Als liefde om een zegen vraagt

Stel je voor: twee jonge mannen, broeders in de gemeente, maken trouwplannen. Zij vragen hun predikant of hun huwelijk op de trouwdag ook kerkelijk bevestigd en gezegend kan worden. De predikant legt de vraag voor aan de kerkenraad.
Dan wordt het spannend.
Niet alleen pastoraal, maar theologisch. Wat doen wij eigenlijk wanneer wij een huwelijk zegenen? En wat betekent het als wij dat niet doen?

Binnen de Nederlandse Gereformeerde Kerken is in het rapport Richting en Ruimte (2023) gesproken over drie benaderingen – beeldend aangeduid als drie ‘lenzen’: variatie, zondeval en scheppingsorde. Die drie helpen om helder te denken. Ik loop ze langs. Niet om te polariseren, maar om te verhelderen.

A Variatie: het homohuwelijk als legitieme vorm

Wanneer een kerkenraad het huwelijk tussen twee mensen van hetzelfde geslacht ziet als een legitieme variant naast het huwelijk tussen man en vrouw, dan is het antwoord helder: ja, graag zelfs.
De kerkelijke bevestiging culmineert in de zegen. En die zegen begint met een fundamentele belijdenis: God heeft jullie tot dit huwelijk geroepen. Daarmee wordt niet de kerk, maar God zelf als oorsprong van dit huwelijk aangewezen.
Belangrijk is dat de zegen volgt op de uitgesproken beloften. De kerk zegent geen romantisch ideaal, maar twee mensen die zich publiek binden met woorden die eigenlijk te groot zijn voor een mens: trouw in goede en kwade dagen, tot de dood. Niemand overziet de toekomst. Niemand kent zijn eigen draagkracht volledig. Daarom wordt gebeden om de kracht van de Heilige Geest. De zegen vervangt de verantwoordelijkheid niet, maar plaatst haar onder Gods belofte.

De formulering ‘al de dagen die Hij u samen schenken wil’ relativeert romantische vanzelfsprekendheid. Het huwelijk is gave, geen bezit. Het staat onder Gods leiding en in het licht van zijn komende koninkrijk.
Liefde en trouw zijn daarbij geen gevoelens, maar praktijken. Oefeningen in volharding. De zegen spreekt geloofstaal die het midden houdt tussen gebed en toezegging. Zij is geen magische garantie, maar een publieke markering: dit verbond wil geleefd worden onder Gods Naam, in afhankelijkheid van zijn blijvende betrokkenheid.
Wie zo kijkt, kan ook een homohuwelijk zonder aarzeling zegenen.

B Zondeval: pastorale ruimte in een gebroken werkelijkheid

Een kerkenraad kan ook anders oordelen.
Men ziet de oprechte inzet van twee gelovigen die elkaar in liefde en trouw willen dienen. Maar men kan het huwelijk tussen twee mannen niet gelijkstellen aan het huwelijk van man en vrouw. Dan wordt de relatie geplaatst in de werkelijkheid van de gebroken schepping. Er kan pastorale ruimte zijn, zonder dat men spreekt van een variant binnen de scheppingsorde.
Hier ligt een parallel met de aarzeling rond kerkelijke bevestiging van een tweede huwelijk na echtscheiding. Ook daar spelen vragen rond woorden van Jezus (Matteüs 5 en 19) en Paulus (1 Korinte 7). Ook daar leven schuld- en schaamtegevoelens. En ook daar kan kerkelijke cultuur de indruk wekken dat zegen alleen past bij een ‘onbesmet begin’.

Toch moeten we hier een scherpe vraag stellen: wat is zegen eigenlijk?
Zegen is in de Schrift geen beloning voor morele perfectie. Zegen is Gods betrokkenheid bij gebroken mensen. Zij legitimeert niet het verleden, maar richt zich op de toekomst onder Gods Naam.
De beslissende vraag wordt dan: wil dit nieuwe verbond geleefd worden in geloof, hoop en liefde, in afhankelijkheid van Gods belofte? Als het antwoord daarop ‘ja’ is, kan een kerkenraad tot de overtuiging komen dat juist in een gebroken werkelijkheid de zegen gezocht en uitgesproken moet worden. Niet omdat alles ideaal is, maar omdat zonder Gods betrokkenheid niemand het redt. Dat vraagt moed. Want kerkelijke cultuur kan hard zijn. Maar het past bij de Heer die het komende koninkrijk belichaamde, soms dwars tegen religieuze conventies in.

