Wondverzorging

Lockdown, avondklok, anderhalve meter, geen handen geven, de coronapas, de vaccinaties en de boosters, hoelang is het geleden? Nauwelijks driekwart jaar. Het lijkt een vervlogen, boze droom. Festivals, terrassen, uit eten, het kan weer, net als handen geven, zingen en hoesten in de buurt van anderen, geen pas meer, geen testen. We vliegen als vanouds naar Mallorca en verlangen naar meer koopkracht want consumeren is ons ding. Onze zorgen besteden we aan de volgende crisis die ons uitgavenpatroon raakt: de energie, de inflatie en we kijken ook nog hoofdschuddend naar de schandvlekken op ons beschaafde imago: de opvang van asielzoekers, de onmacht de overheidsschade aan burgers te repareren, en meer van dergelijke groteske zaken.

Hoe hebben wij de coronatijd doorstaan? Deze vraag gaat verder dan de herinnering. Het is evalueren: op waarde schatten van twee jaar reageren op een besmettelijk virus. Evalueren heeft meestal als doel om in de toekomst de herhaling van eerdere missers te voorkomen. Het kan echter ook een vorm van heling zijn. Trots en schaamte, eer en schuld, onze menselijke conditie geeft als levensles mee dat wij die houdingen moeten behandelen. Als we gevolgen van ons reageren op ontwrichtende gebeurtenissen typeren als ‘wond’, dan komt het nu aan op wondverzorging en geduldig kijken hoe het organisme in nieuwe balans komt. En het litteken bewaren. Kortom, heling. Ronald Meester (* 1963), hoogleraar waarschijnlijkheidsrekening aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, schreef een boek dat voor het helingsproces bedoeld is: Wetenschap als nieuwe religie: Hoe corona de spirituele schaarste in de samenleving blootlegde. “Ik denk ook dat we als samenleving een bepaalde ‘heling’ nodig hebben, want de crisis heeft diepe wonden geslagen. Elke heling vraagt transparantie: wat is er gebeurd? Het is niet mijn bedoeling om te polariseren of mijn gelijk te halen, maar wel om met mijn analyse een bijdrage te leveren aan het gesprek over wat er is gebeurd. Dat kan, hoop ik, ons alleen maar helpen.” (22, zie ook 201). Zijn doel is te verhelderen wat er gebeurde en vanuit welk perspectief er werd gekeken naar effecten van het virus in ons midden. Dat kan ook duidelijk maken waarom de emoties op hoog opliepen. Als wij ‘de spirituele schaarste’ onder ogen willen zien, kan ook de vraag naar een nieuw, rijk verhaal gesteld worden.

Om te beginnen: spirituele schaarste, dat woord uit de ondertitel. Meester verwijt het de samenleving en vooral de mensen die ingrijpende beslissingen hebben genomen. Door de wetenschap als een religie te beschouwen, is de wetenschap overvraagd. Een groot levensbeschouwelijk verhaal ontbrak. Dát is de schaarste. Maar Meester kijkt ook verwijtend richting de kerken. “Ik vroeg me af of de kerken zichzelf eigenlijk wel serieus genoeg namen, en of ze niet stiekem een knieval maakten voor de ogenschijnlijke superioriteit van het getal, de wetenschap en de ratio.” (151) Ik geef Meester voor een deel gelijk. Wij hebben ons laten imponeren door de verhalen van angst voor besmetting en dood. We hebben als kerken ons gedragen alsof we niet zo essentieel waren. In de eerste lockdown was het geen vraag voor het bestuur van de kerk en de leden: alles dicht. Later ontstond discussie, en bleef alles dicht. We zeiden dat God zich bedienen kan van de kennis van de wetenschap. Als de deskundigen beslissingen voorstellen dan zetten zij hun kennis van mens en schepping in ten bate van het welzijn van de burgers. We voegden daarbij onze gehoorzaamheid aan de overheid. Want de heilige apostelen wezen de christenen in de Romeins-Griekse cultuur daarop. Zij leefden onder het bestuur van keizers die voor christenen weinig respect hadden.

Het probleem met de eerbied voor de deskundigheid is dat het intussen serieus de vraag is of de voorgestelde maatregelen wel effectief zijn geweest. En of de wetenschap ons wel kan helpen met het afwegen van de belangrijke waarden in ons leven: wat krijgt de voorrang?
Het probleem met het tweede is dat wij niet of nauwelijks Jezus’ rebelse kant hebben laten gelden. Jezus was rebels, aldus Meester. De Heer gebiedt ons God op de hoogste plaats te zetten: liefde voor Hem met heel je hart, ziel, verstand en krachten. Revolutionair is dat Hij er direct aansluitend een dubbelgebod van maakt. De grenzen van de wet mogen overtreden worden als de liefde voor de medemens daarom vraagt. (161) Solidariteit is bij Meester het kernwoord: dat hadden de kerken moeten tonen en daar luid hun stem over moeten verheffen. Kerken hebben niet geprotesteerd toen de overheid het Corona Toegangsbewijs introduceerde, waardoor een gedeelte van de samenleving verstoken bleef van veel sociaal verkeer. “Over solidariteit gesproken. Dáár hadden de kerken zich sterk tegen moeten verzetten, met alles wat in hen was.” (152)

Ik herinner me van de vele bestuursvergaderingen dat wij het niet eens waren. De meningen waren sterk, dik, rijk en vooral verschillend. Maar ja, uiteindelijk moest er wel een besluit genomen worden. En niet steeds opnieuw. Dus gingen we de aanwijzingen van het landelijk overleg tussen overheid en kerken (CIO) volgen. Of de vertaling ervan voor de kleine gereformeerde kerken van het Steunpunt Kerkenwerk. Ik zou dat niet spirituele schaarste willen noemen. Het was de botsing van overvloedig spirituele perspectieven, in de diepe overtuiging dat andere opties je in strijd bracht met de liefde en het gebod van de Heer. Het had tot gevolg dat wij bij elke wending in de situatie vooral een maatregelen-verhaal communiceerden met de leden. Kerken die afweken kregen de Nederlandse pers over zich heen en dat wilden we voorkomen. Daar voel ik dat we tekortgeschoten zijn. Het ontbrak ons aan lef. De moed om een afwijkend verhaal te vertellen en daar de eventuele hoon over te incasseren. En, ik vraag het eerst aan mezelf, gaat dat niet terug op het ontbreken van een Groot Verhaal dat met opgeheven hoofd publiek gedeeld kon worden? Móest worden, als bijdrage aan het welzijn van het land.

