Belofte en toekomstige zekerheid

De belofte is een belangrijk begrip in de orthodox=protestante geloofstraditie waaruit ik voorkom en waarin ik leef. Gods belofte is betrouwbaar en geloofszekerheid is op die trouw van een belovende Heer gebouwd. Universeel menselijke levenservaringen als trouwen en kinderen krijgen worden in de geloofsgemeenschap met rituelen omgeven. Je belooft in de kerk elkaar trouw te blijven tot de dood je scheidt of Christus terugkomt. Je belooft bij het doopvont je kinderen op te voeden met de christelijke leer. En in de kring van de gemeente beloof je je geloofsbelijdenis te handhaven en aanspreekbaar te zijn als je je – wat God verhoede! – in leer of leven misgaat. Het is nogal wat.

Wat is het heerlijk om een boek te lezen waarin het fenomeen belofte lucide wordt geanalyseerd. René van Woudenberg is een vakkundig filosoof die mij als eens eerder geholpen had met zijn ontleding van het mysterie van de identiteit. In zijn laatst verschenen boek, De toekomst is geen vreemde: Waarom er meer zeker is dan wij denken, behandelt hij de belofte. Iets minder mysterieus dan identiteit, maar niet minder bijzonder. Hij plaatst het doen en vertrouwen van beloften in het kader van de vraag wat er voor de toekomst zekerheid geeft. Een sterke insteek. Onze roerige tijden voeden onzekerheid. En de zekerheid van de één is die van een ander niet. Maar als we nu eens kijken wat ons mensen gezamenlijk zekerheid kan bieden, dan kun je bijvoorbeeld wijzen op logische wetmatigheden, natuurwetten én… beloften. Een vondst.

Er zijn dingen die zeker zijn omdat hun tegendelen onmogelijk zijn. (36v) Logisch, zeggen we dan. Het is onmogelijk dat er witte tijgers zijn als alle witte tijgers uitgestorven zijn; het is onmogelijk dat 5 plus 7 geen 12 is. Deze zekerheden noemt Van Woudenberg ‘logisch-metafysische zekerheden’ (41). Wij zijn ook erg zeker van natuurwetten als die van Archimedes, Kepler, Newton, Ohm etc. “Deze wetten worden geacht constant te zijn. Ze veranderen niet door de tijd heen.” (42) Strikt genomen zijn het, waarschuwt de auteur, formuleringen van waargenomen samenhangen, patronen enzovoorts. Deze tweede klasse bevat ook psychologische en sociale zekerheden, die betrekking hebben om menselijk gedrag (48), vaak terug te vinden in aforistische uitdrukkingen: ‘nieuwe bezems vegen schoon’ etc.

De derde categorie zijn beloften, gedaan door iemand aan een of meer anderen. “Beloften genereren zekerheden voor degene aan wie de belofte gedaan is – of voorzichtiger en dus beter geformuleerd: ze kunnen zekerheid geven.” (53) Door een belofte maak je voor anderen je gedrag voorspelbaar (56) Van Woudenberg laat door herkenbare voorbeelden zien op welke manier beloften toekomstige zekerheid bieden en komt zo op zeven regels voor het doen van een belofte:

  • Beloof alleen dingen waarop je greep hebt, dingen waarvan het in je macht ligt ze te doen.
  • Beloof alleen iets wat de ander wenst of begeert, dus alleen iets wat door de ander als goed wordt gezien.
  • Beloof alleen iets wat nog geen feit is, nog een werkelijkheid is (maar in principe wel werkelijkheid zou kunnen worden).
  • Beloof niet iets wat onafhankelijk van je belofte toch al zal gebeuren.
  • Beloof niet iets aan anderen als derden die afhankelijk van je zijn, daar serieuze schade van zullen ondervinden en niet zouden instemmen met de belofte.
  • Beloof niet iets dat immoreel is.
  • Beloof alleen iets wanneer je ook de bedoeling hebt om de belofte na te komen.

Wat mij hielp is het besef dat sommige beloften zijn als een container. Als jij in gaat deelnemen aan een feestcommissie, ga je je in zetten voor een feest. Wat dat allemaal voor taken en acties gaat opleveren is niet vooraf bekend. Je bent betrouwbaar als je je inzet voor het proces en een mooi feest kan aanbieden. “En voor alles wat er in die container zal blijken te zitten, hoe je niet steeds weer afzonderlijke beloften af te leggen.” (79)

Zo is het ook met huwelijksbeloften. Het is een toezegging om met liefde, zorg en toewijzing levenspartner te zijn zonder dat je weet wat er komen gaat. Je belooft in goede en kwade dagen trouw te zijn terwijl je geen idee hebt hoe goed en kwaad eruit zullen zien. “Wie een huwelijksbelofte doet, die heeft daarvoor een goede reden, of dient die te hebben. Wat kan een goede reden zijn? De ander is een reden.” (109) Als je oprecht en te goeder trouw de belofte uitspreekt, dan creëer je zekerheid voor de ander. Wordt de trouw op de proef gesteld en bevredigend de proef doorstaan, dan groeit de zekerheid: je bent een betrouwbaar persoon aan het worden. Van Woudenberg maakt een sterke vergelijking: “Het huwelijksbootje is geen motorboot met een oneindige voorraad brandstof. Het is een roeiboot waarin de gehuwden beide aan de roeispanen moeten zitten; en als het geen roeiboot is, dan is het een zeilboot waarin gewerkt moet worden om de zeilen, gegeven de gezamenlijke bestemming, op de juiste manier te zetten – en waar men soms krachtig aan het roer moet staan.” (113)

Het is mooi hoe Van Woudenberg in dit verband God in het betoog betrekt. God moet geacht worden zijn beloften te houden, gegeven zijn unieke eigenschappen: almachtig en algoed. De schrijver gaat niet in op de argumenten voor of tegen het bestaan van God. “Maar als God er is, en als God deze beloften heeft gedaan, dan bieden ze toekomstige zekerheden.” (114) Heerlijk om opnieuw contact te maken met het oer-gereformeerd karakter van het christelijk geloof zoals ik het al vroeg leerde kennen.


Naar aanleiding van: René van Woudenberg, De toekomst is geen vreemde: Waarom er meer zeker is dan wij denken. Utrecht: Kokboekencentrum, 2022. Eerder van hem verscheen René van Woudenberg, Het mysterie van de identiteit: Een analytisch-wijsgerige studie. Nijmegen: Sun, 2000.

God is op missie

De HEER laat zijn koninkrijk doorbreken in deze wereld. Kijk Hem! Zie hoe Hij mooie resultaten bereikt! Het is de taal van het winnende geloofsteam. Wie meedoet, werft graag nieuwe teamleden. Wie toeschouwer blijft, mist de boot. Elke kerk die Jezus Christus als Heer aanvaardt, kan zich met recht missionair noemen. Want Hij is op missie.
Deze optimistische taal blijkt niet vanzelfsprekend tot missionaire plannen van een gemeente te leiden. Ook voelt niet elke gelovige z’n al te aardse leven opgenomen in dat goddelijke streven. En als christenen met elkaar in gesprek gaan over wat de missionaire Heer dan precies wil bereiken, strijden verschillende visies om de voorrang. Gaat het om recht en gerechtigheid in de wereld? Is de hemel het uiteindelijke doel? Past het om je gezondheid als Gods heil te zien? Gaat God de weigeraars uiteindelijk de rekening presenteren?
De missionaire Schijf van Vijf bedoelt hierbij helderheid te bieden. Dat is de populaire naam voor wat netjes heet: de vijf kenmerken van Gods wereldwijde missie, in het Engels: Five Marks of God’s Global Mission (je weet, zij houden van hoofdletters). In de bezinning op het missionaire karakter van de kerk komen de vijf kenmerken steeds meer ter sprake. In dit artikel leg ik uit wat de vijf kenmerken zijn. Is er een rangorde bij deze vijf? Waar gaan we als kerk op inzetten? Dat hangt af van wat we onder Gods missie verstaan. Daarom begin ik eerst daarover enige helderheid te geven.