C Scheppingsorde: geen zegen mogelijk

De derde benadering stelt dat relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht niet gezegend kunnen worden.
Hier wordt het huwelijk principieel verstaan als verbond tussen man en vrouw, geworteld in de orde van de schepping. Waar daarvan wordt afgeweken, ziet men ongehoorzaamheid aan Gods gebod. In het Oude Testament zijn zegen en verbondstrouw nauw verbonden. In Deuteronomium 28 volgen zegen en vloek op gehoorzaamheid of verbondsbreuk. Profeten als Maleachi spreken zelfs over het omkeren van zegen wanneer Gods Naam wordt ontheiligd (2,2).
In het Nieuwe Testament klinkt iets soortgelijks wanneer Jakobus schrijft dat verkeerd gebed niet wordt verhoord (Jakobus 4,3), of wanneer Petrus waarschuwt dat het gedrag van mannen tegenover hun vrouw hun gebeden kan belemmeren (1 Petrus 3,7).

Wie een homoseksuele relatie als zondig kwalificeert, kan daarom niet anders dan het verzoek om zegen weigeren. Want zegen kan niet worden uitgesproken over wat men als structurele ongehoorzaamheid ziet. Het weigeren van de zegen is een daad van liefde en trouw aan God. Dit standpunt is theologisch coherent binnen zijn eigen logica. Het verdient het om serieus genomen te worden, ook wanneer men het niet deelt.

De kernvraag: wat doen wij als wij zegenen?

Achter alle verschillen ligt één fundamentele vraag: Wat is de aard van kerkelijke zegen?
Is zij bevestiging van morele correctheid? Is zij pastorale nabijheid? Is zij eschatologische oriëntatie – een leven richten op Gods toekomst?
Zegen is geen automatische garantie. Maar zij is ook geen vrijblijvende wens. Zij positioneert een huwelijk onder Gods Naam. Zij betrekt de gemeente in medeverantwoordelijkheid. Zij spreekt uit dat menselijke trouw alleen standhoudt in afhankelijkheid van Gods trouw. Daarom raakt de vraag naar het zegenen van lhbt-relaties niet alleen de ethiek van seksualiteit, maar het hart van ons verstaan van Gods omgang met mensen.

Mijn positie – en het grotere geheel

Ik sta zelf in de eerste benadering. Ik zie het homohuwelijk als een legitieme variant en acht kerkelijke bevestiging en zegen passend.
Maar zolang wij als kerken met meerdere lezingen leven, zullen wij elkaar niet ontlopen. Dan is de opdracht om helder te spreken én elkaar vast te houden.
Kerkenraden zullen zich daarom niet alleen moeten afvragen wat zij theologisch verantwoord achten, maar ook: Wat verstaan wij onder zegen? Hoe dragen wij gemeenteleden die anders oordelen? Hoe blijven wij verbonden wanneer besluiten uiteenlopen? De discussie over het zegenen van lhbt-relaties is geen randkwestie. Zij raakt aan onze visie op schepping, gebrokenheid, verlossing en toekomst. En uiteindelijk aan de vraag of wij geloven dat Gods zegen groter is dan onze zekerheid – en dieper reikt dan onze verdeeldheid.


Voor een bredere blog over tekst en taal van de zegen over het huwelijk, klik hier.

Een bruidspaar zegenen

Als een voorganger tijdens een huwelijksdienst zijn handen op het bruidspaar legt en de zegen uitspreekt, gebeurt er meer dan een symbolisch gebaar. De woorden die klinken in de Nederlandse Gereformeerde Kerken zijn zorgvuldig gekozen:

“Onze Here God, die u tot dit huwelijk heeft geroepen, verlene u door zijn Heilige Geest de kracht om uw belofte na te komen, al de dagen die Hij u samen schenken wil. Hij verbinde u met ware liefde en trouw en geve u zijn zegen. Amen.”

God roept, de kerk zegent

“Onze Here God, die u tot dit huwelijk heeft geroepen…” – dit is geen willekeurige opening. De formulering maakt duidelijk dat niet de kerk het huwelijk heilig maakt. God is degene die roept. Het sluit aan bij de klassieke gereformeerde visie: het huwelijk is geen kerkelijk sacrament, maar wel een roeping binnen Gods goede schepping. Achter de romantische keuze van verliefde mensen ligt voor christenen Gods hand. Hij heeft in hun hart gelegd om hun relatie te bezegelen met beloften.

Onmogelijke beloften

“…verlene u door zijn Heilige Geest de kracht om uw belofte na te komen…” – hier zit de kern. De zegen is een reactie, een antwoord. Hij komt pas na de uitgesproken beloften. Dat is cruciaal. De kerk zegent niet vóór de belofte, maar erna. De zegen vervangt geen verantwoordelijkheid, maar bidt om Gods Geest om die verantwoordelijkheid vol te houden waar menselijke kracht te kort schiet.
Want laten we eerlijk zijn: die beloften zijn eigenlijk te groot. Niemand kan de toekomst goed inschatten. Je eigen draagkracht voorspellen is onmogelijk. Er zijn genoeg voorbeelden van mensen die in zware tijden elkaar niet meer konden bereiken, laat staan liefhebben.

De huwelijksbelofte luidt: “Ik, [naam], geloof dat ik jou, [naam], uit Gods hand heb ontvangen. Ik beloof hier, voor God en zijn gemeente, in liefde voor jou te zorgen. Ik zal je nooit verlaten, maar je trouw blijven in goede en kwade dagen, in rijkdom en armoede, in gezondheid en ziekte, tot de dood ons zal scheiden. Ik beloof in ons huwelijk vanuit het evangelie te leven.”

Welk gezond denkend mens belooft zoveel? De christen dus. Niet omdat hij een supermens is – juist niet. Hij erkent zijn gebrek aan kracht en overzicht en daarom komt hij voor de zegen van God: de toezegging van Gods kracht. Dr. C.F.G.E. Hallewas noemt het zelfs een vorm van pastoraat (in zijn studie uit 1996 over het zegenen van relaties): “Juist omdat mensen weten van de gebrokenheid van het bestaan, omdat wij vaak zo liefde- en genadeloos met elkaar omgaan, is het ontvangen van de zegen pastoraat pur sang. Het haalt het beste in mensen naar boven. Mensen die niets liever willen dan het leven met elkaar delen en samen gelukkig worden, beseffen maar al toe goed dat het nemen van zo’n cruciale beslissing nooit zonder risico’s is. … Een zegen verzekert mensen van een plaats in het krachtenveld van de goddelijke liefde, die het leven draagt en bewaart.”

Geen romantische garanties

“…al de dagen die Hij u samen schenken wil.” Ook hier klinkt onzekerheid door: er is geen garantie van lang leven samen. Geen romantische vanzelfsprekendheid. Ook huwelijksleven is vanaf dag één een geschenk en de Heer kan dat abrupt afbreken. Voeg daarbij dat de Heer beloofde terug te komen. Als getrouwd stel kun je misschien de wederkomst meemaken. Dat zal de relatie ineens in een ander licht stellen. De zegen erkent Gods leiding over het leven samen binnen het grote geheel van Gods komende koninkrijk.

Liefde als oefening, niet als gevoel

“Hij verbinde u met ware liefde en trouw…” – dit is geen sentiment, maar verbondstaal. Liefde en trouw zijn geen gevoelens, maar praktijken die geoefend moeten worden. De zegen vraagt God om te doen wat mensen zelf niet altijd willen. Opnieuw is God hier het subject, de handelende persoon. Hij verbindt door zijn Geest twee mensen langdurig aan elkaar. Het gaat niet om een onderneming, project of economische eenheid – liefde is de bedoeling. En als dat verlangen even niet aanwezig is of gevoeld wordt, blijft de bedoeling staan. Zo heeft God mensen aan elkaar verbonden en Hij wil niet dat mensen dat weer uit elkaar halen.

De grammatica van geloof

De taal van de zegen verdient aandacht. De zegenformule opent met een tegenwoordige voltooide tijd: God heeft jullie geroepen. Hier wordt iets beschreven als vaststaand feit. Ook wordt gesproken over God die wil schenken – niet stellend ‘schenkt’ of toekomstig ‘schenken zal’, maar ‘schenken wil’. De aandacht wordt zo gevraagd voor God als persoon. “Nergens is ‘zegen’ een soort onpersoonlijke magische kracht, die los van een persoonlijke band met God ontvangen van kan worden. Mensen kunnen dan nooit over die zegen beschikken,” schrijft M.C. Mulder in het Woordenboek voor Bijbellezers. De combinatie van ‘schenken’ met ‘willen’ onderstreept: we hebben in de zegen te maken met een persoonlijke God die betrokken is op ons leven.

Maar wat is de betekenis van de drie werkwoorden ‘verlene’, ‘verbinde’ en ‘geve’? Het is de aanvoegende wijs (conjunctief). We kennen die vorm uit ‘leve de Koning!’ en uit het Onze Vader: “Uw naam worde geheiligd, Uw koninkrijk kome, Uw wil geschiede…” De Nieuwe Bijbelvertaling zet dat laatste om naar: “Laat uw Naam geheiligd worden…” Het hulpwerkwoord ‘laten’ geeft aan dat het een dringende wens is die waarheid wordt als God antwoord geeft.
Is het zo ook met de huwelijkszegen?
Spreekt de voorganger een dringende wens uit?
Nee, dat is te weinig.

De zegen wordt niet uitgesproken in de tegenwoordige tijd (‘verleent’, ‘verbindt’, ‘zegent’). Dat zou betekenen dat het automatisch gebeurt, zonder relatie met het leven van de gehuwden. Ook niet in de toekomstige tijd (‘zal verlenen’, ‘zal verbinden’). Dan wordt het weliswaar in de toekomst geplaatst, maar net als bij de stellende wijs is dit een onvoorwaardelijke reactie van God.
Brengt de aanvoegende wijs dan stiekem een voorwaarde mee? Alsof de Heer zijn zegen alleen geeft als de gehuwden leven volgens hun belofte? Maar dat focust te eenzijdig op de verantwoordelijkheid van het bruidspaar. Voor je het weet, draai je de redenering om: waar dat alles ontbreekt, trekt ook de Heer de zegen terug. Zo simpel is het niet.