Dat grote verhaal begint, naar mijn diepe overtuiging, met de permanente viering van heilig avondmaal en het niet aflatende gebed tot de Heer. Daarom mag het kerkgebouw niet dicht. De Heer heeft aan de kerk de sacramenten toevertrouwd. De maaltijd van de Heer, de dankzegging (eucharistie) is bedoeld om te herhalen, totdat Hij komt (1 Korinte 11,26). Dat eschatologische perspectief zet een samenleving in een uniek licht. Alles wat wij doen en verzinnen moet gericht zijn op de Heer die eens verschijnen zal. De Eigenaar die thuiskomt en de tijdelijke bewoners van zijn pand ontmoeten wil om te zien hoe zijn eigendom ervoor staat. Om te blijven herinneren wie wij dan voor ons hebben, eten wij het brood en drinken uit de beker: de gedachtenis aan de bittere dood die ons het vrije leven geeft.

De dood greep om zich heen in het begin van de pandemie. De besmetting met het virus riep de doodsangst op: wat gebeurt er met me als er geen plek is op de ic omdat alle bedden bezet zijn? Wat als ik doodga? “Wie in Mij gelooft, leeft, ook al is hij gestorven,” zei de Heer tegen een verdrietige vriendin. (Johannes 11,25) Zo vaak wij dit brood eten wordt de claim om gezond verder te gaan waar we voor de pandemie gebleven waren onder kritiek gezet. Zo vaak wij de slok uit de beker nemen, weten wij dat wij onze inzet als vrije mensen kunnen geven voor dienst aan de naaste. Daar komt de solidariteit van Meester in zicht.

Maar voordat wij na de Maaltijd de kerk uitlopen en onze diensten aanbieden, gaan we op de knieën. Het gebed is het belangrijkste van de dankbaarheid die de Heer van ons vraagt. Hoe zei Mozes het tegen Israël, aan de grens van Kanaän, toen hij hen Gods wetten voorhield? “Leef ze strikt na, dan toont u wijsheid en inzicht. Alle volken die dat zien en van deze wetten horen, zullen zeggen: ‘Wat is dat grote volk wijs en verstandig!’ Want welk volk, hoe groot ook, heeft goden zo dichtbij als wij de HEER , onze God, telkens als wij Hem om hulp roepen?” (Deuteronomium 4,6-7) Geleerd door onze Heer, spreken wij de Almachtige aan als Vader en roepen Hem te hulp. Want de taken zijn groot en veel en onze krachten gering. Met het gebed van Jezus in ons achterhoofd is onze eerste vraag of God ervoor wil zorgen dat zijn Naam met respect klinkt op aarde, dat mensen zich gaan beschouwen als burgers van het hemelrijk en dat wij als christenen het goede voorbeeld geven in het uitvoeren van Gods wil. Voordat wij toekomen aan vragen over ons voedsel, de vergeving van onze schulden en de bescherming tegen het kwaad, realiseren wij ons de hoofdzaak: Gods komende rijk. Het is vechten om het juiste perspectief te houden. Want onze samenleving is niet bezig met Gods naam, de komst van zijn Rijk of het uitvinden wat de wil van God is. Gezond geluk en veiligheid voor de meeste mensen, is een van de betere aardse idealen, dubieuzer is het streven naar het perfectioneren van de menselijke soort en het overwinnen van de dood, en misschien reëler en gewoon kwalijk: eet, drink en geniet tot je dood gaat, kortom: carpe diem. Hoe houden we gelovig focus in zo’n omgeving? Avondmaal vieren en bidden. Als onze hemelse Vader ons blijft verzorgen met wat wij nodig hebben, dan snappen we ook waarom wij ons gebed afsluiten met de lofprijzing op zijn koningschap, macht en glorie. Met dat vertrouwen gaan we zien hoe wij onze naaste kunnen dienen. En zo werken wij aan onze karaktervorming: we leren nederigheid, treuren om zonde, onrecht en tekort; we leren zachtmoedigheid, verlangen naar gerechtigheid, barmhartigheid, zuiverheid van hart, vrede stichten; en incasseren waar het gaat om staan voor het recht van de hemelse koning op aarde. (Matteüs 5,1-10)

In de pandemie 2020-2022 hebben we dat niet helder genoeg verwoord. Ik zal niet zeggen dat wij het verzwegen. Ik kan voorbeelden geven van preken, gebeden en meditaties waarin ik dat heb gezegd. Maar onze praktijk in en om het kerkgebouw liet niet zien dat deze geloofswaarden ons dreven. Eerlijk, we waren het gewoon te weinig eens. De argumenten die Meester noemt (167vv) popten ook op in onze discussies: angst voor besmetting, en dus schuldig worden aan de ziekte of dood van een ander; door extra besmetting de zorgmedewerkers belasten; angst voor publieke hoon en negatieve media-aandacht; niet ongehoorzaam willen zijn aan de overheid. Wat veel minder naar voren kwam is dat het leven zelf een gift is, en dat de enige ware kwaliteit van leven gelegen is in het kennen van de Heer. Dat is wat de heilige apostel Johannes ‘eeuwig leven noemt’: “Het eeuwige leven is dat zij U kennen, de enige ware God, en Hem die u gezonden hebt, Jezus Christus.” (Johannes 17,3)  En zijn collega-apostel Paulus brengt het kort en krachtig onder woorden: “Breng het goede dat God u schenkt geen schade toe, want het koninkrijk van God is geen zaak van eten en drinken, maar van gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest. Wie Christus zo dient, is God welgevallig en bij de mensen geacht.” (Romeinen 14,16-18)

