Identiteitspolitiek

“Maar als de identiteitspolitiek samenlevingen opsplitst in steeds kleinere, op zichzelf gerichte groepen, is het ook mogelijk om ruimere, meer integratieve identiteiten te creëren.” Dat schrijft Francis Fukuyama. Hij is een Amerikaanse politicoloog en filosoof, verbonden aan de Stanford Universiteit. Ik weet nog dat ik zijn boek Het einde van de geschiedenis en de laatste mens (1992) adembenemend vond. Wat een overzicht, wat een eruditie en wat een visie. Thema’s van toen komen ook in zijn recente publicatie Identiteit terug. Het gaat – zoals de ondertitel zegt – over waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek. Een uiterst relevant thema. Identiteit is niet alleen maatschappelijk een hot item geworden, ook in kerk en theologie heeft het haar plaats ingenomen. Negeren is er niet bij en de politicoloog is keurig op de hoogte van de kerkelijke betrokkenheid bij het onderwerp. (132) Sterker, ik heb van hem (nog eens) geleerd dat het protestante verzet in de zestiende eeuw alles met de huidige zaken te maken heeft, als een van de sturende oorzaken. (45)

Maar Fukuyama bepaalt eerst de kenmerkende dynamiek van ‘identiteit’: “Identiteit komt, in de eerste plaats, voort uit een onderscheid tussen je ware innerlijke zelf en een buitenwereld van sociale regels en normen die de waarde of de waardigheid van dat zelf onvoldoende erkent.” (26-27) Zo is het, identiteit is nooit een individueel project. Zelfs als je je wilt onttrekken aan of verzetten tegen de maatschappelijke normen ben ik dus onderdeel van het geheel. Het woord ‘erkenning’ is heel centraal in dit geheel. Iedereen wil ‘gezien, gehoord en begrepen’ worden. Het is een hedendaagse mantra die dus oude wortels heeft. Nog verder dan de protestantse Reformatie, Fukuyama neemt ons mee naar de oude Grieken en hun idee van thymos. Ik herinner het me uit Het einde van de geschiedenis (hoofdstuk 17) maar ook in Identiteit verheldert de schrijver ons: erkenning van verlangen en eer was in de Griekse wereld vooral aan bepaalde groepen voorbehouden. Plato komt in De Staat met een Socratische dialoog over de rechtvaardige staat. Daarin komt hij ook te spreken over de psyche. Dat heeft een verlangend deel, en een rationeel deel, maar ook een derde deel. Daar waar zelfbeoordeling en woede woont. “Om naar dat deel van de ziel te verwijzen waar die woede jegens zichzelf zetelt, gebruikt Socrates een nieuw woord, thymos, wat vertaald zou kunnen worden met ‘karakter’ of ‘hart’.” (35)  Thymos is de zetel van trots en woede, de zetel van de waardeoordelen. Dit derde deel functioneert onafhankelijk van de eerste twee. Die oordelen kunnen van binnenuit komen maar meestal zijn we afkomstig van anderen in de gemeenschap die hun waarde erkennen. In de oude Griekse wereld was die erkenning het privilege van krijgslieden of helden of de wijze elite.

In de moderne tijd wordt thymos gecombineerd met het idee van de innerlijke en uiterlijke zelf en de radicale visie dat die innerlijke zelf meer waarde heeft dan de uiterlijke. (42-43) Daar komt Maarten Luther het verhaal binnen: “Luther was een van de eerste westerse denkers die het innerlijke zelf verwoordde en het hoger aansloeg dan het uiterlijke sociale wezen.” (45) Fukuyama is zich ervan bewust dat Augustinus ook al begonnen was met zelfonderzoek. Maar anders dan Luther ging dat niet samen met een afwaardering van de gevestigde sociale instellingen. (voetnoot 48) Een nieuwe ontwikkeling volgt daarop bij Jean-Jacques Rousseau (1712 – 1778). Bij hem komt de belevingswereld erbij: een bestaansbesef dat gebaseerd is op een gevoel van gelukzaligheid dat ontstaat als een individu het ware zelf probeert te ontdekken. “Rousseau seculariseerde en generaliseerde daarmee de door Luther aan het licht gebrachte innerlijkheid.” (53) Om dat gevoel te vinden moeten wij ons juist losmaken van de sociale erkenning. Dat is ondenkbaar in traditionele samenlevingen. Ook daar had je buitenbeetjes. Maar aan het einde van de dag conformeerden die zich. Piekeren over de vraag ‘Wie ben ik eigenlijk?’ heeft daar geen zin. (56)