Missie, geen zending

Ga je de zending in? Die vraag stelde ik mijzelf in 1988. Ik had net de theologische opleiding aan de Broederweg in Kampen afgerond. In Brazilië was zendingswerk te doen en ik voelde me uitgenodigd om een stap in die richting te overwegen. Zo zou ik zendeling kunnen worden (maar dat is toen overigens niet doorgegaan). Het woord zending was destijds heel gewoon in het kerkelijk spraakgebruik, vaak gecombineerd met evangelisatie. Zending was, kortweg, de opdracht van Jezus Christus aan de kerk. Zo was zij gehoorzaam aan de zogenaamde ‘zendingsopdracht’ uit Matteüs 28,19: “Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest…” Evangeliseren was ook een duidelijk begrip: het goede nieuws van de redding van de wereld bekend maken, met de oproep om dat te geloven en je zo als gelovige te voegen bij de kerk van de Here. Nog in 2005 omschreef de missioloog van Kampen, drs. Kees Haak, zijn vak als de (wetenschappelijke) bezinning op ‘de goddelijke opdracht van Christus aan zijn apostolisch-oecumenische kerk tot de wereldwijde zending en evangelisatie onder hen die niet in Christus geloven, met de oproep zich te bekeren en te geloven in Christus als de Heiland der wereld…’ (C.J. Haak, Gereformeerde Missiologie en Oecumenica: Beknopt overzicht aan het begin van de 21e eeuw A.D. Zwolle: De Verre Naaste, 2005, 31). De kerk is door God gezonden en wie namens de kerk erop uitgaat om redding van de wereld bekend te maken is dus een gezondene, of zendeling.

Het woord raakt uit. Toen ik in Rotterdam werkte en het evangelie bracht bij Hindostanen en Pakistanen was ik geen zendeling maar missionair predikant. Dat spoort met de gedachte dat God een missie heeft. Gods missie is de Nederlandse vertaling van de Latijnse uitdrukking: Missio Dei. Deze term is na de Tweede Wereldoorlog in zwang gekomen. De zending kreeg last van een slecht imago. Zij werd steeds meer gezien als de vertegenwoordiger van het rijke Westen. Daar was de economische macht. Vanuit het Westen kwam het moderne leven van wetenschap, techniek, amusement en overdaad en de koloniaal-politieke overheersing. Dat hing om Westerse zendelingen heen.
Deze verlegenheid klikte vast aan de diepe indruk die de enorme armoede in de derde wereld maakte. Het concrete verbeteren van de wereld, dát is de uitwerking van wat Jezus bedoelde met het hemels koninkrijk op aarde. Solidariteit betekende het, met de armen en verdrukten. Redding gaat niet alleen over de ziel die na de dood hemels voortleeft (of hels), maar gaat over het complete aardse leven nu. Holistisch laat het rijk van God zich vestigen op aarde. Proclamatie van het evangelie door Jezus alleen begon aan te voelen als een bewijs van superioriteit. Zij confronteert en scheidt, in plaats van te verbinden in een toch al gescheurde werkelijkheid. Toen in de bezinning van de Wereldraad van Kerken de term Missio Dei opkwam, ging dat samen met een verschuiving van de visie op de niet-christelijke volken en hun religies. De interreligieuze dialoog werd ontwikkeld. Daarin werden de gesprekspartners als gelijkwaardig gezien. Van het proclameren van de redding door Jezus Christus alleen kwam steeds minder. De tegenstelling tussen geloof en ongeloof vervaagde, ook omdat de christenen goede dingen in leer en leven van de niet-christenen gingen ontdekken.

Toch was Gods missie niet per definitie een verdachte term in de gereformeerde missiologie. Ook in deze traditie was helder dat de Schepper van deze wereld ernaar verlangt de eer te krijgen van de mensen die Hij zelf geschapen heeft en goed verzorgt. Hier en nu. Het is de Zoon die de zonde van de wereld wegdroeg, opstond en de leiding over het wereldtoneel heeft, hier en nu. Hier en nu bezielt Gods Geest de mens en bereikt hem met het woord van genade. Inderdaad, God is ‘on the move’, God is op missie in onze geschiedenis. En sinds hemelvaart en Pinksteren schakelt hij daarbij zijn leerlingen in.

In 2006 schreef de theoloog Chris Wright (niet te verwarren met de bekende Tom Wright) een prachtig boek dat – ook in het Nederlands vertaald – veel gelezen wordt: The Mission of God (Christopher J.H. Wright, The Mission of God. Unlocking the Bible’s Grand Narrative. Downer’s Grove: IVP Academic, 2006; vertaald als De Bijbelse missie: Gods opdracht voor zijn kinderen, in 2011). Hij wil laten zien dat de missie niet gebaseerd is op een aantal losse teksten, maar dat de Bijbel zelf een missionair fenomeen is. Veel Bijbelteksten, betoogt hij, kwamen voort uit gebeurtenissen, worstelingen, crises of conflicten. Omdat God sprak en zich bekend maakte, wilde zijn volk reageren. Dat werden psalmen of profetenboeken. Zo ontstonden brieven en spreuken. God werkte eeuw in eeuw uit tot Hijzelf op aarde verscheen en zijn leerlingen op missie stuurde. Wright noemt twee sleutelteksten van de evangelist Lukas. “Daarop maakte Hij hun verstand ontvankelijk voor het begrijpen van de Schriften. Hij zei tegen hen: ‘Er staat geschreven dat de messias zal lijden en sterven, maar dat Hij op de derde dag zal opstaan uit de dood, en dat in zijn naam alle volken opgeroepen zullen worden om tot inkeer te komen, opdat hun zonden worden vergeven. Jullie zullen hiervan getuigenis afleggen, te beginnen in Jeruzalem.” (24,45-47). Het preken van berouw en vergeving aan de naties is onlosmakelijk gevolg van wat er met Jezus gebeurd is. Dat vinden wij ook terug bij de heilige apostel Paulus. “Omdat God mij echter tot op de dag van vandaag bijstaat, blijf ik mijn getuigenis zonder onderscheid aan iedereen bekendmaken, en daarbij zeg ik niets anders dan wat volgens de profeten en Mozes moest gebeuren, namelijk dat de messias zou lijden en sterven en dat Hij als eerste van de doden zou opstaan om aan zijn eigen volk en aan de andere volken het licht te verkondigen.” (Handelingen 26,22-23) De volledige betekenis van het erkennen van Jezus als Messias ligt in het erkennen van Gods missie voor Israël en alle andere volken.