Ronald Meester stelt terecht dat ons maatschappelijk verhaal niet opgewassen is tegen de crises van deze tijd. “Onze technische, rationele en wetenschappelijke visie op de wereld heeft op bepaalde punten geholpen, maar op andere punten de zaak absoluut geen goed gedaan. Het is een zeer eenzijdige visie.” (10) Volgens hem moeten we op zoek naar ‘misschien wel een nieuwe metafysica, een nieuw overstijgend verhaal waarin moderne wetenschap, religie, filosofie, ethiek, recht en levensbeschouwing allemaal een rol spelen’. (17) Nu weet hij ook dat kerken geen patent op levensvragen en – antwoorden hebben en dat hun rol bescheiden zal blijven. (150) Zo is het. Maar dit speelt ook mee: de Heer vraagt niet minder dan bekering en een onvoorwaardelijke toewijding aan zijn zaak. (1 Korinte 7,35) Daarbij raken gezondheid en behoud van koopkracht op het tweede plan (wanneer hoor je Paulus er ooit over?), zij blijven ver achter de karaktervorming die het leven met Christus zal opleveren. Wie in Nederland ziet dit als een bijdrage aan een nieuw wenkend en samenbindend groot verhaal voor de moderne samenleving?


Naar aanleiding van: Ronald Meester, Wetenschap als nieuwe religie: Hoe corona de spirituele schaarste in de samenleving blootlegde. Amsterdam: ten Have, 2022. Klik hier voor een uitgebreid gesprek tussen Ad Verbrugge en Ronald Meester.

De Bijbel leest ons leven

De waarheid is een persoon en dus is de waarheid relationeel. Dat is kort samengevat wat ik geloof als het gaat om de waarde van de Bijbel in het geloofsleven. Het boek zoals wij dat hanteren is bedoeld om de geloofsrelatie te bevestigen. De band is gelegd door de Geest van de Heer zelf. Dat mysterie laat zich niet ontrafelen. Die band wordt keer op keer verstevigd door de rituelen die de kerk van de Heer beheren mag, waarvan de heilige doop, het heilig avondmaal en de heilige menselijke dialoog de belangrijkste zijn. Om en in deze rituelen speelt de tekst van de Bijbel een rol. Ook daarvan maakt de Geest van de Heer gebruik, in het midden van de geloofsgemeenschap. Daar wordt de waarheid van een Bijbelwoord samen gevonden. Voor nu, voor hier. Soms net als vroeger, soms anders als vroeger. Later zal het net zo zijn, of ook weer anders. De belijdenissen van de vroeg-christelijke geloofsgemeenschap verwoorden wat wij ook nu nog vinden. Vooral het Apostolicum en het Niceanum. En uit de tijd van de Reformatie de Heidelbergse Catechismus. Deze belijdenissen over de Heer vormen onze leescontext, samen met de tijd van nu. In deze context kennen wij de HEER onze God, Jezus Christus.

Zo lees je en wordt je gelezen. Dat is wat ik meeneem nu ik het boek van Arnold Huijgen uit heb: Lezen en laten lezen: Gelovig omgaan met de Bijbel. “Intussen is Jezus Christus zelf geen onderdeel van de tekst van de Bijbel. Hij is immers een persoon, geen tekst. De schrift draait om Hem en de Schriften verwijzen naar Hem, maar de Schrift is niet Christus en Christus is geen tekst.” (63) Kijk, als je dat schrijft, dan heb je mij aan je zijde. Ik vind het daarom ook betekenisvol dat Israël en later de christelijke gemeente een tijd zonder canon leefden. Er was live prediking door profeten en getuigen. De Geest bevestigde een en ander door wonderen en tekenen. Vanwege noodzakelijke nazorg na gemeentevorming komt er correspondentie op gang. Het vertelde verhaal over de Heer wordt opgeschreven. De Bijbel volgt op de levende werking van apostelen, evangelisten, oudsten, rituelen. In een missionaire context vraagt dat om lef en volharding en vanwege dreiging van binnen en van buiten blijken de geschriften contextueel bepaald. Niet de Heer is contextueel bepaald, maar wel de heilige geschriften. Als wij in dezelfde spanning van geloof en ongeloof staan, is de existentiële lezing van Huijgen een welkom advies. “Hoe gaan we om met allerlei voorschriften en bepalingen die ons tegenwoordig vreemd zijn? Ik stel voor om ze vanuit het leven te lezen. Dat is allereerst lezen vanuit Christus en met het oog op Christus die ons leven is. Christus is nooit zonder zijn gemeente en als we de broeder groeten, groeten we Christus zelf en groeten we namens Christus.” (178)

Daarbij aansluitend nog een citaat waarmee ik instem: “Eigenlijk is sola scriptura een misverstand. Het is gaan gelden als een soort slogan, een samenvatting van waar het de Reformatie om ging, maar bij de reformatoren zelf kom je de uitdrukking nauwelijks tegen, al helemaal niet als een soort program van wat zij wilden.” (162). Huijgen introduceert veel Luther in zijn betoog. Hij denkt met de Reformator mee en leert ons: de Reformatie wilde de traditie niet afschaffen. “Als we de term sola scriptura al willen gebruiken, zal dat alleen zinvol kunnen in samenhang met de andere zogenaamde sola’s van de Reformatie:…”: sola fide, sola gratia, solus christus. (163-164) Wel voeg ik hier een punt toe: het beslissende van de Bijbel zal toch in een gemeenschap geaccepteerd moeten worden. Iedereen kan een mening hebben, velen kunnen deskundig zijn of worden, en soms wordt je het over de uitleg niet eens. Wat is de bandbreedte van de gemeenschap? Volgens mij kan dat niets anders zijn dan de gezamenlijk aanvaardde geloofsbelijdenis. Alles wat dat weerspreekt kan wel binnen de vrijheid van exegese vallen; maar niet binnen de leervrijheid van die geloofsgemeenschap. En alles wat geloofd en geopperd wordt en buiten die vastgelegde confessietekst valt, is vrij en kan de invloed uitoefenen. Als de geloofsbelijdenissen niets zeggen over het geslacht van het ambt, kan binnen de belijdende kerk zowel een man als een vrouw daarin dienen. Het gesprek over Bijbelteksten zal niet overtuigen naar de ene kant of naar de andere kant. Daar zijn we veel te eigenwijs voor. Wat wel kan is dat de Bijbel vanuit andere teksten onze motieven leest en zo ons aanspreekt. Huijgen oefent aan het slot van zijn boek met 1 Petrus 3,1-7. Daar spreekt de heilige apostel Petrus de vrouwen aan die gehuwd zijn met een man die zich niet bekeerde tot de Heer. “Petrus reikt ons aan dat we de gegevenheid van ons man-zijn en vrouw-zijn aanvaarden. Niet kritiekloos, maar ook niet revolutionair. Het is belangrijkste is dat mannen en vrouwen de weg van Christus gaan, in navolging en liefde.” (215) Zo is het dus en dat heeft volgens mij als consequentie dat je in de lokale gemeente die navolging moet vinden. Wat in gemeente A samen kan, kan in gemeente B niet – het raakt niet aan ons gemeenschappelijk beleden geloof maar wel aan de liefde die we willen opbrengen voor de mensen die wij wekelijks in de ogen kijken als broer of zus in Christus.

