Wie ben je?

‘Who are you?’ Nu ik de Equalizerserie (2014 – 2018 – 2023) heb bekeken is het niet zo moeilijk de tagline te ontdekken. Regisseur en schrijvers houden ons in elk deel eenvoudig bij de les: herhaling als de basis voor onthouden. Wie ben je, Robert McCall? Denzel Hayes Washington (* 1954) speelt met verve de vigilante die het kwaad een hardhandig halt toe roept. Ik raakte aangehaakt en vroeg me af: wat maakt de film nu echt een vigilantestory en waarom is het zo boeiend?

Eigenrechter, burgerwacht, zo kun je in het Nederlands ‘vigilante’ vertalen. McCall presenteert zich zo als hij de autoriteiten opbelt, anoniem: ‘een bezorgde burger’. Het woord komt oorspronkelijk uit het Latijn: vigilans: aan het kijken. Opmerkzaam zijn. De waakzame. Strijd tegen misdaad en onrechtvaardigheid, dat is het primaire doel van de vigilante. Dit kan variëren van straatcriminaliteit tot georganiseerde misdaad of zelfs corruptie binnen de overheid.
In het eerste deel ontmoeten wij Robert McCall. Hij is een voormalig agent van de speciale dienst, met de vechtvaardigheden van een commando. Hij heeft zijn eigen dood in scène gezet in de hoop een rustig leven te leiden. Maar hij komt uit zijn zelfopgelegd pensioen tevoorschijn om Teri, een jonge prostituee, te redden. Zijn verlangen naar gerechtigheid wordt gewekt als hij oog in oog komt te staan met leden van een meedogenloze Russische bende: Vladimir Pushkin en zijn fixer Teddy (aka Nicolai). McCall wordt de aangewezen man als de hulpelozen wraak nodig hebben die ze zonder zijn vaardigheden nooit zouden vinden.

Een burgerwacht wordt vaak gedreven door persoonlijke trauma’s. Verlies of onrechtvaardigheid zet hem aan tot actie. In het geval van Robert McCall is dat het verlies van zijn geliefde Vivienne. En later van zijn vriendin Susan Plummer. Maar in deze serie heeft de hoofdpersoon ook een stoornis opgelopen. Het script had oorspronkelijk, zo lees ik op IMDB, geen achtergrondverhaal over Robert. Denzel Washington heeft daaraan veel bijgedragen. McCall heeft een obsessief-compulsieve stoornis (OCS). Naast zijn dagelijkse fysieke en vechttraining vóór het filmen, ontmoette en interviewde Washington verschillende echte OCS-patiënten om inzicht te krijgen in hoe je die stoornis correct kunt spelen.
Obsessief-compulsieve stoornis is dat je oncontroleerbare en terugkerende gedachten ervaart. En repetitief gedrag vertoont. Zo legt McCall voor het eten steeds op dezelfde manier servet en bestek neer. Hij is super netjes in zijn appartement, bed strak opgemaakt. Het zijn vormen om controle te houden – vallen die weg dan breekt de chaos uit. We krijgen in de serie geen uitleg wat er in het verleden precies gebeurd is. Maar het controlegedrag wordt wel gepaard aan de berekenende en doeltreffende manier van het aanvallen en uitschakelen van de vijanden. Met het horloge erbij. De tijd van de vechtactie wordt ingeschat en opgenomen. Tot verbijstering van de arrogante boeven die denken de man in hun macht te hebben.

In deel 2 keert Robert McCall terug naar Massachusetts om te werken als Lyft-chauffeur. Wanneer Susan Plummer, dierbare vriendin, een fatale ontmoeting krijgt tijdens het onderzoek naar een gruwelijke executie in Brussel, moet de Equalizer met geweld verdergaan waar hij was gebleven. Vigilantes opereren vaak in een grijze zone tussen goed en kwaad. Hoewel ze streven naar gerechtigheid, kunnen hun acties controversieel zijn en kunnen ze zelfs worden beschouwd als gewelddadig of immoreel. Waarom de schurken niet aan het officiële  gerecht overgedragen?
Daar komt dan bij hun moeizame verhouding tot de autoriteiten. Vigilanten zijn buitenstaanders. Dit kan leiden tot spanningen en confrontaties tussen de eigenrechter en de wetshandhavers. In deze serie lopen de autoriteiten achter de feiten aan en zijn ze verwonderd: wie gaat er schuil achter Robert McCall? Daarmee zijn we terug bij de vraag: ‘Who are you?’ Om hun activiteiten te beschermen en te voorkomen dat ze worden opgespoord, houden vigilantes vaak hun ware identiteit verborgen. Deel 3 verplaatst ons naar Italië. De context van de VS maakt ontdekking gemakkelijker. Robert McCall bevindt zich nu in het hechte kustplaatsje Altamonte. De meedogenloze handlangers van de lokale Camorra-clan terroriseren onschuldigen. De Equalizer vecht om zijn hervonden vrede veilig te stellen. En de gemeenschap van Altamonte de ruimte te geven om vrij feest te vieren.