Gods missie is dus eerst een verhaal, geen opdracht. Dat is het meest opvallende verschil met de oude zending. De uitleg van zending begon vrijwel altijd met de zendingsopdracht. Dat motiveerde via de impuls om te gehoorzamen. De Heer spreekt, wij voeren uit. Uit de Rotterdamse tijd herinner ik mij hoe het op bepaalde momenten een drukkende last werd om die opdracht steeds weer te horen. Hebben we genoeg gedaan? Is het gebrek aan bekeringen te wijten aan onze inzet, het gebrek eraan? Geven we de boodschap duidelijk genoeg door? Als wij gewaardeerd worden door de hindoes en moslims, zijn we dan wel confronterend genoeg geweest? Je kon de antwoorden op deze vragen paraat hebben, maar zelden werd dat ingegeven door het goede begrip van de zending zelf. Later leerde ik dankbaarheid en ontspanning in het missionaire werk. Wie namelijk ziet dat God aan het werk is om zijn missie uit te voeren, die kan leren vertrouwen op God zelf. Hij weet iedereen die Hij wil te bereiken. Met of zonder ons. Zien waar Hij de deur opent leert je in elk geval wat relaxter omgaan met plannen en strategieën. Het maakt ook nederig. Wie mensen tot geloof ziet komen, dopen mag en nader onderwijzen in het volgen van de Heer, is slechts een bescheiden medewerker in Gods missie. Wat je doet valt je toe omdat God je het gunt. Veel van wat Hij verder doet blijft onzichtbaar. En dat is prima.

Vijf kenmerken

Gods missie dus. De missionaire Schijf van Vijf geeft een overzichtelijk en (vrij) compleet beeld. Wat zijn die vijf punten?

1 De eerste is de verkondiging van het goede nieuws (to proclaim the good news of the Kingdom). Het gaat daarbij om het bekend maken van een nieuw en beslissend feit aan het grote publiek. Het is de activiteit van een boodschapper die een belangrijke mededeling doet namens een machthebber (heraut van een koning). Tijdens de eerste reis van Barnabas en Saulus ‘verkondigden zij Gods boodschap’ in de synagoge van Salamis op Cyprus. (Handelingen 13,5) Lukas geeft daar geen nadere beschrijving van, maar even verderop in zijn verslag wel. In de synagoge van de stad Antiochië (in Pisidië) krijgt Paulus de gelegenheid om de aanwezigen toe te spreken. In een review van de Joodse geschiedenis laat hij zien dat er een nieuw feit bekend te maken valt: “U moet dus weten, volksgenoten, dat het dankzij Hem is dat aan u vergeving van de zonden verkondigd wordt; ieder die gelooft wordt door Hem vrijgesproken van alles waarvan hij geen vrijspraak kon krijgen op grond van de wet van Mozes.” (Handelingen 13,38-39) Het gaat om een bekendmaking in de juridische sfeer. God heeft een geding met de wereld. Zijn schuldige schepping krijgt een onverwachte vrijspraak te horen. Jezus Christus is de persoon die dat heeft mogelijk gemaakt.

2 Het tweede kenmerk is het onderwijzen, dopen en opvoeden van nieuwe gelovigen (to teach, baptise and nurture new believers). Levenslange transformatie van de gelovigen is de bedoeling. Door de combinatie van onderwijzend verkondigen en het gelovige antwoord ontstaat een nieuwe levenswerkelijkheid. De doop mag dat markeren: “Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en van heilige Geest…” (Matteüs 28,19). Zonder onderbreken laat de Heer erop volgen: “… en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb.” Zo vorm je mensen zo, dat zij als leerlingen van de Heer alle aspecten van het leven gaan zien in het licht van het evangelie. Tijdens de eerste reis van Paulus en Barnabas valt op dat zij snel terugkeren naar de steden waarin nieuwe christelijke geloofsgemeenschappen zijn ontstaan: “Ze bemoedigden de leerlingen en spoorden hen aan te volharden in het geloof, maar wezen hun erop ‘dat wij pas na veel beproevingen het koninkrijk van God kunnen binnengaan’. (Handelingen 14,22, zie ook het voornemen in 15,36 en verder 2 Korinte 3,18 en 2 Timoteüs 3,16-17)

3 Antwoorden op menselijke nood door liefdevolle dienstbaarheid, dat is het derde kenmerk (to respond to human need by loving service). In Lystra zat een man op straat die geen kracht in zijn voeten had; hij was al sinds zijn geboorte verlamd en had nooit kunnen lopen. Paulus ziet tijdens de verkondiging de aandacht van de man en dat hij gelooft in genezing. Dat gebeurt dan ook op Paulus’ woord. (Handelingen 14,8-9) De nood wordt gezien en bestreden. Als christenen gastvrijheid betonen, offervaardigheid en barmhartigheid aan mensen in nood, dan volgen zij het voorbeeld van de Heer die kwam om te dienen. Hij ontfermde over wie in nood was en de onvergetelijke gelijkenis van de barmhartige Samaritaan maakt helder dat dat een gebod is: “Doet u dan voortaan net zo.” (Lukas 10,37, zie ook het dubbelgebod van de liefde in Matteüs 22,34-40 en 25,31-46). De heilige apostel Jakobus weet het ook kernachtig te zeggen: zuivere godsdienst is weduwen en wezen bijstaan in hun nood en jezelf vrijwaren van de smetten van deze wereld. (1,27) De eerste christelijke gemeenten blonken hierin uit.

4 Het vierde kenmerk is het streven naar het veranderen van onrechtvaardige maatschappelijke structuren (to seek to transform unjuist strcutures of society). Het is niet voor niets dat Paulus bij zijn roeping de opdracht krijgt om ook bij heersers de naam van Jezus bekend te maken. (Handelingen 9,15) Het zijn mensen met macht. Hun invloed kan een bestaand patroon doorbreken en omkeren. Voor Paulus was het glashelder dat er geestelijke machten werkzaam zijn achter publieke machtsstructuren in de samenleving. Op Cyprus doorbreekt hij de magie van Elymas (aka Bar Jezus), die hij een ‘vijand van elke vorm van gerechtigheid noemt’. (Handelingen 13,10) Zo maakt hij de weg vrij voor de bekering van de proconsul van het eiland. Later verwoordt de apostel het zo: hij is gezonden om mensen de ogen te openen zodat ze zich van de duisternis naar het licht keren en van de macht van satan naar God. (Handelingen 26,18) Onrechtvaardige structuren zetten veel mensen onder druk. Culturele patronen belemmeren vaak vrouwen, kinderen en minderheden om tot volle bloei te komen. Slavernij ontmenselijkt. Juist dit laatste voorbeeld brengt aan het licht hoe het streven naar het veranderen van structureel onrecht begint bij een persoonlijke omkeer. De slaven en hun meesters krijgen door het geloof in Jezus Christus een nieuwe vrijheid. (Kolossenzen 3,22-4,1) Waar de kans op afschaffing van de onmenselijke structuur zich voordoet is de potentie daartoe gelegd in Christus’ vrijheid die door bekering ontstaan was. De profeet Micha zei het ook al: “Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de HEER van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God.” (Micha 6,8)

5 Het vijfde kenmerk, ten slotte, is het streven naar het beschermen van de integriteit van de schepping en het ondersteunen en vernieuwen van het leven op aarde (to strive to safeguard the integrity of creation and sustain and renew the life of the earth). In Lystra maakt Paulus in dit verband een paar betekenisvolle statements. Dat maar helder mag zijn voor de mensen wie de bron is van regen en vruchtbare seizoenen: de Heer die hij verkondigt. (Handelingen 14,17) Daaruit is in ieder geval af te leiden dat Gods als Schepper zijn goedheid ter beschikking stelt voor allen, ongeacht of zij Hem daarvoor danken. Jezus had ook al daarop gewezen met zijn uitspraak dat de Vader in de hemel zijn zon laat opgaan over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. (Matteüs 5,45) Waar het gaat om het meewerken aan die missie komen Godswoorden uit het Oude Testament naar voren. De mens is geschapen naar zijn beeld en dat brengt verantwoordelijkheid met zich mee die te maken hebben met bewaken en beheren. (Genesis 1 en 2) In verschillende liederen bezingen de gelovigen van destijds Gods scheppingsmacht, onder andere in Psalm 19 waar beschrijving van de natuur samengaat het de lof op de wet (en het bijna onmogelijke van het houden ervan). Ook het sabbatsgebod geeft een duidelijke richting aan: het leven van mens en dier moet op adem kunnen komen. (Exodus 20,8-11)

Evaluatie

Is er in de serie van vijf een rangorde? Gaat verkondiging boven de zorg voor de aarde? Je kunt je voorstellen dat elke gelovige, gevraagd naar het kenmerk van zijn voorkeur, zich voor een van de vijf kan uitspreken. De een organiseert graag een Alphacursus, de ander gaat de politiek in om de positie van minderheden te verbeteren. Alles past in Gods missie. Maar is dat allemaal het heil dat Jezus kwam brengen? En als het gaat om de plaatselijke gemeente die relevant wil zijn in de eigen stad, wijk of buurt, waar moet hij zich op richten?
In de jaren tachtig van de vorige eeuw studeerde ik theologie en kwamen deze vragen al ter sprake. Het was de tijd waarin de gereformeerde missiologie in Nederland zich duidelijk distantieerde van wat er in de oecumenische wereld aan gedachtenontwikkeling voltrok. Wij kregen daarbij de hulp van publicaties van de internationale Lausannebeweging die met minstens zoveel overtuiging het orthodox-protestante geluid liet horen. Een welsprekende vertegenwoordiger ervan was dr. John Stott uit Londen. Hij schreef een boekje over zending in de moderne wereld. Het was verplichte tentamentstof in Kampen. In het hoofdstuk over heil schrijft hij: “Hoewel bevrijding van verdrukking en de schepping van een nieuwe en betere maatschappij uiteindelijk Gods wil voor de mens zijn, is het toch noodzakelijk erbij te zeggen, dat deze dingen niet het ‘heil’ uitmaken dat God de wereld aanbiedt in en door Jezus Christus. … Het betekent het door elkaar halen wat de Schrift gescheiden houdt – God de Schepper en God de Bevrijder, de God van de kosmos en de God van het verbond, de wereld en de kerk, algemene genade en reddende genade, rechtvaardigheid en rechtvaardigmaking, de hernieuwing van de maatschappij en de wedergeboorte van de mensen. Want het heil dat in het evangelie van Christus wordt aangeboden geldt eerder voor personen dan voor structuren. Het is bevrijding van een ander soort juk dan politieke en economische onderdrukking.” (Zending in de moderne wereld, Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1978, 91-92)
Even verderop formuleert hij positief wat het heil dan wel in houdt. “… het heil dat Christus aan zijn volk geeft, [is] vrijheid van zonde in al haar lelijke manifestaties en vrijheid tot een leven van dienstbaarheid, totdat we uiteindelijk ‘de glorieuze vrijheid van de kinderen van God bereiken’.” (97) Het gaat erom dat wij persoonlijk zonen van Gods genoemd worden terwijl wij als slaaf van de zonde leefden. “U hebt de Geest niet ontvangen,” (Stott wijst op Paulus) “om opnieuw als slaven in angst te leven, u hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te worden – door Hem roepen wij God aan met ‘Abba, Vader’.  (Romeinen 8,14) Het is een vrijheid die zich gaat uiten in dienstbaarheid die ons losmaakt van onze gerichtheid op onszelf : “Misbruik de vrijheid niet om uw aardse begeerten vrij spel te geven, maar dien elkaar in liefde want de hele wet is vervuld in een uitspraak: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’” (Galaten 5,13-14). Dat geeft perspectief op een wereld die volkomen gedomineerd zal worden door gerechtigheid (2 Petrus 3,13) en het kreunen en steunen van de huidige kosmos achter zich laat.

Ik geloof met Stott dat het heil bij die persoonlijke verandering begint. Daarom wil ik met het oog op een goed beheer van je energie als kerk pleiten voor nadruk op kenmerk 1 en 2. Verkondiging en toerusting als prioriteit. De overige drie zijn belangrijk, maar niet het privilege van de christenen en het is ook niet zo dat christenen dat per definitie kwalitatief beter doen. Mensen kunnen vanuit seculiere of andersgelovige motieven heel prima nood lenigen, een betere wereld na streven en klimaatdoelen ondersteunen. Wie dat goed doet, doet dat door de Geest van de Heer die iedereen kan inschakelen. Elke gelovige kan zich samen met wie dan ook inzetten om die doelen te behalen. Wat niet door seculieren en andersgelovigen wordt gedaan, is het verkondigen van de ene naam tot behoud. Ook het bedienen van de heilige doop en het vieren van het heilig avondmaal behoort tot het privilege van de christelijke geloofsgemeenschap. Dat is geen intern gedoe dat de kerk voor de samenleving steriel maakt. Integendeel, juist zo bewijst de christenen de samenleving een grote dienst. En daarom: wat het unieke van de kerk is, zou de beste energie van de gemeente moeten krijgen.

Definitiemacht

Mijn vader heeft vroeger op de Hogere Burgerschool (HBS) gezeten. Dat was voor de Mammoetwet van 1968 de Nederlandse onderwijs vorm voor hoger onderwijs. Hij heeft – tot z’n eigen frustratie, vertelde mijn moeder – de opleiding niet afgemaakt en zich later verder ontwikkeld door avondcursussen (PBNA werktuigbouw). Ik kan me herinneren dat mijn vader lid was van de vakbond voor Hoger Personeel. Hij was een hoogopgeleide ouder. Mijn moeder was heel praktisch opgeleid, zij deed de huishoudschool. Wij zouden dat nu zoiets als voorbereidend beroepsonderwijs noemen.  Ongelooflijk nuttig gebleken in haar leven. Toch liet het ook veel van haar capaciteiten onbenut. Maar dat terzijde, dankzij mijn vader heb ik het eerste Joris’ vinkje: ‘minstens een hoogopgeleide ouder’.

Joris Luyendijk publiceerde recent het boek: De zeven vinkjes. Aan de hand van zeven criteria kan je kijken hoeveel voorrechten en hoeveel gemak je hebt in Nederland waar het gaat over het vinden van leidinggevende en invloedrijke functies: 1) minstens een hoogopgeleide en/of welgestelde ouder, 2) minstens een in Nederland geboren ouder, 3) man, 4) hetero, 5) wit, 6) gymnasium of vwo, 7) universiteit. Wel, de conclusie is: ik heb zeven vinkjes. Net als Joris. Hij heeft het boek weer op z’n geheel eigen wijze geschreven. Hij onderneemt de zoektocht naar de waarheid achter ‘white privilege’ en laat zien hoe in Nederland op talloze leidende functies de zeven-vinkers zitten. Vandaar de ondertitel: hoe mannen als ik de baas spelen.

Het is al direct bij de publicatie opgemerkt: het is schrijnend dat een deel van Nederland pas begint te luisteren als het gezegd wordt door Joris. Hij is dan weliswaar gezegend met een bovengemiddeld schrijftalent, maar het is toch gek dat Gloria Wekker met haar boek over ditzelfde thema, Witte onschuld: Paradoxen van kolonialisme en ras uit 2016, minder effect lijkt te hebben. Het is onderdeel van het probleem en Joris is zich daarvan terdege bewust. ‘…ga je je als witte man nu ook dit onderwerp toe-eigenen door je eigen ervaringen te ‘centeren’? (169) Ja, maar juist als geprivilegieerde witte man kan hij meehelpen de bewustwording van het probleem te vergroten. Hij geeft haar ook de credits waar het gaat over zo’n lastig grijpbaar idee als witte onschuld: “Dat is de onschuld die Wekker blootlegt: ik bedoel het goed en moet dus wel onschuldig zijn. Hieronder verborgen ligt een niet mis te verstane machtsverhouding: ik ben degene die bepaalt hoe ik op jou overkom, en discriminatie gaat mij niet aan.” (157)

Luyendijk is antropoloog en vraagt zich dus af hoe het kan dat er zoveel mannen met zeven vinkjes op machtsposities in Nederland zitten. Zijn stelling is dat zij een soort ‘onzichtbare norm’ zijn gaan vormen door de jaren heen. (116) Wil je met die groep meedoen, dan moet je steeds meer op hen gaan lijken. En als dat waar is, dan geldt ook dat de bestaande elite dus in feite bepaalt wat de kwaliteit is die je nodig hebt om de baas te spelen. “Zolang wij deze zogeheten ‘definitiemacht’ van kwaliteit behouden, zullen wij altijd zelf vooraan staan. We maken de eigenschappen en vaardigheden die wij dankzij ons nest en lichaam bijna als vanzelf meekrijgen heel belangrijk, en we blijven de eigenschappen en vaardigheden die we zelf nooit hoeven of ook maar kunnen ontwikkelen, consequent negeren, relativeren of zelfs in het geheel niet waarnemen.” (134) Even verderop noemt hij het zelfs de wet van behoud van onrecht. (161) Je brengt het ver als je niet door onrechtvaardigheid wordt geraakt. Maar zo wordt de kans dus ook klein dat je de onrechtvaardigheid gaat aanpakken. Want je bent je van geen kwaad bewust. Hij wil daar graag wat aan doen. Door het toepassen van de ‘zeven vinkjes’ heb je de groep ‘witte mannen’ nog wat kleiner gemaakt. De zeven vinkers moeten zich gaan realiseren wat hun definitiemacht is. En tegelijk moet je bij diversiteit breed kijken naar de ‘diversiteit van levenservaringen’ en het niet versmallen tot ‘diversiteit van lichaamskenmerken’. (177) Het kan ook gaan om ervaringen met je sociale klasse. Hij sluit zijn boek ook af met een verhaal over een directeur die vertelt over zijn afkomst. (177-178) Echt ontroerend.

En ik nu? Ik heb kerkelijke macht en antropologisch gezien speel ik de baas. Nu ik het boek van Joris uit heb stel ik me deze vraag: hoe kan ik de definitiemacht die ik heb zo gebruiken dat ook in de kerk de diversiteit breder wordt? Vrouwen hebben toegang gekregen tot de ambten. Mannen of vrouwen van kleur moet je hier met een lampje zoeken. Homoseksuelen die in een publieke relatie van liefde en trouw leven niet. Niet academisch gevormden komen nauwelijks aan het woord in de zondagse diensten. Kortom, er is nog veel te doen.


Naar aanleiding van: Joris Luyendijk, De zeven vinkjes: Hoe mannen zoals ik de baas spelen. Amsterdam/Antwerpen: Pluim, 2022. Het motto voorin het boek is van Leonard Cohen: ‘Er zit altijd wel ergens een barst. Zo komt het licht binnen.’

Goede geestbeving gewenst

Ik vraag me af wat ik nu eigenlijk geloof en ik zie dat als een levensfaseverschijnsel. Ik word zestig. Maar de hele wereld is in de overgang. We moeten aan de bak in de opeenvolgende crises. De westerse cultuur kan de vraag niet ontlopen nu we het verlichtingsproject voelen kraken in z’n voegen. De ratio, de markt en de vooruitgang hebben ons niet dichter bij elkaar gebracht en lijken ook niet in staat de zelf geschapen rotzooi op te ruimen. Hoe komen we aan een nieuw verhaal? Philipp Blom schreef er een leesbaar en indringend essay over: Het grote wereldtoneel: Over de kracht van de verbeelding in crisistijd. Op het woord verbeelding sla ik aan. Dat raakt mijn innerlijke huishouding en mijn religieuze drijfveer. Het christelijk geloof is een bron van verbeelding die duiding biedt en actie oplevert. Philip, vertel wat heb jij te melden?

Het portee van dit essay is dat kunst veel te bieden heeft. Zijn verhaal ontstond door een uitnodiging van de Salzburger Festspiele: 100 jaar podium voor drama. Drama weet een verhaal te maken en verbeeldt hoe de wereld zijn kan. “…om je een onherroepelijke transformatie te kunnen voorstellen en om ze te leren aanvoelen, moeten er nieuwe beelden worden aangeboden, ruimte voor experimenten geopend die een verbinding tot stand brengen tussen ideeën en gevoelens. Daartoe is juist het toneel in staat, reëel of metaforisch.” (9, zie ook 123) Ik moet denken aan de grote Griekse filosoof Aristoteles. Hij schreef aan de tragedie een bijzondere werking toe: zij bewerkstelligt door middel van medeleven en vrees de katharsis, de zuivering.