Huijgen ziet in de werkelijkheid structuren. (179) Met de schepping gegeven. Dat brengt volgens hem een morele orde mee als scheppingsgegeven. Ik ben iets postmoderner dan Huijgen, denk ik. Wie construeert de inhoud van dit ‘gegeven’ en wie mag beslissen hoe daar de gedragingen bij passen? De machtsvraag is van belang, ook in de gemeente. Het misbruik ervan blijft vaak verborgen, maar voor de onderlinge beraadslagingen is het ophelderen ervan belangrijk. Daar komt dan bij dat enig historisch besef van verschoven grenzen in denken en doen, helpt om niet te snel met een ‘gegeven’ te schermen. Het is helder dat het oude Israël grenzen in het morele leven belangrijk vond. De heiligheidswetten waren verbonden aan reinheidswetten en dat scheidde grondig tussen mensen. Petrus haalde het niet in z’n hoofd bij een heiden naar binnen te gaan (Handelingen 10 en 11). Maar die muur is in Christus geslecht. Welke ‘muur’ hebben wij te respecteren? Ik weet niet of het antwoord vooraf te geven is. Wel samen te zoeken en dan te vinden. Tot de discussie door een nieuwe inbreng of nieuwe generatie heropend wordt. Kortom: waarheid is geen gegeven maar een belofte, voor nu en voor later.
Ik denk niet dat Huijgen dat zo bedoelt, maar ik heb het wel bij hem gevonden. “Dat Jezus Christus de Waarheid is, zal blijken als hij komt om de wereld naar waarheid te oordelen. De waarheid zal aan het licht komen als Jezus komt! We hebben de waarheid dus niet in onze binnenzak, en niet alleen in de rug, maar vooral ook voor ons, in de belofte.” (58-59, zie ook 47)


Naar aanleiding van: Arnold Huijgen, Lezen en laten lezen: Gelovig omgaan met de Bijbel.2 Utrecht: KokBoekencentrum, 2019.

“Wie alleen zegt dat de opstanding een historisch feit is, doet net zoiets als degene die zegt dat de Nachtwacht bestaat uit verf op doek. Het is wel waar, maar het is lang niet de hele waarheid. En dan vallen de Nachtwacht en die verf nog samen in een werkelijkheid en gaat het over materie, niet over een persoon. Als we eerlijk zijn, moeten we zeggen dat we nog helemaal niet weten wat de opstanding allemaal betekent.” (170)

Servomechanisme

Stel: je arm is te kort en je moet iets pakken, iets bereiken. Je zoekt een stok en zie daar, doel bereikt. Je hebt je fysieke beperking opgeheven door middel van een hulpstuk. Tijdelijk. Je blijft niet met die stok rondlopen. Maar nu het volgende: je zicht neemt af. Je koopt een bril. Je herwint je blik, misschien verbreedt je ‘m wel. Middelen die wij gebruiken kunnen onze leefwereld verwijden. De bril blijft op, je wil niet meer zonder. Je doet ‘m alleen af bij het slapen gaan. Of neem kleding. Zij beschermt ons tegen schadelijke weersinvloeden en creëert kansen. Met goede winterjassen en warme broeken kun je de barre polen van de wereld bereizen. Maar kleding is ook een taal. Je gaat je positie bepalen door wat je draagt of mag aandoen. Het middel is een boodschap.

Marshall McLuhan (1911 – 1980), Canadees filosoof en wetenschapper, schreef in de jaren zestig van de vorige eeuw een boek dat vandaag nog steeds invloed heeft: Mens en media. Lees eens deze zin: “Door ons voortdurend aan de technologieën te onderwerpen, komen we zelf in een verhouding ertoe te staan van machinale dienstbaarheid. Daarom moeten wij, willen wij deze voorwerpen, deze verwijdingen van onszelf, volledig gebruiken, hen dienen als goden of religietjes. Een Indiaan is het servomechanisme van zijn kano, de cowboy van zijn paard en het kantoorklerk van zijn horloge.” (56) Wie nu rondkijkt in het maatschappelijke landschap weet dat wij ons hebben uitgeleverd aan de (sociale) media. We kunnen niet meer zonder en ook de volgende stap is gezet: we willen niet meer zonder. Er zijn stemmen die oproepen tot verzet. Sommigen willen terug naar de ontmoetingen van aangezicht tot aangezicht. Beter een telefoontje dan een appje, beter een bezoekje dan een mail. Ik ben er zo een. Maar we weten: het is vechten tegen de bierkaai. We hebben nieuwe goden gecreëerd. Zij dwingen ons te dienen. De Psalmdichter wist het als geen ander te typeren: “Hun afgoden zijn zilver en goud, het werk van mensenhanden; zij hebben een mond, maar spreken niet, zij hebben ogen, maar zien niet, zij hebben oren, maar horen niet, zij hebben een neus, maar ruiken niet, hun handen – maar zij tasten niet; hun voeten – maar zij gaan niet; zij geven geen geluid met hun keel. Wie hen maakten, zullen worden als zij, ieder die op hen vertrouwt.” (Psalm 115,4-8)

Verwijdingen dus. Uit het Bijbelse verhaal kennen we Tubal-Kaïn, de vader van smeden, van allen die koper en ijzer bewerken. (Genesis 4,22) Dit begin is uitgelopen op actuele apps en algoritmen. Algoritmen kunnen wij lerend maken. Zo kan de machine zelfstandiger worden dan we hoopten. “Computer says no.” (Little Brittain, 2008). En dan kom je bij een toeslagenaffaire waarin technologie is ingezet voor onrecht.