De taal van het geloof werkt anders

Dit houdt te weinig rekening met de aard van geloofstaal. Bij de doop zeggen we: dit water wast de zonde af. Dat is een verkorte zegswijze voor: dit water verwijst naar het offer van de Heer dat de verzoening is van al onze zonden. Zo ook met brood en wijn: lichaam en bloed van de Heer.
De zegen houdt het midden tussen een gebed tot God en de toezegging van God. Het gebed komt van de vragende mens, de toezegging van de liefhebbende Heer. Gods omgang met mensen gebeurt via beloften, opdrachten en waarschuwingen, maar er is een overwicht van de belofte. Aan elke opdracht gaat Gods belofte vooraf. En op elke opdracht volgt een belofte. Ook de kracht die nodig is om de opdracht uit te voeren is onderdeel van de belofte. Wie de verantwoordelijkheid van het gehuwde leven op zich neemt, durft dat omdat God zijn blijvende hulp toezegt.

De Heer verbindt zich aan zijn beloften en niet primair aan de prestatie van mensen. Als je met vallen en opstaan steeds weer elkaar vergeeft en met de Heer verder gaat – de Heer is een God die graag vergeeft en opricht wie struikelt. Als de omstandigheden ontwrichtend werken in een huwelijk, geloven we in berusting van gebrokenheid, of mildheid bij een oordeel over redenen voor scheiden. Waar expliciet, bewust en voortdurend ongeloof wortel schiet, liefdeloosheid een patroon wordt en ontrouw niet meer kwalijk wordt gevonden – daar zet de ontbinding in. Maar zelfs dan is nog Gods zegenende aanwezigheid op te merken waar het gaat om hulp of een uitweg uit de ellende. Volhardende ongehoorzaamheid tast de gemeenschap met God aan. Maar steeds geldt: zegen is relationeel, niet mechanisch. Dat heeft de lange geschiedenis van Gods omgang met zijn volk bewezen.

Meer dan een privéaangelegenheid

Want dat doet de huwelijkszegen: zij positioneert het huwelijk expliciet onder de Naam van God en lijft het in in zijn verbondsgeschiedenis. Wat burgerlijk is gesloten, wordt kerkelijk geplaatst in het krachtenveld van Gods trouw. De zegen activeert bovendien de gemeente: dit leven samen is niet langer privébezit, maar staat onder gezamenlijk gebed en medeverantwoordelijkheid. Door de aanroeping van de Heilige Geest wordt erkend dat volharding geen menselijke prestatie is, maar gave.
Tegelijk plaatst de zegen het huwelijk in het licht van Gods toekomst: het huwelijk is belangrijk, maar niet absoluut; het is kostbaar, maar niet het laatste.

Zo is de zegen geen magische garantie en geen voorwaardelijk contract, maar een gelovige oriëntatie van het huwelijk – een publieke markering dat dit verbond geleefd wil worden in afhankelijkheid van Gods belofte en onder de blijvende aanwezigheid van zijn zegen.


Mede naar aanleiding van: Dr. C.F.G.E. Hallewas, Zegen vieren: zegening van levensverbintenissen. Zoetermeer: Boekencentrum, 1996. Deze uitgave kwam tot stand in samenwerking met de Stichting Lutherse Uitgeverij en Boekhandel (SLUB).
M.C. Mulder, ‘Zegen’ In: Woordenboek voor Bijbellezers. Onder redactie van dr. A. Noordegraaf, dr. G. Kwakkel, dr. S. Paas, dr. H.G.L. Peels, dr. A.W. Zwiep. Zoetermeer: Boekencentrum, 2005, 734-738.
Over het overwicht van de belofte, zie Dr. C. Trimp, Klank en weerklank: Door prediking tot geloofservaring. Barnveld: De Vuurbaak, 1989, 57.

Een wereldhit over leegte en verlangen

Misschien kun je de naam The Weeknd niet onmiddellijk plaatsen. Toch is hij een van de invloedrijkste popartiesten van de afgelopen tien jaar. Zijn nummer Blinding Lights (2020, album After Hours) groeide uit tot een wereldhit van uitzonderlijke proporties: maandenlang hoog in de internationale hitlijsten, miljarden streams, en volgens verschillende hitlijsten zelfs het best scorende nummer ooit in de Billboard Hot 100. Dit is geen niche-artiest. Dit is mainstream cultuur in optima forma. Juist daarom is het interessant om te luisteren. Welke menselijke ervaring wordt hier verwoord?

Wie is The Weeknd?
The Weeknd is de artiestennaam van Abel Tesfaye (1990), geboren in Toronto als zoon van Ethiopische immigranten. Hij brak rond 2011 door met duistere, atmosferische R&B waarin thema’s als drugs, seks, roem en vervreemding centraal stonden. Zijn vroege werk schetste een nachtwereld van excessen en emotionele leegte. In interviews heeft Tesfaye openlijk gesproken over periodes van middelengebruik, destructieve relaties en een leven dat draaide om roes en escapisme. Zijn publieke persona is vaak die van de man die alles heeft – geld, vrouwen, status – en toch nergens rust vindt.

