Als een voorganger tijdens een huwelijksdienst zijn handen op het bruidspaar legt en de zegen uitspreekt, gebeurt er meer dan een symbolisch gebaar. De woorden die klinken in de Nederlandse Gereformeerde Kerken zijn zorgvuldig gekozen:
“Onze Here God, die u tot dit huwelijk heeft geroepen, verlene u door zijn Heilige Geest de kracht om uw belofte na te komen, al de dagen die Hij u samen schenken wil. Hij verbinde u met ware liefde en trouw en geve u zijn zegen. Amen.”
God roept, de kerk zegent
“Onze Here God, die u tot dit huwelijk heeft geroepen…” – dit is geen willekeurige opening. De formulering maakt duidelijk dat niet de kerk het huwelijk heilig maakt. God is degene die roept. Het sluit aan bij de klassieke gereformeerde visie: het huwelijk is geen kerkelijk sacrament, maar wel een roeping binnen Gods goede schepping. Achter de romantische keuze van verliefde mensen ligt voor christenen Gods hand. Hij heeft in hun hart gelegd om hun relatie te bezegelen met beloften.
Onmogelijke beloften
“…verlene u door zijn Heilige Geest de kracht om uw belofte na te komen…” – hier zit de kern. De zegen is een reactie, een antwoord. Hij komt pas na de uitgesproken beloften. Dat is cruciaal. De kerk zegent niet vóór de belofte, maar erna. De zegen vervangt geen verantwoordelijkheid, maar bidt om Gods Geest om die verantwoordelijkheid vol te houden waar menselijke kracht te kort schiet.
Want laten we eerlijk zijn: die beloften zijn eigenlijk te groot. Niemand kan de toekomst goed inschatten. Je eigen draagkracht voorspellen is onmogelijk. Er zijn genoeg voorbeelden van mensen die in zware tijden elkaar niet meer konden bereiken, laat staan liefhebben.
De huwelijksbelofte luidt: “Ik, [naam], geloof dat ik jou, [naam], uit Gods hand heb ontvangen. Ik beloof hier, voor God en zijn gemeente, in liefde voor jou te zorgen. Ik zal je nooit verlaten, maar je trouw blijven in goede en kwade dagen, in rijkdom en armoede, in gezondheid en ziekte, tot de dood ons zal scheiden. Ik beloof in ons huwelijk vanuit het evangelie te leven.”
Welk gezond denkend mens belooft zoveel? De christen dus. Niet omdat hij een supermens is – juist niet. Hij erkent zijn gebrek aan kracht en overzicht en daarom komt hij voor de zegen van God: de toezegging van Gods kracht. Dr. C.F.G.E. Hallewas noemt het zelfs een vorm van pastoraat (in zijn studie uit 1996 over het zegenen van relaties): “Juist omdat mensen weten van de gebrokenheid van het bestaan, omdat wij vaak zo liefde- en genadeloos met elkaar omgaan, is het ontvangen van de zegen pastoraat pur sang. Het haalt het beste in mensen naar boven. Mensen die niets liever willen dan het leven met elkaar delen en samen gelukkig worden, beseffen maar al toe goed dat het nemen van zo’n cruciale beslissing nooit zonder risico’s is. … Een zegen verzekert mensen van een plaats in het krachtenveld van de goddelijke liefde, die het leven draagt en bewaart.”
Geen romantische garanties
“…al de dagen die Hij u samen schenken wil.” Ook hier klinkt onzekerheid door: er is geen garantie van lang leven samen. Geen romantische vanzelfsprekendheid. Ook huwelijksleven is vanaf dag één een geschenk en de Heer kan dat abrupt afbreken. Voeg daarbij dat de Heer beloofde terug te komen. Als getrouwd stel kun je misschien de wederkomst meemaken. Dat zal de relatie ineens in een ander licht stellen. De zegen erkent Gods leiding over het leven samen binnen het grote geheel van Gods komende koninkrijk.
Liefde als oefening, niet als gevoel
“Hij verbinde u met ware liefde en trouw…” – dit is geen sentiment, maar verbondstaal. Liefde en trouw zijn geen gevoelens, maar praktijken die geoefend moeten worden. De zegen vraagt God om te doen wat mensen zelf niet altijd willen. Opnieuw is God hier het subject, de handelende persoon. Hij verbindt door zijn Geest twee mensen langdurig aan elkaar. Het gaat niet om een onderneming, project of economische eenheid – liefde is de bedoeling. En als dat verlangen even niet aanwezig is of gevoeld wordt, blijft de bedoeling staan. Zo heeft God mensen aan elkaar verbonden en Hij wil niet dat mensen dat weer uit elkaar halen.
De grammatica van geloof
De taal van de zegen verdient aandacht. De zegenformule opent met een tegenwoordige voltooide tijd: God heeft jullie geroepen. Hier wordt iets beschreven als vaststaand feit. Ook wordt gesproken over God die wil schenken – niet stellend ‘schenkt’ of toekomstig ‘schenken zal’, maar ‘schenken wil’. De aandacht wordt zo gevraagd voor God als persoon. “Nergens is ‘zegen’ een soort onpersoonlijke magische kracht, die los van een persoonlijke band met God ontvangen van kan worden. Mensen kunnen dan nooit over die zegen beschikken,” schrijft M.C. Mulder in het Woordenboek voor Bijbellezers. De combinatie van ‘schenken’ met ‘willen’ onderstreept: we hebben in de zegen te maken met een persoonlijke God die betrokken is op ons leven.