Opvallend is wel dat deel 3 opent met de kwetsbaarheid van McCall. De zoon van een maffiabaas – zojuist gedood door McCall – schiet hem in de rug. Hij realiseert zich dat onvoorzichtigheid zich aandient. Wordt hij oud? Hij knapt weer op, door de zorg van de dokter en het hele dorp. De makers trekken onze aandacht naar de religieuze context. Het kruis hoog tegen de bergwand. De kerk en een processie. Het is geen rem op het geweld, van de Camorra niet en ook van McCall niet. Hij blijft de keiharde. “Wat zie je als je mij ziet.” De kille ogen horen bij de serie. De mond zonder glimlach doet ook mee: die half afhangende lip. Als we vragen aar de persoonlijke ontwikkeling van de hoofdpersoon treffen we niet zoveel. Gedurende de film kan de vigilante een persoonlijke ontwikkeling doormaken, waarbij ze worstelen met de gevolgen van hun acties en proberen te groeien als individu. Dit kan gepaard gaan met twijfel, zelfreflectie en innerlijke conflicten. Daar zien we nauwelijks iets van.

Waarom vind ik dit zo boeiend? Het is in de eerste plaats de bevestiging van de gewenste orde: het kwaad kan niet ongestraft doorgaan. Waar de officiële kanalen haperen, bijvoorbeeld vanwege corruptie, is er toch iemand die recht doet. Ik heb het sterke gevoel dat Jezus met zijn geweldloosheid een andere benadering voorstaat – maar de menselijke hand naar recht doet me goed.
Daar komt dat bij dat ik wel vatbaar ben voor heldenverering. Goede kerel, die man op leeftijd. Washington is fit en wordt weer fit, hij zet door en combineert vriendelijkheid met meedogenloosheid. Ik ben het niet, althans dat laatste. Toch kan ik met genoegen de held bewonderen, ook al weet ik dat de werkelijkheid vaak zo niet gaat. En stiekem denk ik ook: gelukkig ben ik niet zo gestoord als Robert McCall.
En ten slotte: ik laat me graag anderhalf a twee uur afleiden uit het burgerlijk bestaan dat ik leid. Ik geniet van de strakke actiescenes en de goede dialogen en oneliners. Als ik op IMDB de goofs bekijk valt me vaak op dat ik die allemaal gemist heb. Ik houd te weinig distantie als ik zulke film de eerste keer bekijk.

Naar aanleiding van: Equalizer (2014). Regie Antoine Fuqua; Denzel Hayes Washington als Robert McCall; Marton Csosas als Teddy en Chloe Grace Moretz als Teri. “When you pray for rain, you have to deal with the mud too”.

The Equalizer 2 (2018). Regie Antoine Fuqua; Denzel Hayes Washington als Robert McCall; Pedro Pascal als Dave York en Ashton Sanders als Miles Whittaker. “There are two kinds of pain in this world. The pain that hurts, the pain that alters.”

The Equalizer 3 (2023). Regie Antoine Fuqua; Denzel Hayes Washington als Robert McCall; Dakota Fanning als Emma Collins en Andrea Scarduzio als Vincent Quaranta. “Nine seconds. That’s what I’ll give you to decide your fate. Nine seconds.”

De film Death Wish (1974) met Charles Bronson als Paul Kersey is een beroemde voorloper in het genre.

De Equalizerserie is te zien op Netflix.

Thriller met boodschap

Vlijmscherpe tranen is de winnende thriller van 2023. Volgens de VN Thrillergids: “Geestig, ontroerend en keelsnoerend spannend. De VN-Thriller van het Jaar is een bevrijdende omzetting van levenspijn.” (11) Het gaat om de levenspijn van twee mannen op leeftijd. Hun beider zoons waren gay. Dit homopaar voedde een klein meisje op. Op een slechte dag worden deze jonge mannen, Isiah en Derek, vermoord. De politie sluit al snel het onderzoek.
Hun vaders echter laten het er niet bij zitten. Ike en Buddy Lee is een bijzonder duo. De een is zwart (Ike), de ander wit (Buddy Lee), zij hebben gemeenschappelijk dat ze in de bajes hebben gezeten. Drank speelt ook nogal een rol in hun leven. Er moet veel weggeduwd worden. In het verleden hebben geen van beiden hun homoseksuele zoon geaccepteerd. In het conservatieve Virginia past dat bij een dominante norm in de samenleving. De gewelddadige dood van hun zoons brengt hen tot andere gedachten. Of eigenlijk eerst tot spijt, diep berouw. Wat hebben wij onze zoons aan aandacht en liefde onthouden? Teveel, veel teveel. Door de hele roman heen trekt die venijnige draad van wroeging. Het is echter ook een reden om in actie te komen. Gehard als ze zijn door hun levenservaring gaan ze de strijd aan met een motorbende en een elite-man die denkt dat hij alles kan maken. Iedereen vergist zich in Buddy Lee en Ike en dat brengt een meer dan vermakelijk relaas: “De dialogen zijn om te smullen, de karakters goud en het tempo is duizelingwekkend hoog.” (Thrillergids, 78)

Een paar jaar geleden was er ook al een Thriller van het Jaar die een actueel thema behandelde. Ster van het Noorden van D.B. John ging over christenen in Noord-Korea. Anno 2023 kiezen de juryleden dus voor een thriller over de regenboog community in de VS. Het is duidelijk dat Cosby een boodschap heeft voor de conservatieve christenen met hun leus: “God made Adam and Eve, not Adam and Steve”. De kwalijke Gerald – genius achter veel onheil – komt bij Buddy Lee eisen stellen om de ontspoorde zaak nog te redden. Buddy Lee geeft hem stevig repliek, met deze quote: “Wat denkt de man in de spiegel over de man die altijd zijn mond vol heeft van mensen die hij abnormaal en walgelijk noemt? Die altijd zegt dat het niet Adam en Steven is, maar Adam en Eva, terwijl hijzelf de hele tijd ligt te rampetampen met de t van lgbtq?” (284) Dat is het eerste statement: wie oordeel en zelf niet zuiver leeft, mist elke zeggingskracht.

Er zit nog een speerpunt in het boek: “Zouden ze echt denken dat jongens homoseksueel waren omdat je geen goede vader was geweest?” Ike hoort het zeggen als jij ergens in een kapperszaak is. Ik denkt: “Hij was misschien niet de vader geweest die Isiah zich had gewenst, maar zelfs hij wist dat zijn zoon niet dáárom homo was.” (199) Als je echt homo’s en lesbiennes gesproken hebt, kun je je bijna niet voorstellen dat er mensen zijn die dit denken. Maar ik maak me geen illusies. Niet over bepaalde staten in de VS maar ook niet over mensen in Nederland. In elk geval, deze superspannende thriller maakt het heel voelbaar hoe een perspectieven op seksuele geaardheid enorm kunnen verschillen. En daarom ook onderling strijdig worden. Dat mens strijdbaar, in eerste instantie verbaal. En dat kan soms gewelddadig worden. Beter probeer je buiten die sfeer om je beeld scherp te stellen, door gesprek, rechtstreeks, nieuwsgierig en open.

De confrontatie die Ike en Buddy Lee zoeken leidt tot een slagveld. Wraak lijkt het juiste woord. Je verdient het niet te leven als je twee jongens als Isiah en Derek vermoordt, of daartoe de opdracht geeft. Eerlijk geeft Ike toe dat het eigenlijk haat is: “Mensen doen graag alsof wraak een gerechtvaardigd motief is, maar het is gewoon haat in een mooier jasje.” (299) Als lezer ben je toch in zekere zin bevredigd. Is het recht dat gedaan is? Wie zal het zeggen? Jezus voltrekt het laatste oordeel. Intussen heeft het hier op aarde wel een functie, al die actie, die gerichte haat. Ike kan aan het slot zich voornemen om een goede opa te zijn voor het meisje Arianna. Dan komen de tranen. “Dit keer voelden ze minder als vlijmscherpe messen. Meer als het langverwachte antwoord op een treurig gebed om regen.” (334)


Naar aanleiding van: S.A. Cosby, Vlijmscherpe tranen. Amsterdam: The House of Books, 2023. Vertaald uit het Engels door Henk Moerdijk. Oorspronkelijke titel: Razorblade Tears, uitgegeven door Flatiron books een imprint van MacMillan Books, New York, 2021.

Ontdekt worden?

A Wat doe je als je als auteur het eerste hoofdstuk van je roman opent met: “1. De vrouw is de eerste met wie hij moeite heeft, als spoedig gevolgd door de man.” (5)? J.M. Coetzee schrikt niet terug voor een of ander vervreemdingseffect. Dat is in zijn omvangrijke en bekroonde oeuvre wel duidelijk geworden. Maar wat doet hij nu, in zijn nieuwe roman De Pool? Hij nummert per hoofdstuk de alinea’s. Hoofdstuk Een heeft er 28, hoofdstuk Twee 41, hoofdstuk Drie 44, hoofdstuk Vier 19, hoofdstuk Vijf 20 en hoofdstuk Zes geen. In het slothoofdstuk staan twee brieven van de vrouw aan de man, waarin opgenomen twee gedichten die de man schreef voor of over de vrouw. Coetzee wekt zo de indruk, althans bij mij, dat wij auteursnotities lezen. De flow van het verhaal, het moet gezegd,  wordt er nauwelijks door gehinderd. Het boek leest als een roman zonder nummers. Maar wij lezers staan steeds even voor een klein drempeltje. Niet alleen een witregel, ook een nieuw nummer. Soms is het volgende niet meer dan een zin, zoals bij het eerste nummer van het eerste hoofdstuk. Soms is het een langer deel met eigen alinea’s.

B Die eerste zin van het eerste hoofdstuk vraagt onze aandacht ook voor de schrijver. Er is een alwetende verteller die ons een derde-persoonfiguur voorstelt. Deze ‘hij’ heeft moeite met de twee hoofdpersonen van de roman. Het thema van de roman is hier mee wel genoemd: stugge en ingewikkelde relaties tussen mensen. Ga maar na. Een Spaanse vrouw ontmoet in Barcelona een Poolse concertpianist. De taal is een probleem, de afstand, de sekse en de seks, de burgerlijke status, de dood, alles wat zo’n beetje kan hinderen komt als terloops ter sprake. De toenadering van de man is gemeend, zo lijkt het, maar heeft een achtergrond. Haar reserve is begrijpelijk maar uiteindelijk toch ook weer niet zo groot dat zij alles afhoudt. Na de dood van de Pool blijft zij toch in hem geïnteresseerd, zij laat de gedichten vertalen die hij voor haar naliet. De openingszin spreekt slechts over ‘de vrouw’ en ‘de man’. Daar heeft ‘hij’ moeite mee. De schepper van beide. Iedereen dus. Klaar ben je.

C “In het begin is hem volkomen duidelijk wie de vrouw is.” (5) Zo opent onderdeel 2 van het eerste hoofdstuk. Je krijgen hier al het vermoeden dat het gaat uitlopen op onduidelijkheid. Zij wordt een raadsel. Maar bij de start is het zo dat zij getypeerd kan worden als goed, aardig en vriendelijk. “Met de man ligt het moeilijker.” (6, openingszin punt 3) Hij is nog niet voor het voetlicht getreden of hij begint te veranderen. De verteller zegt dat de beide personen het hele jaar op de deur hebben geklopt. “Is nu, eindelijk, hun tijd gekomen?” (7, punt 4) De vrouw is Beatriz, lid van een Kring die recitals organiseert in de stad Barcelona. De pianist is Witold Walczykiewicz, voor het gemak maar de Pool. (7) We blijven de schepper van deze mensen zijn opmerkingen horen noteren. Punt 7 van hoofdstuk Een: “Waarom is Beatriz’ eigen man niet van de partij? Het antwoord: omdat hij nooit avonden van de Concertkring bezoekt.” (9) Beatriz heeft dus vooral de aandacht van de schrijver. Als hij de twee zoons van Beatriz geïntroduceerd heeft, lezen we: “Hun vader heeft ontegenzeggelijk een succes van zijn leven gemaakt. Over hun moeder valt dat niet met zekerheid te zeggen. Is het genoeg om tweede zulke weldoorvoede, energieke jonge kerels op de wereld te hebben gezet?” (13)

 D Goede vraag. Wat is genoeg om een leven tot succes te maken? Gaat het daarover in de roman? Het valt me op dat de tekst soms cursief staat. Ik moet nu goed opletten, zegt dat toch, dit is belangrijk, meer dan de gewoon gedrukte tekst. Ik pak flarden ervan op. Bijvoorbeeld op p 20 waar het gaat over geluk: “Iedereen kan gelukkig zijn, maar er is een bijzonder iemand voor nodig om ongelukkig te zijn…” En even verder: “… is mevrouw al lang geleden weggelopen om geluk in de armen van iemand anders te vinden?” Beatriz wil serieus genomen worden. (13, 27) Ze houdt de controle als zij en Witold een paar dagen samen zijn. (79, zie ook 51) Maar intussen knaagt haar geweten (56) en de auteur noteert als commentaar: ‘Snood. Snood.’ (55 en 58). Bedoelt hij slim of misdadig? Gedurende het verhaal probeert zij haar reserves op te geven. De Pool neemt de ruimte die zij hem geeft. Hij is echt van haar gecharmeerd, zo lijkt het. Maar pas na zijn dood blijkt wat zij voor hem heeft betekend. Hij schreef gedichten. Zij laat die na zijn dood vertalen uit het Pools in het Spaans. Waarom? Zij wil weten waarom het hem toch niet gelukt is haar tot beter leven te wekken. (139) De Pool bleek van haar lichaam te houden. “… waar in de gedichten ziet ze het tot ziel getransfigureerde lichaam?” (139) Onbereikbaarheid is het is slotwoord. Of toch niet? (141)

E Van zoveel onzekerheid is geen verhaal te maken. Dan maar (korte) notities. Vrolijk word je er niet van. Ook al leest de roman prima weg, je leest de twee brieven aan het slot, in hoofdstuk Zes, toch als een verdrietig slotakkoord. Beatriz wil zich nog een en andermaal duidelijk uitdrukken. Want zij is niet ontdekt. En hij is niet transparant voor haar. Twee gewone mensen, wie heeft er aandacht voor hen? “Ik heb nooit iemand gevraagd over me te schrijven, jou noch iemand anders.” (146)
Tja, daar zit je dan schepper van zo’n vrouw. Ik kan me wel voorstellen dat je moeite met haar hebt. En dan ook met die man.
En wat denk je dan over jezelf?


Naar aanleiding van: J.M. Coetzee, De Pool. Amsterdam: Cossee, 2023. Vertaald uit het Engels door Peter Bergsma. Oorspronkelijke titel The Pole.

Wij nihilisten

‘Alles van waarde is weerloos.’ Deze zin uit een gedicht van Lucebert (pseudoniem van Lubertus Jacobus Swaanswijk, 1924-1994) zag ik voor het eerst in Rotterdam. Aan de Blaak, een verzekeringsmaatschappij had het in 1978 laten plaatsen. Soms hebben de reclamejongens goede voeling met de Nederlandse letteren. Ik kwam de gevleugelde uitspraak opnieuw tegen in het alarmerende geschrift Wij nihilisten van Hans Schnitzler. Wat hij me nu bijleert is dat direct op deze zin volgt: ‘wordt van aanraakbaarheid rijk’. Als zin opnieuw een poëtisch werkje (de r doet het goed) maar voor Schnitzler is het de kleine weergave van een grote inzet: de strijd om het behoud van de menselijke waarde. En hij heeft in zijn boekje willen aantonen dat het tijd is voor alarm. De techno-baronnen bedreigen met hun data-honger de beschaving.

Hoe kan het toch dat mensen hun recht op zelfbeschikking hoog in het vaandel hebben, en tegelijk hun hele hebben en houden uitleveren aan de data-slurpende tech-reuzen? Dat is de vraag die de auteur behandelt. Hij neemt geen genoegen met de clichés. Bijvoorbeeld, dat mensen nu eenmaal liever lui dan moe zijn. Er zit meer achter. De digitalisering komt met een grotere belofte naar ons toe: wij kunnen verlost worden van alles wat het bestaan onvoorspelbaar en grillig maakt. (36, zie ook 45 en 47) Die belofte klinkt in een wereld waarin wij God dood hebben verklaart. De filosoof Friedrich Nietzsche fungeert prominent in het betoog: wij zijn nihilisten geworden. Het Grote Verhaal waarin God het grillige leven in de hand heeft, heeft een onvoldoende gekregen in de westerse wereld. Dus betekent dat dat wij er alleen voor staan. Nu data-verzameling een enorme macht blijkt te zijn, zijn de nerds en hun bazen bezig dit niet alleen commercieel maar ook ideologisch om te zetten tot succes. We halen de bugs uit het leven en kunnen zelfs de grootste hobbel te lijf: onze sterfelijkheid. Want alles is terug te brengen tot informatie en die kunnen we permanent maken.

In korte intermezzo’s (in een ander lettertype) geeft Schnitzler columns over motieven en oogmerken van de data-jongens. ‘Data maken vrij’ is in drie pagina’s een beschrijving van het evangelie van het dataïsme. (29-31) “Onze centrale geloofsbelijdenis luidt: er is geen andere godheid dan Data en Algoritmus is zijn profeet.” De verspreiding over de wereld is de kerstening, we kunnen spreken van de predestinatie (alles ligt vast en is beschikt), er is de belofte dat we zo dichter bij elkaar komen, bij toetreding moet je je aan de regels houden: gebruikersvoorwaarden. Soms worden wij door de Grote Datascheppers aan een test onderworpen (lees: beproefd). Ware verlossing staat of valt met overgave aan de dataleer en zo kan ieder naar zijn bestemming worden geleid. “In onze gemeenschap is iedereen welkom. Toegang is gratis. Uw ziel is ons geluk. De redding van de mensheid is nabij. Data maken vrij.” (31)

Op Netflix staat op dit ogenblik een film over de ruimteplannen van Elon Musk: Return to Space. De mens moet een multi-planetaire soort worden. Reden: de aarde is niet langdurig houdbaar. Klimaatcrisis of een derde wereldoorlog, we hebben een way-out nodig. Er wordt systematisch aan doorgewerkt, niet meer (alleen) met overheidsgeld (NASA) maar (ook) met commerciële bronnen.
Zit daar het punt om de digi-grootmachten te beperken? Facebook en anderen ongenadig in hun portemonnee treffen als zij onze grenzen overgaan? Dat is wat ik nu vooral hoor. Maar Schnitzler roept op tot een tegenstreven dat positieve inhoud geeft aan wat echt belangrijk is. “De wil tot macht van de tech-lords vraagt dan ook om tegenmacht met als inzet een strijd om waarden. Hun streven naar wat je de definitieve oplossing van het mensenvraagstuk kunt noemen, met als doel niets minder dan de eindoverwinning op de menselijke natuur, vergt een tegenstreven dat die aspecten van ons mens-zijn beaamt die wij de moeite van het behouden waard vinden.” (132) Het boekje van Schnitzler is een teken van hoop. Zijn er meer lichtjes in over ons komende schaduw? Ik las dit voorjaar het essay van Phillip Blom. Hij pleitte voor een bezielend verhaal. Ik las ook het pleidooi voor de bevrijdende en verzoenende lach van Tim Fransen. Anders is het tragische bestaan niet te harden. Hans Schnitzler raak een gevoelige snaar als hij via Lucebert ons brengt bij de aanraakbaarheid. “Aanraakbaarheid betekent dat we, in overdrachtelijke zin, geraakt kunnen worden. Een oogopslag, een enkel woord, een hand op je schouder, de aanblik van een berglandschap of kunstwerk: of en hoe je geraakt wordt, welke stemming het oproept en wat de gevolgen ervan zijn, daar is nauwelijks vat op te krijgen, laat staan dat zoiets meetbaar is. We zijn tastende wezens en staan weerloos tegenover onze eigen aanraakbaarheid. Tegelijk maakt dat het leven juist zo waardevol: de rijkdom (en de inherente kwetsbaarheid) van het menselijk bestaan bestaat uit de wijze waarop iets indruk maakt en hoe iets resoneert. Vrij vertaald: nastrevenswaardig ideaal is niet zozeer de concrete bestemming, als wel de aandachtsvolle afstemming op je omgeving.” (144)

Ik denk dat hij hier niet ver meer is van het koninkrijk van God. En dat vertoont zich op planeet aarde. Om met Hannah Arendt te spreken: “De aarde is het wezen zelf van de menselijke conditie.” (123)


Naar aanleiding van: Hans Schnitzler, Wij nihilisten: Een zoektocht naar de geest van digitalisering. Amsterdam: De Bezige Bij, 2021. Klik hier voor zijn persoonlijke website.

Het complete gedicht van Lucebert:

De zeer oude zingt:

er is niet meer bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker wat er was
wat wordt wordt willoos
eerst als het is is het ernst
het herinnert zich heilloos
en blijft ijlings

alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk

als het hart van de tijd
als het hart van de tijd

(opgenomen als ongepubliceerd gedicht uit de periode 1952-1963 in Verzamelde gedichten, Amsterdam, 1974, 439)

Tragisch en komisch

Tim Fransen kan me gemakkelijk aan het lachen maken. Hij weet, naast allerhande flauwe grappen, soms absurde wendingen aan dingen te geven waardoor een situatie ineens opvalt. Hoe toevallig of tragisch iets is, en vooral hoe herkenbaar. Nu ik zijn boek Het leven als tragi-komedie heb gelezen, snap ik dat het hem vooral gaat om dat wat ons mensen bindt: het kwetsbare in dit leven. We zijn allemaal zonder uitzondering kwetsbaar omdat we met allerlei tekorten leven. Als we daar oog voor krijgen en de draak mee weten te steken, dan gaat het komische ons helpen om samen ons tragisch lot manmoedig te dragen: het leven als tragi-komedie.

In het eerste deel wijst hij ons op de basale tekorten die wij als mens onder ogen moeten zien: het lichamelijke, psychische, epistemische, morele en het existentiële tekort. Wat ons nu van veel dieren onderscheidt is dat wij ons bewust kunnen verhouden tot onze natuur: “Maar wat misschien wel het meest wonderlijke vermogen van de mens is, is dat we niet met onze natuur samenvallen.” (95) Daarom wij verzinnen wij van alles om onze tekorten te corrigeren. Zo is de wetenschap groot geworden vanwege de claim wat we ons kennistekort kunnen verkleinen.
Dat we tragische wezens zijn, betekent dus niet dat we de hoop opgeven. Maar Fransen vindt het wel verontrustend dat wij de illusie koesteren onze onoplosbare problemen werkelijk te kunnen oplossen. Religie is wat hem betreft zo’n illusoire poging. Maar de tijd van religie is voorbij. De mens heeft God gedood, aldus Fransen, aldus Nietzsche (1844 – 1900). Dat heeft echter wel een prijs. “Dit alles resulteert in een zekere onvermijdelijkheid van het lijden; in een inherent tragische component van het bestaan. Er is echter een manier waarop dit alles in een ander licht zou kunnen komen te staan, namelijk als het menselijk lijden een rechtvaardiging had gehad. Daarom is de dood van God mogelijk de meest bepalende gebeurtenis in de menselijke beschaving. Nadien houdt de wereld op een bedoeling te hebben. Vanaf dat moment ontbreekt een ultieme rechtvaardiging voor ons lijden.” (89)

Maar mensen ontwikkelen optimistische dogma’s, positieve illusies noemt de psychologie die. Superioriteit, onrealistisch optimisme en de waan van controle. Dat vertaalt zich in het aantrekkelijke idee dat er ergens een volmaakte oplossing te vinden is, de perfecte harmonie. Maar de werkelijkheid is dat er conflicterende waarden zijn. (104) Dat heeft Fransen opgepikt bij de filosoof Isaiah Berlin (1909 – 1997). Helaas heeft een groot deel van de mensheid dat omgezet in de strijd om de ene absolute waarheid. “De illusie van de superioriteit en onschendbaarheid geeft een zekere bevrediging.” (114) De ander moet geloven wat jij gelooft. Maar behalve dat zij een ontkenning van de realiteit is, ziet Fransen een ander gevaar: het is destructief en ondermijnt de solidariteit. “Het is mijn overtuiging dat onze hoop als mensheid is gelegen in de vraag of het ons lukt de ander te zien, niet als een existentiële bedreiging voor ons wereldbeeld, maar als iemand die met dezelfde kwetsbaarheid beweegt in een wereld die allesbehalve barmhartig is.” (115)

Fransen neemt in het tweede deel van zijn boek ons mee naar de kracht van het komische. Hij stelt daar dat de ruimte voor de humor pas groot kon worden na de dood van God. “Om de morele of existentiële Waarheid mag niet gelachen worden. Zij is absoluut, en het absolute kan en mag niet gerelativeerd worden.” (125) Zo’n waarheid heeft vaak een bijpassende hiërarchie: tussen mensen die het zien en die het niet zien en een gelaagde orde in de kosmos en samenleving. Lachen doe je dan naar beneden, om de minderwaardige figuren. “Met de kosmische orde in scherven, ondergaat de potentie van het komische een radicale transformatie. Zonder waarheid over wat er precies de bedoeling is, zonder waarheid over het hoogste Goed, zijn we in zekere zin allemaal dwaas geworden.” (130)

Ik heb het gevoel dat ik nu voor het eerst snap dat je bij bepaald soort cabaret ongemakkelijk begint te draaien. Het heilige wordt bespot en omdat het niet alleen heilig maar ook hoog is, gaat dat over de grens. Zo vind je in de christelijke cultuur humor genoeg, maar grappen over God… nee. In de Bijbel zoek je die tevergeefs, en het is in het algemeen weinig lachwaardig wat er beschreven wordt, hooguit in het verband met spot.
En tegelijk zegt er iets in mij dat het in een seculiere samenleving moet kunnen. Misschien ben ik zelf te seculier geworden. Ik denk: stoot je je eraan, dan kijk je toch niet? En even seculier met Tim meegedacht: als we het komische gebruiken op grond van herkenning en humaniserend (145, zo van: het had ook mij kunnen overkomen), dan kan dat inderdaad helpen ons tragische bestaan te verlichten. Zo je wilt: je met de ellende te verzoenen. Fransen gaat de vijf dimensies van tekort langs. het is helder dat je bij het morele tekort wel heel goed moet uitkijken (163-175) Maar op de man af gevraagd stelt hij: nee, er is niets zo heilig dat het buiten de grapsfeer moet blijven. (175) Je kunt hooguit zeggen dat niet alle grappen geslaagd zijn.

Het boek laat mij achter met de vraag of het geloof in één waarheid ook anders dan superieur kan worden (en dus niet potentieel gewelddadig). Als de waarheid nu eens een persoon is. Die wel een eigen identiteit heeft maar alleen contextueel te kennen is en daarom niet absoluut is. Als die persoon nu eens zijn volgelingen nu eens oproept om onrecht te lijden en onbaatzuchtig te leven… zou dan het menselijk tekort niet ook door een dergelijke houding, solidair worden benaderd?
Dan moet de verkondiging  van de naam en faam van die persoon in een seculiere omgeving dialogisch zijn, zonder dwang. En daarom is er niet een hiërarchische orde die onlosmakelijk met hem verbonden is. Blijft wel over dat hij een figuur is waar ontzag omheen hangt. Dat maakt humor lastig.


Naar aanleiding van: Tim Fransen, Het leven als tragi-komedie: Over humor, kwetsbaarheid en solidariteit.2 [Amsterdam] Das Mag Uitgevers, 2021 (eerste druk 2019 als essay van de week van de Filosofie).
In zijn eerdere boek Brieven aan Koos (2018) vertelde hij over zijn weg naar berusting die hij vond, ‘in onze merkwaardige menselijke conditie’. Door zijn reizen leerde hij dat het gebrek aan Absoluut Fundament geen belemmering is om dingen de moeite waard te vinden. “Sterker nog, alles wat ik in dit leven van waarde acht, zie ik nu als innig verstrengeld met onze metafysische tekortkomingen en ons gezamenlijke lot op aarde: de noodzaak van solidariteit, de mogelijkheid van troost, humor die ons de nodige ademruimte verschaft en waardoor we onze absurde conditie met lichtheid kunnen aanschouwen, misschien zelfs met een vreugdevolle lach.” (231)

Lachen in de Bijbel:

  • God lacht spottend om de machteloosheid van zijn vijanden: Psalm 2,4
  • De Wijsheid lacht om de ellende van de dwazen: Spreuken 1,26
  • Mensen lachen de bedriegers uit die door God worden gebroken: Psalm 52,8
  • Mensen lachen omdat hun leven een positieve wending neemt: Psalm 126,2
  • Vijanden lachen Gods volk uit: Klaagliederen 1,7; Habakuk 1,10; Job 41,20 (Leviathan)
  • Mensen lachen soms maar hebben innerlijk pijn: Spreuken 14,13
  • Prediker vindt vrolijkheid eigenlijk dwaasheid: Prediker 2,2; 3,4; 7,3 en 6
  • Abram en Sara rond geboorte van Izaäk: Genesis 17,17; 18,12-15; 21,6 “Met Abram en Sara begon de joodse traditie van humor die uit nood wordt geboren.” Meir Shalev, In den beginne: Eerste keren in de Bijbel. Amsterdam: Ambo/Anthos, 2011, 240.

Umberto Eco, De naam van de roos.5 Amsterdam: Bert Bakker, 1984, 139-142: “Jorge maakte een geërgerd gebaar: ‘Met uw woordenspel over de lach verleidt u mij tot ijdel gepraat. Maar u weet dat Christus niet lachte.’” (141)

Lees over de rol van spot en humor ook Peter Sloterdijk, Het heilig vuur: Over de strijd tussen jodendom, christendom & islam. Amsterdam: Boom, 2008, 113 en 123.