Het is onweerstaanbaar dus, maar is het ook het ook onvermijdelijk? Ik denk het. Wij zijn open scheppingen. De Schepper gaf vrijheid bij de beperking. Maar nu lijkt het in de versnelling te raken. McLuhan zegt in het begin van zijn boek: “Snel naderen wij het laatste stadium van de menselijke verwijding: de technologische nabootsing van het bewustzijn, waarin het creatieve kenproces collectief en corporatief tot de hele menselijke samenleving verwijd zal zijn, al hebben wij nu al onze zintuigen en zenuwen door verschillende media verwijd.” (15) Hij moet in 1964 voorvoeld hebben wat wij beginnen mee te maken. En daarbij komt dat het verder gaat dan de individuele ervaring. Het gaat een samenleven stempelen: “Elke uitvinding of technologie is een verwijding of zelfamputatie van onze lichamelijkheid en een dergelijke verwijding vereist dat ook andere organen en verwijdingen zich in nieuwe proporties en een nieuw evenwicht schikken.” (54, zie ook 62) De prijs voor afhaken of achterblijven is excommunicatie. Je raakt buiten het gesprekscircuit of je loopt dood in de bureaucratie omdat je de middelen mist. Alleen bij mensen zijn die liefde, mededogen en zorg kennen is er bekommernis om achterblijvers. De zorgen daarover groeien met de jaren. Het geloof dat wij naar een betere maatschappij evolueren laat zich niet door actuele feiten ondersteunen. McLuhan kon dat nog wel geloven. Hij belijdt zijn geloof in een harmonie van alle zijn. (17) Wij zien eerder de kwalijke bijwerkingen van de uitvindingen. Die onderkende hij overigens al wel: “Een technologische verwijding van ons lichaam, bedoeld om een fysieke spanning te verlichten, kan een psychische spanning meebrengen die veel erger is.” (75) We zijn overprikkeld en weten niet hoe we het bombardement moeten stoppen.

In het tweede deel van zijn boek werkt hij concrete voorbeelden uit. Bijvoorbeeld over kleding, klokken, wiel of auto. Maar ook over het gesproken woord en het spel: “Spelen zijn dramatische modellen van ons psychische leven en brengen verlichting voor bepaalde spanningen.” (232) Bij het spel gaat het niet over het individu. Zij zijn verwijdingen van ons sociale zelf. En daarmee communicatiemedia. (240)

Dat opent de aanvullende gedachte: wij zijn eerst zelf de verwijding van onze ouders. De eerste mens – en daarbij ook de hele schepping van God – is aangelegd met vruchtbaarheid. Juist nu de dood heerst blijkt de waarde ervan. Wie zich kan voortplanten blijft voortbestaan. Tijdens het leven is het krijgen van kinderen een verwijding van je kwetsbaarheid. En een vergroting van je ego. Een reden voor trots en een leven vol verwachting. We spelen onze rol om de wereld leefbaar te houden, te beginnen in de kleinste kring. Wee de familie waar de competitie de liefde verdringt. Wee, wee de samenleving die het spel speelt als winnaars en verliezers. Wee, wee, wee de mens die geen andere verwijding kent dan die de schepping zelf heeft voortgebracht. Het christelijk geloof biedt een perspectief dat in geen mensenhart is opgekomen. De Schepper zelf laat zich kennen. De mens is goed geschapen maar principieel onaf. De vrouw is de hulp voor de man – en dát is de idee van de HEER God. De mens is eerst een verwijding van de Schepper.

Is dat al wonderlijk, nog miraculeuzer is het Hij meebeweegt in de nieuwe werkelijkheid en zo geschiedenis schrijft. Bij de hoog opgelopen teleurstelling draait Hij de wereld bij wijze van spreken even terug naar de reset (in de zondvloed) maar het voorafgaande is nooit helemaal weg. Het paradijs blijft een herinnering en zo een verwachting. Kain en Abel kennen ook wij nog. De Babylonische spraakverwarring behoort tot ons wereldbeeld. Het is bijzonder om te bedenken dat de Heer het spel op aarde kwam meespelen en volledig wilde verliezen. Golgotha als Mislukking, de bodem van het menselijk failliet. Nu kan het alleen nog opwaarts en de belofte van een Rechtvaardig Rijk is nu verbonden aan de verwijding van ons leven met de Heer. Dat vraagt zelfkennis: je bent beperkt en afhankelijk van Middelen. Het blijkt uiteindelijk relationeel en persoonlijk: de Heer is de boodschap in eigen persoon.

Nu nog erkennen dat deze Verwijding je dienstbaar maakt.


Naar aanleiding van: Marshall McLuhan, Mens en media.4 Bilthoven: Amboboeken, 1971. Oorspronkelijke titel Understanding media, verschenen bij McGraw-Hill Book Company in New York, 1964. In het Nederlands vertaald door S. de Lange.

Chinese wijsheid:

  • “Hij die op de punten van zijn tenen staat, staat niet stevig…
  • Hij die de langste passen neemt, loopt niet het snelst…
  • Hij die pocht op wat hij zal doen, slaagt nergens in…
  • Hij die trots is op zijn werk, volbrengt niets van blijvend aard.” (49)

Ons soort mensen

Ook het tweede boek dat ik van Juli Zeh (1974) lees is van grote klasse. Eenmaal goed op gang kan ik het niet meer ongelezen laten. Ik las Ons soort mensen in de vakantie, dus ik kon ongelimiteerd gaan. Alleen de nacht was de noodzakelijke onderbreking. Wat een vaart en wat een onstuitbaar drama van sociale ontwrichting. En ook nu ben ik weer verontrust. Doorziet zij niet feilloos het nihilistische van onze neoliberale samenleving?