In het christelijke idee van menselijke waardigheid draaide het vanouds om de morele keuze: mensen kunnen onderscheid maken tussen goed en kwaad en kunnen ervoor kiezen om het goede te doen. Daarin is ieder gelijk: ieder mens kan kiezen. (59) De filosoof Immanuel Kant (1724 – 1804) seculariseerde dit: de morele keuze gaat over abstracte regels, niet om Gods wil. “Met een liberaal-democratisch regime gebaseerd op individuele rechten wordt het idee van gelijkwaardigheid voor de wet vastgelegd door burgers te erkennen als morele actoren die deel kunnen hebben aan hun zelfbestuur.” (61) Dit is aan het einde van de 20e eeuw in meeste moderne democratieën breed verspreid  gedachtengoed. Je kunt het typeren als ‘expressief individualisme’. (79) Het probleem daarbij is dat wij ook gedeelde waarden moeten hebben om te kunnen samen werken. (80) En: niet iedereen allerindividueelst zich wil waarderen. “Mensen zijn heel sociale wezens die zich op grond van hun emotionele voorkeuren willen conformeren aan de normen van hun omgeving.” (80) Juist dat legt de basis voor het streven naar collectieve identiteiten, zoals nationalisme. Als economische modernisering en snelle sociale veranderingen oudere gemeenschapsvormen ondermijnen en vervangen door een verwarrende overdaad aan alternatieve verenigingsvormen.” (83) Het illustratieve verhaaltje over de jonge boer Hans uit een klein Saksisch dorpje is heel verhelderend. Als hij naar Düsseldorf verhuist om in een staalfabriek te gaan werken en op een slaapzaal met honderden andere jongemannen terecht komt, ja, dan moet hij wel nadenken over de vraag wie hij is. (89) Een ander treffend voorbeeld is dat een advocate protesteert als blijkt dat zij 10% minder verdient dan haar mannelijke collega, voor hetzelfde werk. Het gaat haar niet om het geld, maar om wat het salaris uitdrukt: waardering. (111) Het verlangen is niet materieel maar thymotisch. Destabiliserend voor de samenleving zijn niet de armen maar de middenklassen die hun status dreigen te verliezen. Zoiets begreep ik al eerder uit het boek van Kees Vuyk, Oude en nieuwe ongelijkheid: over het failliet van het verheffingsideaal (2017). Het idee onzichtbaar te zijn maakt mensen jaloers. Het ressentiment jaagt de hang naar erkenning aan, of het neerhalen van degenen die wel gezien en geëerd worden.

Psychologie en psychotherapie zijn in het gat gestapt dat ontstond bij het verval van de religie. Zo kwam de focus op het blootleggen van de verborgen identiteit. Menselijk geluk kan dan worden gezocht in het loskomen van sociale beperkingen. Maar wat nu als mensen diep in zichzelf een asociaal ik vinden of echte kwade driften? (126) En waarom worden mensen zelden aangemoedigd om behoeften of interesses ondergeschikt te maken aan die van een ander? (131) Tot overmaat van ramp: wat er aan religie nog over was, werd ook therapeutisch. En als premisse onder al die ontwikkelingen ligt de gelijkwaardigheid van burgers als individu. (137)

Maar intussen zijn we door geëvolueerd van identiteit naar het meervoud: identiteiten. Ook van groepen. De leden van die groepen vinden elkaar door herkenning van een levensgevoel of beleving. Buitenstaanders misten dat en hebben dus ook geen toegang tot de essentie van de identiteit. “De identiteit, die eerder een individuele aangelegenheid was, werd nu een kernmerk van groepen met een eigen cultuur die gevormd was door hun eigen beleving.” (145, cf 207) Dat leidde tot identiteitspolitiek: iedere groep moet op eigen manier worden aangesproken. Het gevaar dat Fukuyama signaleert is niet gering. De vrijheid van meningsuiting is in geding. “In tegenstelling tot conflicten over economische hulpbronnen kan er over identiteitsaanspraken doorgaans niet onderhandeld worden: het recht op sociale erkenning op basis van ras, etniciteit of geslacht is gebaseerd op biologische kenmerken en kan niet geruild worden voor andere goederen of op enigerlei wijze worden ingeperkt.” (159) Het vormen van de ene groep roept bovendien die van de volgende op. Hoe voorkomen we dat we in bubbels uiteenvallen, zonder dat we elkaar nog horen of kunnen begrijpen? “Dat ik op een bepaalde manier geboren ben, betekent niet dat ik ook op een bepaalde manier moet denken: de beleving kan uiteindelijk vertaald worden naar een gemeenschappelijke ervaring. Samenlevingen moeten mensen die gemarginaliseerd en buitengesloten worden beschermen, maar ze moeten ook gemeenschappelijke doelen realiseren door middel van overleg en consensus.” (159) In die lijn ligt ook de gedachte die ik aan het begin van dit verhaal citeerde (uit 209). Als hij daarna nog gaat uitleggen hoe een nationale politiek preceis geloofwaardigheid verwerft, dan geloof ik het wel. Maar een laatste opmerking vind ik wel nuttig aan te halen: “Democratieën vereisen overleg en discussie, en dat kan alleen als mensen bepaalde gedragsnormen accepteren met betrekking tot wat er al dan niet gezegd en gedaan kan worden. In het algemeen belang moeten burgers zich vaak neerleggen bij uitkomsten die hun niet aanstaan of niet hun voorkeur hebben; een cultuur van verdraagzaamheid en onderling begrip moet het vuur van de vooringenomenheid doven.” (169) Dat raakt de kern van de hele zaak van identiteit en identiteitspolitiek. Uiteindelijk is het individu toch onderdeel van een collectief. Hoe dik of dun je die kring om het ‘ik ‘ ook maakt, je moet toch ergens leven met het onvolmaakte en met het compromis. Anders ga je dood.


Naar aanleiding van: Francis Fukuyama, Identiteit: Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek.5 Amsterdam/Antwerpen: Atlas/Contact, 2020. Uit het Engels vertaald door Robert Vernooy, oorspronkelijke titel: Identity: The Demand for Dignity and the Politics of Resentment (2018).
Kees Vuyk: “Deze verschillen zouden allemaal niet zo erg zijn als de laagopgeleiden in elk geval vertrouwen hadden dat de hoogopgeleiden die hen besturen ook in hun belang handelen. 54% van de laagopgeleiden meent echter dat ‘Kamerleden zich niet bekommeren om de mening van mensen zoals ik’ en 63% meent: ‘Kamerleden zijn alleen maar geinteresseerd in mijn stem en niet in mijn mening.’ Van de hoogopgeleiden onderschrijft slechts 22% respectievelijk 33% die stellingen. (50)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *