Wij nihilisten

‘Alles van waarde is weerloos.’ Deze zin uit een gedicht van Lucebert (pseudoniem van Lubertus Jacobus Swaanswijk, 1924-1994) zag ik voor het eerst in Rotterdam. Aan de Blaak, een verzekeringsmaatschappij had het in 1978 laten plaatsen. Soms hebben de reclamejongens goede voeling met de Nederlandse letteren. Ik kwam de gevleugelde uitspraak opnieuw tegen in het alarmerende geschrift Wij nihilisten van Hans Schnitzler. Wat hij me nu bijleert is dat direct op deze zin volgt: ‘wordt van aanraakbaarheid rijk’. Als zin opnieuw een poëtisch werkje (de r doet het goed) maar voor Schnitzler is het de kleine weergave van een grote inzet: de strijd om het behoud van de menselijke waarde. En hij heeft in zijn boekje willen aantonen dat het tijd is voor alarm. De techno-baronnen bedreigen met hun data-honger de beschaving.

Hoe kan het toch dat mensen hun recht op zelfbeschikking hoog in het vaandel hebben, en tegelijk hun hele hebben en houden uitleveren aan de data-slurpende tech-reuzen? Dat is de vraag die de auteur behandelt. Hij neemt geen genoegen met de clichés. Bijvoorbeeld, dat mensen nu eenmaal liever lui dan moe zijn. Er zit meer achter. De digitalisering komt met een grotere belofte naar ons toe: wij kunnen verlost worden van alles wat het bestaan onvoorspelbaar en grillig maakt. (36, zie ook 45 en 47) Die belofte klinkt in een wereld waarin wij God dood hebben verklaart. De filosoof Friedrich Nietzsche fungeert prominent in het betoog: wij zijn nihilisten geworden. Het Grote Verhaal waarin God het grillige leven in de hand heeft, heeft een onvoldoende gekregen in de westerse wereld. Dus betekent dat dat wij er alleen voor staan. Nu data-verzameling een enorme macht blijkt te zijn, zijn de nerds en hun bazen bezig dit niet alleen commercieel maar ook ideologisch om te zetten tot succes. We halen de bugs uit het leven en kunnen zelfs de grootste hobbel te lijf: onze sterfelijkheid. Want alles is terug te brengen tot informatie en die kunnen we permanent maken.

In korte intermezzo’s (in een ander lettertype) geeft Schnitzler columns over motieven en oogmerken van de data-jongens. ‘Data maken vrij’ is in drie pagina’s een beschrijving van het evangelie van het dataïsme. (29-31) “Onze centrale geloofsbelijdenis luidt: er is geen andere godheid dan Data en Algoritmus is zijn profeet.” De verspreiding over de wereld is de kerstening, we kunnen spreken van de predestinatie (alles ligt vast en is beschikt), er is de belofte dat we zo dichter bij elkaar komen, bij toetreding moet je je aan de regels houden: gebruikersvoorwaarden. Soms worden wij door de Grote Datascheppers aan een test onderworpen (lees: beproefd). Ware verlossing staat of valt met overgave aan de dataleer en zo kan ieder naar zijn bestemming worden geleid. “In onze gemeenschap is iedereen welkom. Toegang is gratis. Uw ziel is ons geluk. De redding van de mensheid is nabij. Data maken vrij.” (31)

Op Netflix staat op dit ogenblik een film over de ruimteplannen van Elon Musk: Return to Space. De mens moet een multi-planetaire soort worden. Reden: de aarde is niet langdurig houdbaar. Klimaatcrisis of een derde wereldoorlog, we hebben een way-out nodig. Er wordt systematisch aan doorgewerkt, niet meer (alleen) met overheidsgeld (NASA) maar (ook) met commerciële bronnen.
Zit daar het punt om de digi-grootmachten te beperken? Facebook en anderen ongenadig in hun portemonnee treffen als zij onze grenzen overgaan? Dat is wat ik nu vooral hoor. Maar Schnitzler roept op tot een tegenstreven dat positieve inhoud geeft aan wat echt belangrijk is. “De wil tot macht van de tech-lords vraagt dan ook om tegenmacht met als inzet een strijd om waarden. Hun streven naar wat je de definitieve oplossing van het mensenvraagstuk kunt noemen, met als doel niets minder dan de eindoverwinning op de menselijke natuur, vergt een tegenstreven dat die aspecten van ons mens-zijn beaamt die wij de moeite van het behouden waard vinden.” (132) Het boekje van Schnitzler is een teken van hoop. Zijn er meer lichtjes in over ons komende schaduw? Ik las dit voorjaar het essay van Phillip Blom. Hij pleitte voor een bezielend verhaal. Ik las ook het pleidooi voor de bevrijdende en verzoenende lach van Tim Fransen. Anders is het tragische bestaan niet te harden. Hans Schnitzler raak een gevoelige snaar als hij via Lucebert ons brengt bij de aanraakbaarheid. “Aanraakbaarheid betekent dat we, in overdrachtelijke zin, geraakt kunnen worden. Een oogopslag, een enkel woord, een hand op je schouder, de aanblik van een berglandschap of kunstwerk: of en hoe je geraakt wordt, welke stemming het oproept en wat de gevolgen ervan zijn, daar is nauwelijks vat op te krijgen, laat staan dat zoiets meetbaar is. We zijn tastende wezens en staan weerloos tegenover onze eigen aanraakbaarheid. Tegelijk maakt dat het leven juist zo waardevol: de rijkdom (en de inherente kwetsbaarheid) van het menselijk bestaan bestaat uit de wijze waarop iets indruk maakt en hoe iets resoneert. Vrij vertaald: nastrevenswaardig ideaal is niet zozeer de concrete bestemming, als wel de aandachtsvolle afstemming op je omgeving.” (144)

Ik denk dat hij hier niet ver meer is van het koninkrijk van God. En dat vertoont zich op planeet aarde. Om met Hannah Arendt te spreken: “De aarde is het wezen zelf van de menselijke conditie.” (123)


Naar aanleiding van: Hans Schnitzler, Wij nihilisten: Een zoektocht naar de geest van digitalisering. Amsterdam: De Bezige Bij, 2021. Klik hier voor zijn persoonlijke website.

Het complete gedicht van Lucebert:

De zeer oude zingt:

er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings

alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk

als het hart van de tijd
als het hart van de tijd

(opgenomen als ongepubliceerd gedicht uit de periode 1952-1963 in Verzamelde gedichten, Amsterdam, 1974, 439)

Tragisch en komisch

Tim Fransen kan me gemakkelijk aan het lachen maken. Hij weet, naast allerhande flauwe grappen, soms absurde wendingen aan dingen te geven waardoor een situatie ineens opvalt. Hoe toevallig of tragisch iets is, en vooral hoe herkenbaar. Nu ik zijn boek Het leven als tragi-komedie heb gelezen, snap ik dat het hem vooral gaat om dat wat ons mensen bindt: het kwetsbare in dit leven. We zijn allemaal zonder uitzondering kwetsbaar omdat we met allerlei tekorten leven. Als we daar oog voor krijgen en de draak mee weten te steken, dan gaat het komische ons helpen om samen ons tragisch lot manmoedig te dragen: het leven als tragi-komedie.

In het eerste deel wijst hij ons op de basale tekorten die wij als mens onder ogen moeten zien: het lichamelijke, psychische, epistemische, morele en het existentiële tekort. Wat ons nu van veel dieren onderscheidt is dat wij ons bewust kunnen verhouden tot onze natuur: “Maar wat misschien wel het meest wonderlijke vermogen van de mens is, is dat we niet met onze natuur samenvallen.” (95) Daarom wij verzinnen wij van alles om onze tekorten te corrigeren. Zo is de wetenschap groot geworden vanwege de claim wat we ons kennistekort kunnen verkleinen.
Dat we tragische wezens zijn, betekent dus niet dat we de hoop opgeven. Maar Fransen vindt het wel verontrustend dat wij de illusie koesteren onze onoplosbare problemen werkelijk te kunnen oplossen. Religie is wat hem betreft zo’n illusoire poging. Maar de tijd van religie is voorbij. De mens heeft God gedood, aldus Fransen, aldus Nietzsche (1844 – 1900). Dat heeft echter wel een prijs. “Dit alles resulteert in een zekere onvermijdelijkheid van het lijden; in een inherent tragische component van het bestaan. Er is echter een manier waarop dit alles in een ander licht zou kunnen komen te staan, namelijk als het menselijk lijden een rechtvaardiging had gehad. Daarom is de dood van God mogelijk de meest bepalende gebeurtenis in de menselijke beschaving. Nadien houdt de wereld op een bedoeling te hebben. Vanaf dat moment ontbreekt een ultieme rechtvaardiging voor ons lijden.” (89)

Maar mensen ontwikkelen optimistische dogma’s, positieve illusies noemt de psychologie die. Superioriteit, onrealistisch optimisme en de waan van controle. Dat vertaalt zich in het aantrekkelijke idee dat er ergens een volmaakte oplossing te vinden is, de perfecte harmonie. Maar de werkelijkheid is dat er conflicterende waarden zijn. (104) Dat heeft Fransen opgepikt bij de filosoof Isaiah Berlin (1909 – 1997). Helaas heeft een groot deel van de mensheid dat omgezet in de strijd om de ene absolute waarheid. “De illusie van de superioriteit en onschendbaarheid geeft een zekere bevrediging.” (114) De ander moet geloven wat jij gelooft. Maar behalve dat zij een ontkenning van de realiteit is, ziet Fransen een ander gevaar: het is destructief en ondermijnt de solidariteit. “Het is mijn overtuiging dat onze hoop als mensheid is gelegen in de vraag of het ons lukt de ander te zien, niet als een existentiële bedreiging voor ons wereldbeeld, maar als iemand die met dezelfde kwetsbaarheid beweegt in een wereld die allesbehalve barmhartig is.” (115)

Fransen neemt in het tweede deel van zijn boek ons mee naar de kracht van het komische. Hij stelt daar dat de ruimte voor de humor pas groot kon worden na de dood van God. “Om de morele of existentiële Waarheid mag niet gelachen worden. Zij is absoluut, en het absolute kan en mag niet gerelativeerd worden.” (125) Zo’n waarheid heeft vaak een bijpassende hiërarchie: tussen mensen die het zien en die het niet zien en een gelaagde orde in de kosmos en samenleving. Lachen doe je dan naar beneden, om de minderwaardige figuren. “Met de kosmische orde in scherven, ondergaat de potentie van het komische een radicale transformatie. Zonder waarheid over wat er precies de bedoeling is, zonder waarheid over het hoogste Goed, zijn we in zekere zin allemaal dwaas geworden.” (130)

Ik heb het gevoel dat ik nu voor het eerst snap dat je bij bepaald soort cabaret ongemakkelijk begint te draaien. Het heilige wordt bespot en omdat het niet alleen heilig maar ook hoog is, gaat dat over de grens. Zo vind je in de christelijke cultuur humor genoeg, maar grappen over God… nee. In de Bijbel zoek je die tevergeefs, en het is in het algemeen weinig lachwaardig wat er beschreven wordt, hooguit in het verband met spot.
En tegelijk zegt er iets in mij dat het in een seculiere samenleving moet kunnen. Misschien ben ik zelf te seculier geworden. Ik denk: stoot je je eraan, dan kijk je toch niet? En even seculier met Tim meegedacht: als we het komische gebruiken op grond van herkenning en humaniserend (145, zo van: het had ook mij kunnen overkomen), dan kan dat inderdaad helpen ons tragische bestaan te verlichten. Zo je wilt: je met de ellende te verzoenen. Fransen gaat de vijf dimensies van tekort langs. het is helder dat je bij het morele tekort wel heel goed moet uitkijken (163-175) Maar op de man af gevraagd stelt hij: nee, er is niets zo heilig dat het buiten de grapsfeer moet blijven. (175) Je kunt hooguit zeggen dat niet alle grappen geslaagd zijn.

Het boek laat mij achter met de vraag of het geloof in één waarheid ook anders dan superieur kan worden (en dus niet potentieel gewelddadig). Als de waarheid nu eens een persoon is. Die wel een eigen identiteit heeft maar alleen contextueel te kennen is en daarom niet absoluut is. Als die persoon nu eens zijn volgelingen nu eens oproept om onrecht te lijden en onbaatzuchtig te leven… zou dan het menselijk tekort niet ook door een dergelijke houding, solidair worden benaderd?
Dan moet de verkondiging  van de naam en faam van die persoon in een seculiere omgeving dialogisch zijn, zonder dwang. En daarom is er niet een hiërarchische orde die onlosmakelijk met hem verbonden is. Blijft wel over dat hij een figuur is waar ontzag omheen hangt. Dat maakt humor lastig.


Naar aanleiding van: Tim Fransen, Het leven als tragi-komedie: Over humor, kwetsbaarheid en solidariteit.2 [Amsterdam] Das Mag Uitgevers, 2021 (eerste druk 2019 als essay van de week van de Filosofie).
In zijn eerdere boek Brieven aan Koos (2018) vertelde hij over zijn weg naar berusting die hij vond, ‘in onze merkwaardige menselijke conditie’. Door zijn reizen leerde hij dat het gebrek aan Absoluut Fundament geen belemmering is om dingen de moeite waard te vinden. “Sterker nog, alles wat ik in dit leven van waarde acht, zie ik nu als innig verstrengeld met onze metafysische tekortkomingen en ons gezamenlijke lot op aarde: de noodzaak van solidariteit, de mogelijkheid van troost, humor die ons de nodige ademruimte verschaft en waardoor we onze absurde conditie met lichtheid kunnen aanschouwen, misschien zelfs met een vreugdevolle lach.” (231)

Lachen in de Bijbel:

  • God lacht spottend om de machteloosheid van zijn vijanden: Psalm 2,4
  • De Wijsheid lacht om de ellende van de dwazen: Spreuken 1,26
  • Mensen lachen de bedriegers uit die door God worden gebroken: Psalm 52,8
  • Mensen lachen omdat hun leven een positieve wending neemt: Psalm 126,2
  • Vijanden lachen Gods volk uit: Klaagliederen 1,7; Habakuk 1,10; Job 41,20 (Leviathan)
  • Mensen lachen soms maar hebben innerlijk pijn: Spreuken 14,13
  • Prediker vindt vrolijkheid eigenlijk dwaasheid: Prediker 2,2; 3,4; 7,3 en 6
  • Abram en Sara rond geboorte van Izaäk: Genesis 17,17; 18,12-15; 21,6 “Met Abram en Sara begon de joodse traditie van humor die uit nood wordt geboren.” Meir Shalev, In den beginne: Eerste keren in de Bijbel. Amsterdam: Ambo/Anthos, 2011, 240.

Umberto Eco, De naam van de roos.5 Amsterdam: Bert Bakker, 1984, 139-142: “Jorge maakte een geërgerd gebaar: ‘Met uw woordenspel over de lach verleidt u mij tot ijdel gepraat. Maar u weet dat Christus niet lachte.’” (141)

Carmen, Pfeijffer en Jezus

Direct na het lezen wilde ik Monterosso mon amour weggooien. Het Boekenweekgeschenk was een aardig verhaal verteld door routinier Ilja Leonard Pfeijffer. Maar later realiseerde ik ineens hoe het een voorbeeld is van de recente aandacht voor de waarde van verhalen en de kracht van verbeelding. Ik raakte met iemand in gesprek over geloof in God. Zij is atheïste en zij vroeg zich af of gelovigen geloven omdat er een historische basis voor zou zijn, empirisch te bewijzen. Min of meer tot mijn eigen verrassing haalde ik toen deze recente novelle van Pfeijffer aan.

Monterosso mon amour is een verhaal over het belang van verhalen,” lees ik op de achterkant van het boekje. “En tegelijkertijd is het een ode aan de anonieme mensen die het literaire bedrijf draaiend houden, zoals boekhandelaren, bibliotheekmedewerkers en organisatoren van lezingen.” Verhalen hebben dus een doel en beogen een effect. Pfeijffer doet dat toch wel doordacht. Hij vertelt ons het verhaal over Carmen. “Carmen heeft honger naar verhalen.” (7) Zij is een vrouw op leeftijd die lezingen organiseert voor een lokale bibliotheek. Zij nodigt Ilja Pfeijffer uit, jawel, ook omdat zij vermoedt dat zij het meisje is dat hij bedoelt in zijn autobiografisch boek. Zij heeft bij hem in de klas gezeten. (16-17) Tijdens de lezing noemt de ‘superieure’ (19) schrijver het plaatsje Monterosso in Italië. Dat brengt haar terug bij haar eerste (vakantie)liefde, Antonio. “Zij had hem beloofd dat ze zou terugkomen, maar het jaar erop hadden haar ouders een andere vakantiebestemming uitgezocht en daarna was haar overkomen wat iedereen altijd overkomt die dure eden zweert: het leven was haar overkomen.” (20)

Zij voegt de daad bij het woord. Dat is het effect van de lezing. In Monterosso helpt de eigenaresse van de Bed & Breakfast, Tizinia, haar en zo ontmoet zij Antonio. Maar al snel blijkt dat hij de ware niet is. Tizinia wil haar een handje helpen. “Het was een verhaal dat schreeuwde om een happy end, of in eider geval om een conclusie van welk type dan ook. Ik haat open einden.” (76) Maar de ware Antonio is gestorven, zo blijkt. Toch is Carmen blij dat zij haar belofte heeft ingelost.
Tijdens de terugreis zit zij in het vliegtuig, jawel, naast Ilja Pfeijffer die haar ook nog duidelijk maar dat ene Monique bedoelde in zijn autobiografische notities, niet Carmen. Toch is de reis van Carmen betekenisvol. Zij heeft haar belofte gehouden. En dat zal ook de schrijver doen. “Dat het niet voor niets is geweest,” zegt de schrijver. “Dat het zal bestaan omdat het verteld zal worden.” (92)

Er is wat gebeurd in Monterosso. Dat weet Carmen en ook de moeder van Antonio. (82) Maar het verhaal erover is geromantiseerd in de herinnering, wordt bewerkt in het heden, en de actie blijkt opgewekt door een misverstand. Is dat erg? Nee, ook zo levert het iets goeds op. De waarde van betrouwbaarheid is in dat complex dat verhaal heet onder onze aandacht gebracht door de verhalenverteller. Want wij lezen een door een schrijver verzonnen novelle (niet voor niets zo aangeduid in de slotzin). Geen idee of het waar is. Misschien heeft hij alles uit zijn duim gezogen. Misschien is er een kleine historische aanleiding. Wie zal het ooit weten? Het doet niet af aan de waar die de schrijver wil belichten. En hij doet dat via verhalen.

Kort geleden las ik het essay van Philip Blom over de noodzaak van verbeelding en narratieven die tot actie aanzetten. Hij verbindt het aan de klimaatcrisis. Socioloog Rudi Laermans ziet in verhalen van hoop een middel om angst te reduceren. Want die verhalen kunnen wederzijds vertrouwen versterken. Ook in het gesprek over religie en persoonlijk geloof kunnen wij niet om de kracht van verhalen heen. We hebben over Jezus’ leven verhalen. Wij weten van zijn boodschap, in woord en daad, omdat het door verschillende auteurs verteld is. Het meest uitgebreid en nogal consistent door de vier evangelisten. Maar er zijn ook buiten-bijbelse bronnen en latere, gnostische evangeliën. Elk geschrift vertelt een verhaal met een doel en een scopus. Het is meer van opmerkelijk hoe snel de christelijke geloofsgemeenschap verbreiding vond, juist onder mensen die Jezus niet persoonlijk hebben ontmoet. Zij hebben op de een of andere manier vertrouwen gekregen in de verhalen over Jezus, zoals die door getuigen zijn verteld. Uiteindelijk is het christelijk geloof ontstaan uit een verhalentraditie. En zo zal hij voortbestaan tot het einde.

Meer dan mij nu nodig lijkt, doen de apostelen een poging duidelijk te maken dat zij geen verzinsels achterna zijn gelopen. (2 Petrus 1,16) Zij zetten zich af tegen misleidende verhalen die rondgaan. Paulus verwijst naar meer dan 500 mensen die Jezus na zijn opstanding hebben gezien. (1 Korinte 15,6) Toch blijft in onze verwetenschappelijkte sfeer de strijd om de verifieerbare basis van het christelijk geloof kwetsbaar en weinig vruchtbaar. Het is veel interessanter en overtuigender om nieuwsgierigen en kritische zoekers te laten zien dat er literaire mechanismen zijn ingezet bij de verhalen. De selectie van het materiaal, de bewerking van de stof, de tendens van het geheel – alles moet dienen om de boodschap over te brengen bij het eerste publiek. Dát zien, dat helpt ons, later publiek, om mee te komen en te snappen welke waarden voor ons voortvloeien uit de persoon en het werk van Jezus Christus. Of je het verhaal van de Gekruisigde die leeft gaat vertrouwen is een andere vraag. Theologisch moet ik hier zeggen dat die overgave zich aan de menselijke empirie onttrekt. Dat is het werk van Gods Geest in een mens. Maar wat de traditie betreft is het wat Pfeijffer zegt: het zal bestaan omdat het verteld wordt. En daarom gaat deze novelle niet de prullenbak in.


Ilja Leonard Pfeijffer, Monterosso mon amour. Een novelle. Een uitgave van Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek ter gelegenheid van de Boekenweek 2022.

Alleen Pursuit of Happiness?

Het is nogal wat bekende stof. Bram van de Beek komt in zijn nieuwe boek Ego veel oude gedachten presenteren. Bijvoorbeeld: God is niet op aarde gekomen om de wereld te verbeteren. Of: Jezus kun je terugvinden bij de slachtoffers van de wereld. En: de kerk is op aarde om de wereld te ontmaskeren en de machten van het kwaad aan te wijzen. Ik heb het eerder gelezen bij hem en ik moet eerlijk toegeven: ik vind het geen straf om het weer te lezen. Sterker, ik heb het nodig om het zo nu en dan weer te horen. Hij roeit tegen de stroom op van de geloofsspiritualiteit waarin ik leef. Als hij de vrijgemaakt-gereformeerden expliciet noemt als voorbeeld van interne secularisatie (89), dan ben ik niet verbaasd. Ik voel het als een verwoording van wat ik weet en waar ik mijn rol in zoek als voorganger. Dus kon ik deze cultuuranalyse van Van de Beek niet laten liggen onder het mom van ‘bekende stof’.

Bovendien is de insteek meer dan relevant. Van de Beek biedt een theologische cultuuranalyse van het ik. Dat hij dan Descartes aanwijst als invloedrijke bron (cogito, ergo sum: ik denk dus ik ben), bevreemdt niet. Maar dat hij ook Luther plaatst in de hoek van degenen die het ik naar voren hebben geschoven – dat verraste mij. “Al vóór Descartes had Luther (1483 – 1546) de wending gemaakt naar een persoonlijk geloof.” (20) Even verder zet hij het scherp neer: “Gods redding is niet langer een geheimenis dat ons voorafgaat en te boven gaat en waarin we door de kerk zijn betrokken, maar het gaat om persoonlijke zekerheid.” (65) Het was me zelf laatst ook weer opgevallen bij het lezen van de Heidelbergse Catechismus. De inzet is ook daar het persoonlijk verlangen naar houvast: wat is jouw enige troost. Wel is sterk dat juist het antwoord erop wijst dat je gekocht bent. Dat passieve benadrukt Van de Beek aan het slot van zijn boek: “Mensen zijn het subject van een passieve zin. Deze zin: ‘ik wordt gered’ is de meest fundamentele zin in relatie tot God, zelfs nog fundamenteler dan ‘Ik ben geschapen’. God heeft zijn naam ‘ik ben’ niet bekendgemaakt bij de schepping. Hij doet dat pas bij Israël in Egypte…” (214) Ook het klassieke avondmaalsformulier krijgt een veeg uit de pan. De eucharistie is daarin de expressie van het ware menselijke geloof, bedoeld voor mensen die aan voorwaarden voldoen. Volgens Van de Beek drijft dat af van de oorspronkelijke inzet, namelijk dat het de viering is van de maaltijd waarin Christus ons het meest nabij komt. Wat Van de Beek betreft moeten de orthodox-protestanten hun verzoeningsleer herzien. (204)

Hoe komt dat dan? Hij wijst ‘pursuit of happiness’ aan als de kenmerkende drijfveer (43-44, 110v, 133 en 193; tweemaal verkeerd geschreven als ‘persuit’ – maar dat terzijde, 43 en 44) Dat geluk zoeken we in welvaart en welzijn. Maar dat blijkt een wereld vol competitie. Je moet aan van alles voldoen, anders lig je eruit. En in die ratrace zoek je een uitlaatklep in dansen en festivals. (167, 173, 192, 198) God mag de aanvaardende Vader zijn die geen voorwaarden stelt en elke zonde probleemloos vergeeft. Van de Beek gruwt ervan. (89, zie ook 104, 170, 194, 226) Ten diepste is zo’n God een instrument voor de mens: er is iets je halen bij zo’n geloof. God dient de mens.

Zover gekomen in het boek, weet je waar het op uit zal draaien: de omgekeerde wereld. De mens is geschapen en geroepen en gered om God te dienen. Om niet. God instrumentaliseren is het misbruiken van zijn naam. (91, zie ook 100) Zijn naam is ‘Ik ben’. De bevrijding uit Egypte (Exodus 3 en vervolg) en uit ballingschap (Jesaja 40 en vervolg) zijn de Bijbelhoofdstukken die ons lezers de God presenteren die de machten van het kwaad komt breken. En in Jezus Christus er zelf de verantwoordelijkheid voor neemt en eraan sterft. Hij is dan ook niet gekomen om de wereld te verbeteren. (45, 199) En zijn kerk is geroepen om de wereld te ontmaskeren. “Christenen leven niet in de cultuur om het daarmee op een akkoord te gooien of om de cultuur te kerstenen. Zij zijn er om de cultuur te ontmaskeren. Daarvoor moet je de cultuur goed kennen, andere culturen, maar vooral die van jezelf: om te laten zien wat in deze specifieke cultuur mis is en hoe de machten daar gestalte krijgen.” (222 en 232) Ook Van de Beek ziet dat wij mensen in nood kunnen helpen. Want juist in de nood is Christus aanwezig. Hij gelooft echter niet dat wij de machten zullen kunnen veranderen. Die gaan pas weg als het laatste oordeelsvuur die opruimt. (222)

Deugt de analyse van Van de Beek? De vraag moet toch gesteld. De auteur is zich ervan bewust dat hij generaliseert. (11) Nuanceren kan altijd, geeft hij toe, maar relativeren, nee dat niet. Wat ik hem vooral wil vragen is of hij de hedendaagse mens genoeg peilt. De mensen zijn niet alleen op zoek naar geluk. Er heerst boosheid. Mensen zijn bang. “Angst is alomtegenwoordig,” schrijft Rudi Laermans in Gedeelde angst, zijn kleine sociologie van maatschappelijke onzekerheid. (9) Zoekend naar controle moeten wij constateren dat wij haar simpelweg niet hebben. Verlangend naar individuele vrijheid komen wij in een keuzedwang die ons bang maakt om te missen wat het leven in petto lijkt te hebben. Veel mensen zijn onzeker over zichzelf. (69) Relatie-angst leidt ertoe dat wij ons moeilijk binden. (77) Laermans zet het welsprekend op een rij en komt aan het einde van het boek uit bij vertrouwen: “Wederzijds vertrouwen ont-angst: je bent minder op jezelf teruggeworpen, je staat er niet alleen voor.” (123) Daarbij horen verhalen van hoop: hoe het kan om samen te zorgen voor goede initiatieven.

Vanuit de sociologie gezien is religie een geweldig antwoord. Religie draait om vertrouwen en verhalen. Religie werkt angst-reducerend. (47) Als theoloog kun je tegenwerpen dat God zo toch weer instrument wordt. De vraag is hoe je mensen daar brengt en het is niet de sterkste kant van het boek Ego. De analyse staat theologisch wijdbeens en met de handen in zij. Maar omdat de analyse geen oog heeft voor de angst, is er weinig ruimte voor het beeld van de vader die zijn jongste zoon laat gaan en hem in zijn armen sluit als hij berooid terugkeert. De verhalen waarin Jezus geneest en demonen verdrijft. Zeker, niet bij allen, het zijn tekenen van een geheelde toekomst, maar toch. Nood mag leren bidden. God stelt mensen gerust met ‘vrees niet’. Hij belooft te naderen als wij tot Hem naderen.

Dat het geluk niet ons hoogste streven moet zijn, dat is het gelijk van Van de Beek. De Heer zei inderdaad: maak je niet druk over eten en drinken en kleding. Zoek eerst het rijk van God en zijn gerechtigheid. Aan het slot van Ego biedt Van de Beek veel dat aan kan sluiten op de menselijke vragen van nu: “Wil je weten wie je bent? Kijk dan veel naar Jezus. Voor ons op aarde betekent dat: lees wat er over Hem geschreven is. Lees je Bijbel elke dag, niet om daaruit regeltjes voor je leven te halen of te horen dat God een lieve zorgende vader is. Lees je Bijbel elke dag om te zien wie Jezus is – en dat ben je zelf.” (232)


Naar aanleiding van: Bram van der Beek, Ego: Een cultuuranalyse van het ik. Utrecht: KokBoekencentrum Uitgevers, 2022. Erg raak zijn ook zijn opmerkingen over de overheid, die tot taak heeft een schild te zijn voor de zwakken (28, 55, 60, 176) en over God die werken wil met niet perfect grondpersoneel. (197-198)

Rudi Laermans, Gedeelde angsten: Kleine sociologie van maatschappelijke onzekerheid. Amsterdam: Boom, 2021.

Maagd was meisje

Maagd was meisje, maagd
werd ontvoerd door soldaat
en twee jaar als slavin gebruikt.

 

Meisje was veertien, veertien
kwam verbruikt in Betesda aan,
maar was te smal om te bevallen.

 

Meisje had anderhalve dag hevige pijn,
toen was alles in haar gestorven.

 

Meisje werd door familie opgehaald.
Wat hadden zij gehoopt dat meisje,

 

hun meisje gestorven zou zijn.