo ons aanspreekt. Huijgen oefent aan het slot van zijn boek met 1 Petrus 3,1-7. Daar spreekt de heilige apostel Petrus de vrouwen aan die gehuwd zijn met een man die zich niet bekeerde tot de Heer. “Petrus reikt ons aan dat we de gegevenheid van ons man-zijn en vrouw-zijn aanvaarden. Niet kritiekloos, maar ook niet revolutionair. Het is belangrijkste is dat mannen en vrouwen de weg van Christus gaan, in navolging en liefde.” (215) Zo is het dus en dat heeft volgens mij als consequentie dat je in de lokale gemeente die navolging moet vinden. Wat in gemeente A samen kan, kan in gemeente B niet – het raakt niet aan ons gemeenschappelijk beleden geloof maar wel aan de liefde die we willen opbrengen voor de mensen die wij wekelijks in de ogen kijken als broer of zus in Christus.

Huijgen ziet in de werkelijkheid structuren. (179) Met de schepping gegeven. Dat brengt volgens hem een morele orde mee als scheppingsgegeven. Ik ben iets postmoderner dan Huijgen, denk ik. Wie construeert de inhoud van dit ‘gegeven’ en wie mag beslissen hoe daar de gedragingen bij passen? De machtsvraag is van belang, ook in de gemeente. Het misbruik ervan blijft vaak verborgen, maar voor de onderlinge beraadslagingen is het ophelderen ervan belangrijk. Daar komt dan bij dat enig historisch besef van verschoven grenzen in denken en doen, helpt om niet te snel met een ‘gegeven’ te schermen. Het is helder dat het oude Israël grenzen in het morele leven belangrijk vond. De heiligheidswetten waren verbonden aan reinheidswetten en dat scheidde grondig tussen mensen. Petrus haalde het niet in z’n hoofd bij een heiden naar binnen te gaan (Handelingen 10 en 11). Maar die muur is in Christus geslecht. Welke ‘muur’ hebben wij te respecteren? Ik weet niet of het antwoord vooraf te geven is. Wel samen te zoeken en dan te vinden. Tot de discussie door een nieuwe inbreng of nieuwe generatie heropend wordt. Kortom: waarheid is geen gegeven maar een belofte, voor nu en voor later.
Ik denk niet dat Huijgen dat zo bedoelt, maar ik heb het wel bij hem gevonden. “Dat Jezus Christus de Waarheid is, zal blijken als hij komt om de wereld naar waarheid te oordelen. De waarheid zal aan het licht komen als Jezus komt! We hebben de waarheid dus niet in onze binnenzak, en niet alleen in de rug, maar vooral ook voor ons, in de belofte.” (58-59, zie ook 47)


Naar aanleiding van: Arnold Huijgen, Lezen en laten lezen: Gelovig omgaan met de Bijbel.2 Utrecht: KokBoekencentrum, 2019.

“Wie alleen zegt dat de opstanding een historisch feit is, doet net zoiets als degene die zegt dat de Nachtwacht bestaat uit verf op doek. Het is wel waar, maar het is lang niet de hele waarheid. En dan vallen de Nachtwacht en die verf nog samen in een werkelijkheid en gaat het over materie, niet over een persoon. Als we eerlijk zijn, moeten we zeggen dat we nog helemaal niet weten wat de opstanding allemaal betekent.” (170)