Het verhaal speelt in het dorpje Unterleuten in het voormalige Oost-Duitsland. De fictieve naam van het fictieve plaatsje roept als snel de associatie op met Übermenschen. Dat laat ik even liggen als ik ontdek dat er werkelijk een website is van Unterleuten. Klik hier en bekijk de plattegrond en zie dat je van de hoofdrolspelers een bio geserveerd krijgt. Weliswaar verwijst de site ook naar de roman en zijn auteur, maar let op, één van de romanfiguren heeft ook een facebookpagina. De grens tussen verhaal en spel is heel dun. Dat komen we in het boek tegen als Frederik Wachs het idee krijgt de ontwikkelingen in Unterleuten om te zetten naar een nieuw level in het computerspel Traktoria. Hij werkt bij Weirdo, het bedrijf van zijn broer, en ziet ineens een grote kans om een nieuwe subwereld te introduceren. “Je weet dat goede ideeën duur verkocht worden?” zegt zijn vriendin Linda. (567) En zo zijn we in het hart van het verhaal: de verwording van het geldverdienleven waarin traditionele waarden het afleggen, niet tegen nieuwe humane waarden – was het maar waar! – maar tegen de macht van geld. “In het late kapitalisme bestond er geen maatschappij meer, alleen nog maar een maatschappelijk spel, met als doel de jammerlijke overblijfselen van de politiek zo kundig mogelijk in amusementswaarde om te zetten.” (122)

In de buurt van Unterleuten zal een park van zeven windturbines worden gebouwd. Dat hebben de beleidsmakers in Berlijn besloten. Een jonge frisse kerel, Pilz van Vento Direct, komt dat aan de bewoners uitleggen en heeft de spreekwoordelijke beamerpresentatie bij zich. Hij heeft al zoveel ervaring dat hij het proces van verzet en aanpassing van tevoren inschat en zo verwacht dat het wel goed zal komen, zodra de mensen horen hoeveel geld het hen gaat opleveren. Maar dat pakt even anders uit. Aan het slot van het boek is de minisamenleving kapot, zijn relaties verstoord, harde woorden gevallen, fysiek geweld gebruikt en doden te betreuren. Zo heb je dus winnaars en verliezers. Want dat is wat we met elkaar worden als het om competitief spelen gaat. (586, zie ook 220 en 280) Wat ontbreekt is de dialoog die naar elkaar toegewend is en bereid is om door onderhandelen en compromissen een gezamenlijke waarde te vinden. Ik kreeg sympathie voor de maatschappijkritiek die de traditionele bewoners als Kron onder woorden brengt: “De neoliberale ideologie, vermomd als een mengeling van pragmatisme en prestatiegerichtheid, veroverde de laatste hoekjes van het maatschappelijke leven. In de Stasi-tijd werd er minder gespioneerd, afgeluisterd, bedreigd en ontslagen dan vandaag de dag, en toch noemde het nieuwe systeem zichzelf democratie.” (115) Dat is wat Zeh voortdurend doet: de actueel opgehemelde en nagestreefde praktijken ontmaskeren als machtspelen. “Macht is het antwoord op de vraag wie beweegt.” (138, zie ook 383, 447).

Dat is overigens het motto van Linda Franzen, de vriendin van Frederik Wachs. Zij ontleent dat aan het boekje Jouw succes van Manfred Gortz. Opnieuw een stuk in het spel waarin Juli Zeh ons trekt. Het motto van de hele roman is aan Jouw succes ontleend (‘Alles is wil’) en waarachtig, het is een bestaand boek: Dein Erfolg. Tot op een gegeven moment blijkt dat Julia Barbara Finck aka Juli Zeh dit boek heeft geschreven! Klik hier voor het artikel in de Süddeutsche Zeitung. En zo is deze Linda een van de meest centrale dragers van de boodschap in het drama. Zij is samen met Frederik nieuwkomer in Unterleuten en ontwikkelt zich tot een machtspeler pur sang. Hilarisch is dat zij gedreven wordt door de liefde voor een paard! Bergamotte is het veulen dat zij min of meer gered heeft en zij wil in het dorp land verwerven voor stallen en weiden. Arme Frederik, toen hij ontdekte dat Linda’s liefde voor het dier groter was dan voor hem, heeft hij zich afgevraagd hoe hij dan toch kon blijven houden van deze vrouw. Lees de passage van zijn onderzoek naar ‘paardenvrouwen’, het is lachen. (145v)

Met elk nieuw hoofdstuk wisselt het perspectief. Het verhaal van de presentatie van Pilz strekt zich over vijf hoofdstukken uit. We beginnen bij Kron (hoofdstuk 6), dan Jule Fliess-Weiland (7), vervolgens Frederik Wachs (8), Elana Grombowski, geboren Niehaus (9) en we eindigen bij Arne Seidel (10). Er is geen waarheid, er bestaan alleen perspectieven (563) en dat wordt aan het slot van het boek nog eens op de spits gedreven. Want ik was zo nieuwsgierig naar de afloop van het verhaal, dat ik verrast was door het slothoofdstuk. Ineens stapt ene Lucy Finkbeiner naar voren. Zij blijkt de auteur van het verhaal. Als journalist heeft zij de kans gekregen een klein bericht over een DDR-dorp uit te zoeken. Haar leidinggevende suggereerde: het is stof voor een roman. (662) Lucy vertelt hoe zij de hoofdrolspelers heeft gesproken en ook een vriendschap met Jule Weiland heeft opgebouwd (intussen gescheiden van Gerhard Fliess). Waar ben ik, dacht ik ineens, Lucy Finkbeiner eerder tegengekomen? Ik herinnerde me ergens in het boek deze naam al gelezen te hebben, maar waar? Dat werd terugbladeren. Het motto van deel V (‘Communicerende vaten’) is van haar: ‘Je draait een beetje en dat ziet alles er anders uit.’ (452) Daar is het perspectiefthema weer. Weer een nieuwe persona van Finck/Zeh. Er zijn geen feiten, er is geen essentiële identiteit, er zijn verhalen. Net als bij Speeldrift denk ik na over het Jezus-verhaal. Ook een perspectief. Eén met diepe weerzin tegen macht van sterken en winnaars.


Naar aanleiding van: Juli Zeh, Ons soort mensen.16 Amsterdam: Ambo/Anthos, 2022 (eerste druk 2016). Oorspronkelijk verschenen onder de titel: Unterleuten, vertaald uit het Duits door Annemarie Vlaming. Klik hier voor de wikipediapagina van de roman. En hier voor een literatuuranalyse door medewerkers van de Universiteit van Köln.

Onvolledig en verweven

Waar gaat dit over: “Vergeet het nooit: drie dingen hebben de fascisten niet, niet anders dan in farcicale simulacra: denken, vreugde en liefde.”? Als ik mijn impuls had gevolgd, had ik het boek met deze tekst op de achterflap niet gekocht of gelezen. Maar iemand in mijn omgeving, ik acht hem hoog, had mij getipt. Bovendien, de naam van één van de auteurs is bezig een goede reputatie op te bouwen in mijn denken. Van Willem Schinkel las ik eerder (2020) De Hamsteraar en dat liet me niet onberoerd. Wat een ontmaskerende kritiek op het kapitalisme. Maar nu dit. Farcicaal, ik heb het maar opgezocht. Het moet zoiets betekenen als ‘dat wat de kenmerken van een farce heeft’, een zotte vertoning. Simulacra komt uit het sociologisch taalgebruik van Jean Baudrillard. Een kopie waar geen origineel meer van bestaat. Dus volgens Willem Schinkel en Rogier van Reekum missen de fascisten ‘denken, vreugde en liefde’, dat wil zeggen de echte versie ervan. Als zij pretenderen deze drie wel te hebben, dan zijn het zotte aftreksels van een werkelijkheid die zij niet kennen.

Zo, die zit. Maar nu, wat heeft dit geleerde sociologisch duo ons te melden (beiden verbonden aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam)? Veel, kan ik vertellen, nu ik het boek uit heb. De verwondering en verwarring is bij het omslaan van de laatste bladzijde omgeslagen in bewondering. Ik wil dit verwerken. Maar het is veel. Dus laat ik eerst op een rij zetten wat ik geleerd heb. De Aarde is een ‘woekerend’ geheel. Zonder directe orde of richting produceert zij van alles voor iedereen. Het gemeenschappelijke goed is echter geordend geraakt door het marktdenken en het neoliberalisme. Als in een kraal worden wij samengedreven als consumenten. Daar moeten we rennen, concurreren. Dat komt van het Latijnse con-currere, samen rennen. Door steeds opnieuw verschillen te benoemen en te creëren rennen we voor elkaar uit en achter elkaar aan. We beschermen onze identiteit en bezit tegen de ander en daar zetten we zonder aarzelen geweld bij in. Of het nu verbaal of fysiek is, we bewaken de grenzen. De actuele politieke arena is helemaal door de verschillen gekenmerkt. Rechts en links hanteren hetzelfde schema, van tegenstelling en strijd. Deze twee schrijvers, denkers, Schinkel en Van Reekum, zeggen: wij doen niet meer mee. Het gebeurt niet meer in onze naam. (22) Zij hebben niet het alternatieve antwoord. Zij weten niet hoe te leven, alleen wel waaraan zij niet mee willen blijven doen. Zij willen denken, dat wil zeggen tegen de orde in durven gaan: “…speculatief zoeken naar hoe te leven, te schrijven, te denken, hoe plezier te hebben als modus van leven, niet als hedonistische zelfvergroting maar als liefde om duidelijk te maken dat vreugde en liefde de kern vormen van een leven dat niet fascistisch is, dat met minder geweld woekert. Vergeet het nooit: drie dingen hebben de fascisten niet, niet anders dan in farcicale simulacra; denken, vreugde en liefde.” (49)

Heb ik hierboven het eerste hoofdstuk wat samengevat, het tweede hield me nog meer bij de les. Wij zijn Randmensen. Op talloze bladzijden komen nieuwe woorden voor, te veel van het goede, maar deze gaat over in mijn vocabulaire. Wij worden voortdurend bekeken als mensen die in onszelf compleet zijn. Dat brengt met zich mee dat wij door (scherpe) randen van elkaar afgescheiden worden. “Complete pakketjes van emancipatie, met scherpe randen naar buiten.” (53) Zo worden individuele en collectieve identiteiten onderscheiden. Die randen kunnen ook tanden zijn die met geweld van zich afbijten. Het gaat om trouw zijn aan jezelf. “Wie dus denkt randen te hebben, moet zich opvullen. Wie compleet denkt te zijn, moet ego opblazen.” (56) Daartegenover poneren de schrijvers de fragmens (hoe verzinnen ze het?), die gekenmerkt is door onvolledigheid. We hebben elkaar als complement nodig. “Complementariteit, met andere woorden, woekert. “ (66) De identiteitsgedachte gaat uit van ongelijkheid op basis van je eigen nijverheid (76) en dus van het bewaken en beschermen van jezelf (de ander is een probleem) en het eventueel wegwerken van de verschillen zodat ieder hetzelfde of het zijne krijgt. Maar de onvolledigheid gaat uit van verwevenheid. We zijn allemaal woekering van de Aarde (80) en dat vraagt om ontmoeting en vreugde en liefde. (85, 95) Gelukkig, niet alle woekering kan geordend worden. “Zelfs als we circuleren in de kraal, woekeren wij elders, waar we liefhebben, eten, denken, samen zijn, schijten, studeren, zorgen, klaarkomen, stelen, spelen, vertragen, onderbreken, kind worden… En omdat we woekeren, zijn we nooit volledig altijd wordend incompleet, uitstaand, woekerende expressie. We hebben geen positie, we worden in compositie.” (93)

Ik wil het niet al te groot maken, maar hier had ik bijna een moment van spirituele verlichting. Wat ik in andere verbanden vermoed had en tastend geformuleerd, krijgt hier een welbespraakte vorm: wij zijn onvolledig en hebben elkaar nodig. Hier raak je het christelijke inzicht in Gods schepping: de mens is niet vanaf de start compleet en het goede leven maak je alleen maar samen. Als in het slothoofdstuk van dit boek de heilige apostel Paulus mag optreden met zijn woorden over de liefde, verbaast dat niet. Deze sociologische gedachtenbeweging nadert het rijk van God.