Dat biografische spoor is relevant. Zijn oeuvre leest als een lange meditatie over verlangen dat nooit wordt vervuld.

Waar gaat Blinding Lights over?

Op het eerste gehoor klinkt het nummer euforisch: opzwepende synthesizers, een tempo dat vooruit jaagt, dansbare energie. Maar tekstueel gaat het over gemis, desoriëntatie en afhankelijkheid.

De kernregels luiden:

I look around and
Sin City’s cold and empty
No one’s around to judge me
I can’t see clearly when you’re gone.

Drie elementen springen eruit.

1 “Sin City”
De stad van zonde – een transparante verwijzing naar Las Vegas, nachtleven, excessen. Dat is de habitat van de artiest. Maar opmerkelijk genoeg is die stad ‘cold and empty’. De plaats van genot blijkt kil zodra de geliefde afwezig is. Hier wordt iets ontmaskerd: een cultuur van permanente prikkeling kan de leegte niet opheffen. Zonder relationele nabijheid verliest zelfs de meest verlichte stad haar warmte.

2 “No one’s around to judge me”
Op het eerste gezicht klinkt dat bevrijdend: niemand die je beoordeelt. Maar in de context van het lied krijgt het een andere lading. Er is geen oordeel – en dus ook geen erkenning, geen correctie, geen moreel kader. Vrijheid zonder aanspreekpunt wordt eenzaamheid. Voor christelijke lezers is dat een herkenbaar motief. In de Schrift is oordeel niet louter negatief; het veronderstelt relatie. Wie geoordeeld kan worden, staat in een verbond, in een aangesproken positie. Een wereld zonder oordeel is ook een wereld zonder betekenisvolle betrokkenheid.

3 “I can’t see clearly when you’re gone”
Hier ligt het hart van het lied. Blindheid is het centrale beeld: “I’m blinded by the lights.” Er is overal licht – neon, stad, nacht – maar het verblindt in plaats van verheldert. De geliefde fungeert als oriëntatiepunt. Zonder haar geen zicht, geen richting, geen rust. De ik-figuur kan niet slapen, voelt zich in ‘withdrawals’, rijdt in ‘overdrive’ om haar te bereiken. Dat is meer dan romantiek. Het is een existentiële uitspraak: de mens vindt zichzelf niet in autonomie, maar in relatie.

Modern zondebesef
Opvallend is dat het woord ‘sin’ alleen indirect valt – in ‘Sin City’. Er is geen expliciete schuldbelijdenis. Geen morele analyse. Toch ademt het nummer een sfeer van ontwrichting. Dit is kenmerkend voor modern zondebesef. Het spreekt minder in termen van overtreding van geboden en meer in termen van: leegte, verslaving, desoriëntatie, afhankelijkheid, slapeloosheid. De taal van de popmuziek is psychologisch, niet dogmatisch. Maar de onderliggende ervaring is herkenbaar: een leven dat zijn centrum kwijt is.
De ik-figuur zegt niet: “Ik heb gezondigd.”
Hij zegt: “Ik kan niet helder zien.”
Niet: “Ik sta schuldig.”
Maar: “Ik ben verloren in het licht.”
Dat is geen klassieke schuldbelijdenis, maar het is wel een diagnose van vervreemding.

Een cultuur zonder oordeel – en zonder houvast
In het lied ontbreekt elke transcendente horizon. De redding wordt gezocht in de geliefde. Zij is het licht dat werkelijk verheldert. Zij is degene die hij vertrouwt wanneer hij ‘drowning in the night’ is.
Hier wordt ook de beperking zichtbaar. De ander wordt tot absolute bron van betekenis gemaakt. Dat is begrijpelijk, maar kwetsbaar. Geen mens kan het gewicht dragen van ultieme oriëntatie.
Vanuit christelijk perspectief is dit herkenbaar: wanneer het hart zijn laatste vertrouwen stelt op iets of iemand binnen de schepping, ontstaat onvermijdelijk teleurstelling. Augustinus’ bekende analyse blijft actueel: het hart is rusteloos totdat het rust vindt in God. Blinding Lights toont die rusteloosheid in popvorm.

Waarom relevant?
Dit nummer is geen randverschijnsel. Het werd wereldwijd meegezongen, gebruikt in reclames, sportevenementen, sociale media. Miljoenen mensen herkenden zich blijkbaar in dit gevoel van nachtelijke desoriëntatie en relationele afhankelijkheid. Dat betekent dat modern zondebesef niet verdwenen is. Het is alleen verschoven van morele categorieën naar existentiële ervaringen.
Men spreekt minder over schuld tegenover God, maar des te meer over innerlijke leegte, toxic relaties, verslavende patronen, verlies van richting.
Wie goed luistert, hoort daarin echo’s van een diepere diagnose.