Maar wat is de betekenis van de drie werkwoorden ‘verlene’, ‘verbinde’ en ‘geve’? Het is de aanvoegende wijs (conjunctief). We kennen die vorm uit ‘leve de Koning!’ en uit het Onze Vader: “Uw naam worde geheiligd, Uw koninkrijk kome, Uw wil geschiede…” De Nieuwe Bijbelvertaling zet dat laatste om naar: “Laat uw Naam geheiligd worden…” Het hulpwerkwoord ‘laten’ geeft aan dat het een dringende wens is die waarheid wordt als God antwoord geeft.
Is het zo ook met de huwelijkszegen?
Spreekt de voorganger een dringende wens uit?
Nee, dat is te weinig.
De zegen wordt niet uitgesproken in de tegenwoordige tijd (‘verleent’, ‘verbindt’, ‘zegent’). Dat zou betekenen dat het automatisch gebeurt, zonder relatie met het leven van de gehuwden. Ook niet in de toekomstige tijd (‘zal verlenen’, ‘zal verbinden’). Dan wordt het weliswaar in de toekomst geplaatst, maar net als bij de stellende wijs is dit een onvoorwaardelijke reactie van God.
Brengt de aanvoegende wijs dan stiekem een voorwaarde mee? Alsof de Heer zijn zegen alleen geeft als de gehuwden leven volgens hun belofte? Maar dat focust te eenzijdig op de verantwoordelijkheid van het bruidspaar. Voor je het weet, draai je de redenering om: waar dat alles ontbreekt, trekt ook de Heer de zegen terug. Zo simpel is het niet.
De taal van het geloof werkt anders
Dit houdt te weinig rekening met de aard van geloofstaal. Bij de doop zeggen we: dit water wast de zonde af. Dat is een verkorte zegswijze voor: dit water verwijst naar het offer van de Heer dat de verzoening is van al onze zonden. Zo ook met brood en wijn: lichaam en bloed van de Heer.
De zegen houdt het midden tussen een gebed tot God en de toezegging van God. Het gebed komt van de vragende mens, de toezegging van de liefhebbende Heer. Gods omgang met mensen gebeurt via beloften, opdrachten en waarschuwingen, maar er is een overwicht van de belofte. Aan elke opdracht gaat Gods belofte vooraf. En op elke opdracht volgt een belofte. Ook de kracht die nodig is om de opdracht uit te voeren is onderdeel van de belofte. Wie de verantwoordelijkheid van het gehuwde leven op zich neemt, durft dat omdat God zijn blijvende hulp toezegt.
De Heer verbindt zich aan zijn beloften en niet primair aan de prestatie van mensen. Als je met vallen en opstaan steeds weer elkaar vergeeft en met de Heer verder gaat – de Heer is een God die graag vergeeft en opricht wie struikelt. Als de omstandigheden ontwrichtend werken in een huwelijk, geloven we in berusting van gebrokenheid, of mildheid bij een oordeel over redenen voor scheiden. Waar expliciet, bewust en voortdurend ongeloof wortel schiet, liefdeloosheid een patroon wordt en ontrouw niet meer kwalijk wordt gevonden – daar zet de ontbinding in. Maar zelfs dan is nog Gods zegenende aanwezigheid op te merken waar het gaat om hulp of een uitweg uit de ellende. Volhardende ongehoorzaamheid tast de gemeenschap met God aan. Maar steeds geldt: zegen is relationeel, niet mechanisch. Dat heeft de lange geschiedenis van Gods omgang met zijn volk bewezen.
Meer dan een privéaangelegenheid
Want dat doet de huwelijkszegen: zij positioneert het huwelijk expliciet onder de Naam van God en lijft het in in zijn verbondsgeschiedenis. Wat burgerlijk is gesloten, wordt kerkelijk geplaatst in het krachtenveld van Gods trouw. De zegen activeert bovendien de gemeente: dit leven samen is niet langer privébezit, maar staat onder gezamenlijk gebed en medeverantwoordelijkheid. Door de aanroeping van de Heilige Geest wordt erkend dat volharding geen menselijke prestatie is, maar gave.
Tegelijk plaatst de zegen het huwelijk in het licht van Gods toekomst: het huwelijk is belangrijk, maar niet absoluut; het is kostbaar, maar niet het laatste.
Zo is de zegen geen magische garantie en geen voorwaardelijk contract, maar een gelovige oriëntatie van het huwelijk – een publieke markering dat dit verbond geleefd wil worden in afhankelijkheid van Gods belofte en onder de blijvende aanwezigheid van zijn zegen.
Mede naar aanleiding van: Dr. C.F.G.E. Hallewas, Zegen vieren: zegening van levensverbintenissen. Zoetermeer: Boekencentrum, 1996. Deze uitgave kwam tot stand in samenwerking met de Stichting Lutherse Uitgeverij en Boekhandel (SLUB).
M.C. Mulder, ‘Zegen’ In: Woordenboek voor Bijbellezers. Onder redactie van dr. A. Noordegraaf, dr. G. Kwakkel, dr. S. Paas, dr. H.G.L. Peels, dr. A.W. Zwiep. Zoetermeer: Boekencentrum, 2005, 734-738.
Over het overwicht van de belofte, zie Dr. C. Trimp, Klank en weerklank: Door prediking tot geloofservaring. Barnveld: De Vuurbaak, 1989, 57.