Het derde hoofdstuk over Schulden vond ik moeilijk. Wat ik eruit oppikte is dat het kapitalisme uitgaat van schaarste. Welke schaarste eigenlijk? Niet die van de Aarde, want die woekert in overvloed. Het gaat om schaarste die begint met de aanname dat wij oneindige behoeften hebben. En dat er beperkte middelen zijn om die behoeften te bevrediging. Opnieuw bewonder ik het scherpe inzicht. Want ja, wie bepaalt eigenlijk dat wij oneindige verlangens hebben? Kunnen wij ons geen staat van zijn voorstellen waarin wij tevreden zijn? En wie bepaalt eigenlijk dat er beperkte middelen zijn? De economie en haar boekhouders zijn goden die over ons heersen en we laten het gebeuren. Tot we, net als Schinkel en Van Reekum zeggen: wij doen niet meer mee. Wij weten niet precies hoe, maar deze ratrace mag ons leven niet meer bepalen.
We krijgen een andere blik op de wereld als wij zien hoe de Aarde woekert. In hoofdstuk 4 leer ik dat de aarde van de gemeenschap is, van de commons. Alleen door toe-eigening zijn er randen gekomen. De kraal werd opgezet als de verbetering van de aarde: groei, improvement. Die moet worden bewaakt, vanuit het idee dat wij complete eenlingen zijn. Randmensen willen rust (71, 80, 84)
De moderne ordening is de vernietiging van de gemeenschappelijkheid.
Schinkel en Van Reekum willen geen vrijstaat. (185) We bewegen ons, hoe dan ook, in de ordening. Wat we nodig hebben is fantasie en verbeelding. Duizend andere manieren om te woekeren, anders dan het liberalisme. Noem het liefde. Zo bereik je het korte slothoofdstuk. Liefde is niet de geordende oplossing als manier van leven. Wij weten niet hoe we moeten leven. “Alles staat nog te gebeuren. Alles moet nog blijken. Vooralsnog zeggen we het gevaarlijkste, het tenenkrommendste wat er gezegd kan worden: God is liefde.” (223)

Keer op keer dacht ik bij het omslaan van de pagina’s aan de Heer. Heeft Hij niet gezegd dat geven gelukkiger maakt dan ontvangen (Handelingen 20,35)? Is de beeldspraak van de geloofs-samenleving als lichaam (Romeinen 12 en 1 Korinte 12) niet gebouwd op de veronderstelling van onvolledigheid? Als wij zeggen dat wij rentmeesters zijn van Gods aarde, is dat niet de christelijke versie van hun idee dat de commons de Aarde beheren? Het fascistische indelen en beheren op basis van Blut und Boden (148) krijgt forse kritiek in de eerste gemeente in Jeruzalem: alles gemeenschappelijk en wat je bezit, bezit je ten dienste van elkaar (Handelingen 2, 4 en 5). Ik besef hoeveel vormen van besturen, ook in de kerk, in het kader staan van ordenen. Kaders geven, en zodra die er zijn, dus ook bewaken. Hoe vaak gaat dat niet tegenwoordig over het elkaar zien, elkaar wat gunnen? Daaronder schemert de idee van de complete mens. Wie durft de nieuwe gemeenschap, gesticht voor de Geest van de Heer, te laten woekeren? Omdat we geloven in onvolledigheid en daarom verwevenheid, broodnodig leven in elkaar. Zover gekomen, heb ik dan mijn vraag: vraagt het kwaad niet om tegenspraak en begrenzing? Begrenzing van egoïsme. Tegenspraak van de macht van bezig en privilege. Laat duizend ideeën woekeren, maar niet het fascisme. Hoe het kwaad bestaat en hoe gaat het zich vermenigvuldigen in het mensenpark? Welke Liefde breekt de macht van het Kwaad?

In de geloofsgemeenschap leren wij daarom de innerlijke strijd: zelfbeheer en zelfbeheersing als gave van de Geest van onze Heer, Jezus Christus (Galaten 5,22 en Romeinen 7). Dezelfde apostel die prachtig over de liefde schrijft, doet ook een goed woord voor de overheid die geroepen is het kwaad te bestraffen. (Romeinen 13) In Gods naam. Ik kom bij de auteurs langszij in hun verlangen naar een bevrijding van het neoliberale juk. En misschien eindig daarom ook ik wel waar zij eerlijk toegeven: wij weten niet hoe te leven. Wij weten niet wij ‘wij’ zijn. Wij moeten samen uitvinden wie ‘wij’ zijn. Dank voor het verrijkende boek. Het helpt me verder, ook in mijn geloof in een goddelijk ‘Wij’.


Naar aanleiding van: Willem Schinkel en Rogier van Reekum, Theorie van de kraal: Kapitaal, Ras, Fascisme.2 Amsterdam: Boom, 2020 (eerste druk september 2019).
Wat ik hierboven niet weergaf was hun gedachten over migranten. (129 – 160) Dat betoog is niets verhullend en eindigt niet misselijk: “Vanuit de geschiedenis loopt een lijn, een lijn door Detroit en door Auschwitz, een ordenende lijn die begint in 1492 en lang daarvoor, een lijn die accumulatie richting geeft, en consolidatie tot recht verheft. Een lijn die omheinend werkt, die economie grondt, en daartoe ras levend houdt. Een lijn die schuld en boete brengt. Een lijn die voortwoekert in en door de ordenende naam ‘migratie’.” (157 – 158)