Het evangelie spreekt over licht dat niet verblindt maar verlicht.
Over een oordeel dat niet vernietigt maar herstelt.
Over een liefde die niet afhankelijk maakt maar vrij.

Klik hier voor de videoclip van Blinding Lights

Een inclusieve kerk

Wij hebben kort geleden als kerkgemeenschap een geestelijk verzorger de zegen van God meegegeven. Hij werkt met mensen met een verstandelijke beperking. Het was zijn verlangen om door een gemeente ‘gezonden’ te worden. Het is het voorrecht om als gemeente te mogen zenden. Het is een gave die die Geest geeft en ook als gift tot ons terugkeert door zijn verhalen in ons midden. Hij zal vanuit zijn ervaring vertellen hoe Gods karakter volop tot uiting komt in leven dat beschadigd is en beperkt. In een gemeente waarin veel maakbaar lijkt, is dat een belangrijke boodschap om te herhalen. Maar welke Bijbel-theologische basis is hieraan te verbinden? Het artikel van Henk  Jochemsen over inclusief kerk-zijn uit 2018 geeft een handreiking. Ik vat het samen en bespreek een paar vragen die het oproept.

Wat is eigenlijk een beperking?

Wanneer we spreken over mensen met een beperking, gebruiken we een begrip dat eenvoudiger klinkt dan het in werkelijkheid is. Het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (UNCRPD) omschrijft het als volgt: “Mensen met een beperking zijn onder meer mensen met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke handicaps die in wisselwerking met diverse barrières belemmerd worden in hun volledige en daadwerkelijke participatie in de samenleving op voet van gelijkheid met anderen.”
Deze definitie raakt iets wezenlijks: een handicap is geen medische diagnose, maar een beleving. Het betekent belemmerd worden in wat je wíl doen, door iets wat je níet kunt. Denk aan fysieke beperkingen, zintuiglijke uitdagingen of moeite met leren of begrijpen. De Van Dale noemt het een ‘belemmering’, maar die belemmering ontstaat vaak pas écht als de omgeving niet meewerkt. In een samenleving die inclusief is ingericht, hoeft een beperking geen handicap te zijn. Hoe minder drempels, hoe minder mensen vastlopen.

De veelzijdigheid van beperkingen

Wanneer we kijken naar de concrete verschijningsvormen, zien we een enorme diversiteit. Er zijn lichamelijke beperkingen zoals dwarslaesie, cerebrale parese of multiple sclerose. Verstandelijke beperkingen, waarbij informatie trager wordt verwerkt en het IQ meestal onder de 70 à 75 ligt. Cognitieve beperkingen die invloed hebben op geheugen, aandacht en communicatie, zonder dat dit iets zegt over intelligentie. Bij een ernstig meervoudige beperking (EMB) zijn verstandelijke en lichamelijke beperkingen gecombineerd aanwezig. En zintuiglijke beperkingen beïnvloeden hoe we communiceren en ons in de wereld oriënteren.

De vraag dringt zich op: is het generieke begrip ‘beperking’ wel adequaat om deze veelsoortigheid samen te vatten? Het eerlijke antwoord is: niet echt. Het begrip ‘(mensen met een) beperking’ is nuttig voor beleid en inclusiediscours, maar te breed en te vlak om recht te doen aan de enorme diversiteit van ervaringen.
Het homogeniseert wat radicaal ongelijk is. Iemand met een visuele beperking, iemand met chronische pijn, iemand met een verstandelijke beperking, en iemand met autisme vallen allemaal onder die ene paraplu – terwijl hun maatschappelijke drempels, ondersteuningsbehoeften en vormen van uitsluiting totaal anders zijn. Bovendien depolitiseert het begrip het verschil: “beperking” klinkt medisch-neutraal, maar is vaak sociaal en structureel bepaald. Het is niet de persoon die beperkt is, maar de samenleving die beperkingen oplegt door ontoegankelijkheid, stigma of normering.

Een adequatere aanpak is dus: het generieke begrip gebruiken voor de visie op inclusie (niemand uitsluiten), maar de analyse en strategie baseren op onderscheiden categorieën van beperking en hun specifieke sociale en culturele context.

Twee visies op beperkingen

Hoe we tegen beperkingen aankijken, bepaalt hoe we ermee omgaan. Er zijn grofweg twee benaderingen te onderscheiden. De medische opvatting ziet mensen met een beperking als personen die speciale diensten nodig hebben, bijvoorbeeld aangepast vervoer of welzijnsvoorzieningen. De mensenrechtenvisie daarentegen vertrekt vanuit erkenning als voorwaardelijke en gelijkwaardige leden van de maatschappij.
De barrières die mensen met beperkingen ondervinden, liggen op drie niveaus: houding, omgeving en instelling. In houding gaat het om vooroordelen, schaamte en discriminatie. Mensen met beperkingen worden beschouwd als onbekwaam, afhankelijk en minder intelligent. Als ze zelfstandigheid tonen, worden ze als helden geprezen – alsof dat uitzonderlijk is. De omgeving vormt een barrière als gebouwen, communicatie, media en informatie niet toegankelijk zijn. En op institutioneel niveau zien we uitsluiting bij arbeid, politiek en religie. Soms is die uitsluiting zelfs gebaseerd op geloofsovertuigingen die een beperking zien als gevolg van zonden die in dit of in een vorig leven zijn begaan.

Echte inclusie betekent: gelijke rechten, participatie, toegankelijkheid en duurzaamheid. De behoeften van mensen met een beperking kunnen en moeten worden ingevuld via normale reguliere programma’s en diensten. Waar nodig komen daar specialistische diensten bij: een tweesporenbeleid.

Bijbels-theologische perspectieven

Wanneer we de Bijbel lezen met deze inzichten in het achterhoofd, valt op dat de Schrift op een andere manier spreekt over mensen met een beperking dan wij vandaag doen. Het Oude Testament besteedt meer aandacht aan de maatschappelijke gevolgen van een beperking dan aan de beperking zelf. Bij de profeten zien we een begin van belofte van herstel – niet alleen van de beperking, maar ook van de gevolgen ervan. Dat krijgt vervolg in de genezingen door de Heer op aarde en zijn daden van inclusie. De kerk van Christus is onvolledig zonder de volledige participatie van haar zwakkere leden. Een fundamenteel theologisch inzicht is dat wíj naar Gods beeld geschapen zijn – en dat dit losstaat van ons fysieke voorkomen of verstandelijke vermogen. Alle mensen zijn nodig om God te begrijpen. Dit inzicht dwingt de kerk om inclusie of participatie van mensen met een beperking serieus te nemen.

Jezus’ boodschap van verbinding

In het Oude Testament en soms ook in het Nieuwe Testament wordt een beperking gezien als een vloek en als gevolg van ongeloof. We zien dat in Leviticus 21,16-23, Genesis 19,11, Deuteronomium 28,28, Matteüs 12,22 en Lukas 1,22. Maar in Johannes 9 doorbreekt Jezus dit denken radicaal. De vraag van de discipelen veronderstelt het oude denkpatroon (“wie heeft gezondigd?”), maar Jezus’ antwoord doorbreekt het.
Al deze geschiedenissen laten zien welk respect Jezus had voor mensen als individu. Als Jezus onderweg mensen met een beperking ontmoet, stopt Hij om ze als mensen te zien en te ontmoeten. We kunnen verwachten dat kerken veranderen als we mensen met een beperking vragen naar wat ze willen en als we onszelf openstellen om hun visie te horen.
Een bijzonder inzicht komt van de tekenen van Jezus’ kruisiging op Zijn opgestane lichaam: een beperking hebben is onderdeel van iemands identiteit, en een beperking vormt je als mens. Jezus’ boodschap van inclusie is het duidelijkst te vinden in Lukas 14,1-24, de gelijkenis van het grote feestmaal, waar juist de uitgeslotenen worden binnengehaald.

Van betrokkenheid naar vriendschap

Mensen met een beperking kunnen worden opgenomen en hebben volledige en gelijkwaardige toegang tot onze kerken. Ze horen er echter niet bij zolang we geen vriendschappen sluiten en contact leggen. Erik W. Carter beschrijft kenmerken van echte betrokkenheid: aanwezig zijn, uitgenodigd worden, verwelkomd worden, geaccepteerd worden, ondersteund worden, verzorgd worden, bevriend raken, nodig zijn, geliefd zijn.
Daarbij is tijd essentieel. Het doel van tijd is om liefde vorm te geven en in stand te houden. John Swinton adviseert ons om minder gehaast te zijn, zodat we als een discipel kunnen liefhebben. In dit langzame proces van afstemming op het hart van iemand met een beperking, beginnen we te begrijpen hoe mooi de diversiteit onder mensen is en leren wij een openbaring van God te zien.

Hoe vormen we elkaar?

Een cruciale vraag in dit alles is: als mensen met een beperking volop mee mogen doen, zijn zij dan ook net zo verantwoordelijk en open voor kritiek via feedback? Het antwoord moet volmondig ‘ja’ zijn – anders is er geen sprake van werkelijke gelijkwaardigheid.

Wederzijds discipelschap

De kern van inclusieve ecclesiologie is dat vorming nooit eenzijdig is. In een werkelijk inclusieve kerk worden niet zij gevormd door ons, maar wij allen door elkaar. Mensen met beperkingen dragen eigen gaven, perspectieven en manieren van geloven bij die het lichaam van Christus aanvullen en corrigeren. De vorming gebeurt relationeel: door gedeelde liturgie, gezamenlijke verantwoordelijkheid en open feedback over wat ieder kan en wil bijdragen.
Toch is er ook een persoonlijke component: ieder mens, ongeacht beperking, wordt geroepen tot groei in geloof, liefde en dienstbaarheid. Dat vraagt dat de kerk ruimte maakt voor agency – mensen niet behandelen als object van zorg, maar als subject van roeping. Het vraagt om aangepaste leerwegen en rituelen: catechese, geloofsgesprekken, participatievormen die rekening houden met cognitieve, sensorische of psychische verschillen. En het vraagt om een cultuur van interdependentie: mensen met een beperking niet als last of kwetsbare uitzondering zien, maar als onmisbare bron van theologische verbeelding.