Dat is broodnodig. De actuele ervaringen van ons bestaan vragen om urgente bezinning, om een katharsis. We verwoesten nu namelijk wat er is. Degenen die het zouden moeten verdedigen zijn nog niet geboren. We voeren oorlog tegen de toekomst, zegt Blom. (47, zie ook 62) Het treurige en licht vreeswekkende is dat het verlichte denken maar moeilijk de werkelijkheid onder ogen ziet. Het is niet meer in staat om de zelf veroorzaakte schade te repareren. Het rationaliteit en de markt hebben betoverende dingen tot stand gebracht. Maar de prijs was verblinding en arrogantie en gebrek aan zelfkritiek. Blom noemt het de achilleshiel van het verlichte denken: “…het misverstand dat menselijke samenlevingen zich lineair en rationeel ontwikkelen omdat mensen verstandelijke wezens zijn. Dat idee faalde: homo sapiens deelt met alle andere dieren de eigenschap dat zijn drijfveren niet rationeel zijn, niet op een leven volgens rationele principes zijn gericht en niet in de eerste plaats rationele motivaties volgen.” (84-85, zie ook 109) De transformatie is nodig omdat het huidige verhaal niet meer deugt. Het is mede oorzaak van de problemen en bevindt zich zelf in de omegafase. (38, 77, 92, 99, 111)  “De omegafase is een fase van extreme rampzalige neergang, waarin een bedrijf dat ik moeilijkheden is geraakt probeert zijn problemen op te lossen door juist te intensiveren wat het tot dan toe heeft gedaan: productiviteit, innovatie, bezuinigingsmaatregelen, verminderen van het aantal arbeidsplaatsen, verlaging van de prijzen, reclame – dat alles meer, sneller en radicaler.” (41) Deze fase versnelt de ondergang en sleurt in de val mee wat eigenlijk nog te redden is. (zie ook 50 over klimaatverandering)

Blom maakt glashelder dat hij niet gelooft in het christelijke of Bijbelse antwoord. “Ook grote narratieven kunnen moorddadig zijn, zie het communisme en het fascisme, volkswoede en Gods toorn.” (112) Dat laatste hebben we in actie gezien in de middeleeuwen. Blom vertelt hoe de kleine ijstijd destijds, en catastrofe die volgde, werd geduid als Gods straf: boetediensten, processies, zelfkastijding, smeekbeden, kerkliederen en heksenverbrandingen kwamen uit de duiding voort. (32-33 zie ook 55, 76). Maar dit oude verhaal van goddelijke bestraffingen verloor geloofwaardigheid. “De Bijbel beveelt Adam en Eva de aarde te onderwerpen en erover te heersen. Ze zijn per slot van rekening de kroon op de schepping, begiftigd met een onsterfelijke ziel en daarom verschillend van de rest van de natuur. De mensheid zit nu tegen de existentiële grens van die visie aan. Een snel toenemende technologie, een onverzadigbare honger naar grondstoffen en een angstaanjagend overmorgen om het afval te verwerken dat vooral rijke landen produceren, hebben het geheim van het succes van gisteren veranderd in een recept voor een langzame zelfmoord vandaag.” Soms gaat een wereldbeeld om. Zo’n paradigmawisseling noemt Blom een geestbeving, als variatie op aardbeving. (129v). Een mooie droom wordt verpletterd door een naargeestige werkelijkheid. De aardschok in Portugal op 1 november 1755 kreeg als follow-up de geestbeving die ook het christelijke antwoord voor velen verkruimelde.

Waar begint vandaag het christelijke antwoord op Bloms analyse van de huidige crisis? Ik weet geen betere plaats dan Golgotha en het voltrokken oordeel. De zondebok is bekend, namelijk God in eigen persoon. De bron en richting van hoop is ook gevonden: Hij komt met de wereld 2.0 door het vuur heen. En intussen komt het aan op dagelijkse dankbaarheid en verregaande dienstbaarheid – tegen de klippen op: dat is de actualiteit van het rijk van God hier op aarde.

De beroemde stripheld Asterix vormt, zegt Philipp Blom, een fraai icoon van verzet. (120v) Het is belangrijk dat ergens het verzet begint en volgehouden wordt. Blom hoopt hartelijk dat toneel de verzetshaard vormen zal, dat podia de zo nodige en verlangde transformatie voelbaar gaan maken. Ik help het hem hopen en ik onderschat de kunsten niet – maar de vraag is wel: welk mensbeeld zal het overleven van de mensheid kunnen beloven?


Naar aanleiding van: Philipp Blom, Het grote wereldtoneel: Over de kracht van verbeelding in crisistijd.2 Amsterdam: De Bezige Bij, 2020. Vertaling, door W. Hansen, van Das grosse Welttheater. Von der Macht der Volstellungskraft in Zeiten des Umbruchs, uitgegeven door Paul Zsolnay Verlag, Wenen, 2020. Blom is historicus, romanschrijver, journalist en vertaler.

Aristoteles, Over poëzie. Vertaling, inleiding, annotatie en nawoord Ben Schomakers. Leende: Damon, 2000. De bladzijden 115-196 vormen een heerlijke beschouwing over de bedoeling van deze korte uitspraak van de filosoof over het effect van de tragedie.

Best of Both Worlds

Met groot enthousiasme begonnen in maart 2020 de kerken van de Heer de erediensten te streamen. Wie voor corona nog niet daarmee begon, voelde zich door de pandemie gedwongen. Iedere zichzelf respecterende gemeente of parochie mobiliseerde technische vrijwilligers en zo kwam de wekelijkse online uitzending op gang. Want de leden thuis in lockdown moesten worden bediend en de zoeker in de buurt kon nu heel gemakkelijk meekijken. Wie weet, misschien zal hij of zij zelfs aanhaken en zich voegen bij de geloofsgemeenschap! Ook de mogelijkheid om diensten terug te kijken werd op deze manier sterk vergroot. Je kunt via je eigen kerkelijk Youtubekanaal de diensten een herkenbare thema-naam geven. Je kunt instellen of en hoelang de dienst toegankelijk is en voor wie. Het was dan ook niet vreemd dat je links en rechts hoorde dat de kerken fors investeerden in nieuw materiaal en nieuwe techniek en bijpassende vaardigheden.

Markteffecten

We kwamen zo op de online-markt terecht. Diensten die niet gestreamd worden en niet online terug te vinden zijn, bestaan slechts zolang als de gelovigen en hun gasten hem samen houden. Daarna is er de herinnering en het verhaal, als antwoord op de vraag: hoe was het zondag in de kerk? Het is duidelijk dat iemand op een zondag maar een beperkt aantal kerkdiensten fysiek kan bezoeken. Ben je eenmaal in de ene geweest, dan kun je niet ook nog de andere volgen die gelijktijdig was. Maar wie eenmaal begint met online diensten, opent op het wereldwijde web een kraam in de hoek van de religieuze uitzendingen. Het aantal aanbieders is snel groot geworden en elke kijker kan gemakkelijk elders kijken. Trouwe gelovigen die dat anders niet snel zouden doen, begonnen mee te kijken bij ‘de buren’ en te vergelijken. De eerste indruk werd bepaald door de technische kwaliteit. Beroerd geluid of haperende beelden ben je gauw zat. Daarna kwam de presentatie van muziek en sprekers. Ook hier speelt de techniek duchtig mee: het maakt nogal uit of je extra belichting, zangmicrofoons of verschillende cameraposities hebt. Voorgangers en zangers moesten in camera’s leren kijken en het duurde niet lang of de eerste kledingvoorschriften werden meegegeven. Hoe steil de leercurve ook werd, hoe groot de inzet van alle vrijwillige amateurs, de kerken met professionele kwaliteit wonnen de slag om de kijker. Het kinderwerk was beter, de dominee sprak korter, de muziek kon je thuis op de bank lekker meezingen. Het format van de televisie – de kijker en de kijkcijfers bepalen – begon de gang en de vorm van de liturgie te sturen. Met je eigen partner en kinderen op de bank kan de loyaliteit aan de eigen gemeente gaandeweg verdunnen – tot je besluit alleen nog te kijken naar de diensten van je eigen smaak. Naar de regels van de markt schuurt het gevoel niet lang. Er is toch voor iedereen een passende onlinedienst? Wat is het probleem?

Past het wel?

Het is mogelijk om je te verzetten tegen een al te zeer geregisseerde dienst. Dat gebeurt. Je kunt jezelf als gelovige tot de orde roepen en blijven kijken naar de kerkdienst die je eigenlijk niks vindt, gewoon omdat je lid bent. Het vraagt veel, maar het kan. Maar de relevante vraag die niet gesteld wordt, is deze: kun je de tijd die de gelovigen samenkomen om het heil te vieren wel ‘pakken’ in een video-uitzending en zo doorgeven aan anderen op afstand? Toen ik kort geleden bezig nog eens de Bergrede bestudeerde, kreeg ik een uitleg onder ogen van drs. Henk de Jong. Bij Jezus’ woorden over de brede en de smalle weg wijst hij erop dat ‘de brede weg’ ook juist in het kerkelijke leven kan worden bewandeld, bijvoorbeeld door een eredienst te houden om je aan de mensen te vertonen. Hij voegt er dan tussen haakjes aan toe: : “Ik heb nooit begrepen waarom hele gemeentes er zo tuk op zijn en om eredienst en al voor de TV te komen. Vooral dat bidden is pijnlijk. De camera weet dan ook niet goed waar die kijken moet. De radio is voor de christelijke kerkdienst echt een beter middel dan de TV.” (H. de Jong, Maar Jezus zegt… Kampen: Van den Berg 1987, 126). Hij laat hier de spanning treffend zien. We voelen het als gênant aan om biddende mensen minutenlang in beeld te brengen. Dus kijken we naar een kaars of het bloemstuk. Zo zijn er meer onderdelen die zich lastig compact en spannend laten maken, zoals de viering van het heilig avondmaal. Want, toch goed om even hardop te zeggen, het samenzijn van de gemeente is niet uitgevonden om in beeld te worden gebracht, het is geen voorstelling en ook niet louter informatieoverdracht zoals bij een college. Het is begonnen als een gemeenschappelijk antwoord op God. Wie getroffen is door de Geest van de Heer zoekt de ander op bij wie dat ook was gebeurd. Dan wil je meer ontdekken van de Heer, zijn onderwijs horen en bespreken, zijn beloften, opdrachten en waarschuwingen ter harte nemen. Liederen dringen zich op om Hem te bejubelen, voor, tijdens of na de gezamenlijke maaltijd. Tijdens dat eten vier je ook de maaltijd van de Heer. Nieuwkomers kunnen binnenlopen, je kunt hen te woord staan en allen dopen die de naam van Jezus gaan noemen als de Heer van hun leven. Solidair aan elkaar geef je weg wat nodig is in situaties van nood en je draagt bij in de organisatie en de verspreiding van Gods goede nieuws. In groepen van niet veel groter dan zo’n vijftig personen was in de eerste eeuw de wekelijkse maaltijd het centrum van de geloofsgemeenschap. Door je daaraan trouw te verbinden gebeurde er met je wat Jezus beoogde: je karakter vormen ter voorbereiding op zijn terugkeer. Om het met de woorden van de heilige apostel Paulus te zeggen: ‘door de Geest van de Heer meer en meer naar de luister van dat beeld veranderd te worden’ (2 Korinte 3,18). Probeer dat maar eens in beeld te krijgen.

Bediening der verzoening

Ik ben opgeleid tot predikant door prof. dr. Cornelis Trimp (1926-2012). Hij gaf les in de homiletiek in de jaren dat ik in Kampen studeerde (1981-1988). Hij leerde ons dat de prediking getypeerd kan worden als ‘de bediening der verzoening’. Dat is een ouderwetse woordcombinatie (let op dat woordje ‘der’, dat hoor je maar zelden meer; alleen Tom Egbers heeft het bij Studio Sport soms nog over de ‘opstelling der beide teams’). We horen twee kernwoorden: ‘de verzoening’ en ‘de bediening’. Verzoening wijst erop dat het tussen God en mensen ten diepste gaat over het helen van de kloof die de zonde heeft geslagen. “Het is God die door Christus de wereld met zich heeft verzoend: hij heeft de wereld haar overtredingen niet aangerekend. En ons heeft hij de verkondiging van de verzoening toevertrouwt.” (2 Korinte 5,19) Trimp leerde ons dat het verkondigen altijd een aanspraak aan de mensen was. Het wil namelijk het hart raken van de mensen en in dat hart het antwoord van het geloof oproepen. Zoals een vraag om een antwoord vraagt, zo vraagt een belofte om vertrouwen; en een appèl vraagt om actie; een vermaan om bekering. Het is geen mededeling die een mens onveranderd laat. Juist omdat het een aanspraak is, kan het ook een tegengesteld antwoord oproepen: dat je weigert de belofte te aanvaarden of de correctie in je leven toe te passen. Zoals dat is met woorden tussen mensen, zo ook met het woord van God tot mensen. God behandelt ons niet als stokken en blokken. Hij spreekt met overtuigingskracht aan en wacht op het antwoord van het geloof.
In de praktijk van kerkdiensten waarin ik al jarenlang voorga, is er niet of nauwelijks ruimte voor een direct aansluitend gesprek. Soms schiet iemand na de dienst je aan met een reactie op de preek. Meestal niet het beste moment; als prediker ben je nog te zeer geladen. In het algemeen voltrekt zich het gesprek over wat gehoord is later. Bij de koffie thuis, in gespreksgroepen of persoonlijke contacten. Gespreksstof is er ook veel over de muziekstijl en de liedkeus. In toenemende mate zijn die wezenlijk geworden voor het al of niet optreden van het thuis-gevoel in een kerkdienst. Over de bediening van het heilig avondmaal als geloofsversterker hoor je vrijwel niemand en ook niet over de collecte, de zegen, de voorlezing van de wet of het opzeggen van de geloofsbelijdenis. Aan de voorbeden wordt weer meer waarde gehecht. Laat dát nu juist het onderdeel zijn dat het streamongemak boven laat komen. En tegelijk roept dat de vraag op waarom we het ongemak minder voelen bij andere delen; of helemaal niet. Ik denk dat dat komt omdat wij gewend geraakt zijn aan ‘ontlijving’. Ik heb het woord gevonden in het boek Staat van verwarring, van Ad Verbrugge (2013). “Een van de kenmerken van de moderne techniek is dat zij ons bevrijdt van de fysieke afhankelijkheid van de wereld die inherent is aan de lijfelijkheid van ons bestaan, de lijfwereld.” (79) Gekluisterd aan het scherm van televisie of computer zijn wij op afstand aanwezig bij wat voor onze ogen aan de gang is. Het kan ons heel goed ergens bij betrekken. Denk maar aan de invloed van de televisie in de kamer, die aandacht naar zich toetrekt, ‘Stil even, ik zit te kijken’ of ‘Ga eens uit beeld, ik kan het niet zien…’ Je bent er niet bij, toch zie je het of hoor je het en dat is toch heel reëel. We springen van de bank als de favoriete ploeg scoort en we vegen een traan weg als een scene ons ontroert. We zijn op afstand betrokken. In de harde werkelijkheid van de huidige oorlogsvoering zie je het met drones. De bestuurders van de drones zijn niet fysiek aanwezig maar zij weten ver weg vijandige doelen te raken. Van ont-lijven gaat een betoverende werking uit, aldus Verbrugge. “Het bevrijdt ons namelijk van de beperkingen, inspanningen en moeite van de lijfelijkheid die het aardse bestaan van de mens met zich meebrengt.” (81) Zonder inspanningen de mooiste indrukken opdoen van overal ter wereld. Het kan je in beslag nemen.

Liturgie als instrument

Als wij op zondag kerkdiensten streamen is het dus heel goed mogelijk mensen te raken. Zij kunnen zich betrokken weten bij wat zich in de kerkzaal voltrekt. Wat een luxe voor zieken of voor geliefden die bijvoorbeeld een doopdienst niet kunnen bijwonen. Geïnteresseerden kunnen vernemen wat de Bijbel te zeggen heeft of waar de kerk voor staat. Toch stel ik nog eens de vraag: doet het bekijken op afstand recht aan wat de kerkdienst bedoelt te zijn?
Je kunt de vraag met ja beantwoorden, bijvoorbeeld omdat je denkt: het gaat toch om het overbrengen van de boodschap? Of je die nu in de kerkzaal hoort of thuis, dat maakt niet uit. In beide gevallen moet je kijken wat te ermee doet. Deze gedachte gaat ervan uit dat de liturgie het voertuig of het instrument voor de boodschap is, als een soort werkcollege. Dr. Kees de Ruijter, van 1993 tot 2014 hoogleraar Praktische Theologie (en opvolger van prof. Trimp) noemt dat de ‘functionalisering van de eredienst’. De liturgie moet iets doen met het gevoel en de preek moet iets meegeven voor de nieuwe week. In zijn boek Horen naar de stem van God (2013) verzet hij zich daartegen: “Tegenover een dergelijke functionalisering van de eredienst is het juist belangrijk de liturgie als kern van het christelijke leven te benoemen, omdat de gemeente daar uitdrukkelijk voor God staat en zich daarin ook metterdaad uitspreekt. Het is letterlijk een levensvorm en als zodanig paradigmatisch voor het hele leven. De liturgische praktijken zijn niet minder dan het in-oefenen van het leven als burgers van Gods rijk.” (40-41) Als dit waar is dan is niet alleen het streamen een probleem. Je kan op afstand niet mee-oefenen. De ontlijving staat haaks op de gedachte dat je door fysiek samen te komen iets essentieels doet aan je geloof. Fysieke ontmoeting geeft je de kans om de ander naast je te voelen en te ruiken. Om beweging verderop op te merken en je ergeren aan de ander z’n onrust. Of om te zien hoe sommigen genieten van een lied dat jou niet aanspreekt en daardoor bewogen te worden. Je luistert naar wat gezegd wordt en terwijl je zelf hardop meespreekt het Onze Vader hoor je ook anderen mompelen. Kortom de ervaringen van de lijfelijkheid, waar Verbrugge het over heeft.

Dialoog en interactie

En dan nog een stap: het ‘in-oefenen van het leven als burgers van Gods rijk’ vraagt meer dialoog en interactie dan de praktijk waarin ik ruim dertig mijn werk doe als voorganger. Vergeleken met eind jaren tachtig van de vorige eeuw is er veel meer levendigheid in de diensten gekomen. Maar de preek als monoloog staat nog steeds centraal. De kerkdienst heeft geen plaats voor reacties (zelfs geen acclamaties als Halleluja of Amen!) en er is geen ruimte om spontaan nog een paar liederen te noemen om te zingen. We hebben het niet aangeleerd om het moment van samenzijn te optimaliseren in interactie. Sterker, het is gewoon geworden om te kijken wat je uit de eredienst meeneemt. Of wat je er allerindividueelst en innerlijk hebt ervaren: ben je ‘aangeraakt’ of niet? Wie de liturgie zo instrumenteel bekijkt, zal met het streamen nauwelijks moeite hebben. Maar als het samenzijn zelf de essentie is en de dynamiek daarvan de vormende waarde, dan past het niet dat er ook maar enige beeldregie bijkomt. Laat staan de gedachte dat het anders moet om meer kijkers te genereren.
De protestante gelovige heeft traditioneel een kritische houding ten opzichte van het heiligen van de ruimte. Alsof God zich in een bouwsel van mensenhanden zou ophouden! De HEER gaf zijn tempelgebouw prijs bij de ballingschap. Wij moeten niet te snel denken dat God erbij is als wij ons vroom in een gebouw verzamelen of rituelen uitvoeren. De profeten konden het hekelen (bijvoorbeeld Jesaja 1,10-17 en Amos 5,21-27). De ruimte voor Gods Woord is het gelovige hart. Toch is het niet om het even waar je samenkomt: een sporthal uit de twintigste eeuw brengt toch echt een andere sfeer mee dan een Romaanse kerk uit de dertiende eeuw. In de lijn van de start van de christelijke kerken zou de eerste vraag over de ruimte moeten gaan of je er samen kan eten.
Maar even afgezien van de fysieke ruimte, het spreken over de gemeente als fysiek lichaam geeft ook een hint. Onze geloofsgemeenschap is ‘het lichaam van Christus’ en dat heeft fysieke kenmerken. De broer of zus in het geloof is niet een ziel die woorden ontvangt of produceert. Hij of zij is de ander die in zijn lichamelijke eigenheid ruimte inneemt naast jou, met wie je samen toeleeft naar de wederkomst van Christus. Je naaste die aandacht vraagt en geven kan en dat is wat we oefenen rond de maaltijd van de Heer en zijn woorden.

Hybride kerk

Van regisseren naar registreren, dat is wat mij betreft het motto met de goede richting voor het streamen van kerkdiensten. Het kan erop lijken dat mijn conclusie is: helemaal stoppen ermee. Dat is toch niet het geval. Ook is niet vol te houden dat audio beter past dan video (zoals Henk de Jong suggereerde). Ik geloof dat de christelijke geloofsgemeenschap zich moet voorbereiden op fysieke én onlinepresentie, zonder morren of reserve. De onlinewereld is blijvend en onderschat niet de intensiteit van de ontmoeting die je daar op kan doen. Betrokkenheid op afstand is ook werkelijk betrokkenheid. Ik kan getuigen van online intervisiesessies die mijn diep raakten. Therapiegesprekken, goed voorbereid en uitgevoerd met een videoverbinding, hebben – geloof me – grote impact. Voor wat betreft de onderlinge toerusting en het onderwijsleergesprek over de Bijbel zie ik echt kansen voor online. Zeker als de basis van kennismaken fysiek gelegd is en de maaltijd als geregelde fysieke ontmoeting terugkeert. De kerkdiensten zoals wij die nu kennen in de Nederlandse, orthodox-protestantse traditie kunnen ook online geregistreerd worden. Ik herhaal waarmee ik begon: vanaf maart 2020 is bewonderenswaardig veel tot stand gebracht. Veel mensen profiteren ervan, zieken of anderen die echt aan huis gebonden zijn of zoekers die online te weten willen komen wat de kerk in haar erediensten te melden heeft. Ik hoop dat dergelijke zoektochten leiden tot concrete ontmoetingen aan tafel. Juist omdat online de poort kan vormen voor de fysieke ontmoeting, is het zaak dat de kerken daar het beste van maken. Best of Both Worlds.