Misschien ligt de theologisch meest vruchtbare taal in een paradox: ieder mens is beperkt, en juist daarom geroepen tot gemeenschap. Dan is “beperking” niet langer een categorie maar een conditie van mens-zijn, waarin Gods genade werkzaam wordt. We zijn allemaal afhankelijk van elkaar, allemaal onvolledig zonder de ander, allemaal op weg naar een volledigheid die alleen in Christus te vinden is.

Conclusie: een kerk van wederkerigheid

Concluderend kunnen we zeggen dat een inclusieve kerk een plaats is waarin iedereen gelijke toegang heeft, waarin iedereen volledig deelneemt en bijdraagt in alle mogelijke rollen, waar iedereen fysieke en geestelijke behoeften heeft, maar waar we, net als Jezus, anderen vragen wat zij willen dat wij voor hen doen. Het is een kerk waar we ons onvolledig voelen tenzij mensen met een beperking tot onze gemeenschap behoren, waar we contact leggen met mensen als discipelen en vrienden en waar we God en elkaar met ons hele hart liefhebben – van nu af en totdat we Jezus persoonlijk ontmoeten.

Zo ontstaat geen ‘inclusieve kerk’ als liefdadigheidsproject, maar een gemeenschap die zichzelf als onvolledig ziet zonder de wederkerigheid van al haar leden. Vorming van mensen met een beperking is niet iets wat aan hen gedaan wordt, maar iets wat met hen en door hen gebeurt, in een kerk die beseft dat beperking de grondvorm is van genade.


Naar aanleiding van : Henk Jochemsen, Een inclusieve kerk. In: H. Jochemsen (red.), ‘Als de tak wil bloeien…’: Ontwikkelingssamenwerking in christelijk perspectief (pp. 315-341). Amsterdam: Buijten & Schipperheijn Motief, 2018.

Feiten en cijfers over beperkingen

Wereldwijde cijfers

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) schat dat meer dan een miljard mensen een bepaalde beperking heeft. Zij vormen ongeveer vijftien procent van de wereldbevolking. Van alle mensen met een beperking leeft tachtig procent in ontwikkelingslanden.

Internationaal kader

Het verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van mensen met een beperking (CRPD) is een internationaal mensenrechtenverdrag dat de rechten en waardigheid van mensen met een beperking moet beschermen.

Situatie in Nederland

In Nederland hebben ongeveer 2 miljoen mensen een beperking. Ze zijn bijvoorbeeld slechtziend, doof, hebben een lichamelijke of verstandelijke beperking of gedragsproblemen. Hun behoefte aan zorg en ondersteuning is verschillend. Net als wat hun naasten nodig hebben.
De zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking moet ook in de toekomst mogelijk en betaalbaar zijn. En moet blijven passen bij wat mensen met een beperking nodig hebben. Het kabinet heeft tot 2027 € 138 miljoen vrijgemaakt voor de zorg en ondersteuning van mensen met een beperking.
In Nederland leven naar schatting 15.000 mensen met een ernstig meervoudige beperking (EMB).

De relatie is de remedie

Veertig jaar oud, traumachirurg, werkt en woont in Schotland. Sophia heeft zich aangemeld voor een eenmalig consult bij psychiater dr. Irvin Yalom (1931) via Zoom. Haar ouders kwamen om bij een auto-ongeluk in Zuid-Afrika. Nu voelt ze zich helemaal alleen op de wereld. Vrienden heeft ze nauwelijks, en relaties met mannen lopen dood na een paar dates. Terwijl Yalom probeert te achterhalen waar het mis gaat, merkt hij iets op. Er ontstaat afstand tussen hen tijdens het gesprek. Voor hem een teken om over te schakelen. “‘Sophia’, begon ik, ‘ik wil je iets vragen. Hoe vind je het gesprek tussen ons gaan?'” (44)

Op dit punt hield ik even mijn adem in. Het zijn dit soort momenten die Het uur van het hart zo bijzonder maken. Dr. Yalom beschrijft hoe hij in eenmalige gesprekken – een uur, niet meer, geen vervolg – razendsnel naar het hier-en-nu durft te gaan. Zelf doe ik dat zelden, ook niet als ik een reeks gesprekken met mensen voer. Uit deze gespreksverslagen blijkt hoe Yalom de concrete ontmoeting ziet als sociale microkosmos: wat er tussen hem en zijn cliënt gebeurt, gebeurt ook in de echte wereld.
Sophia kijkt angstig en verbaasd. “Ik denk,” schrijft Yalom, “dat dit komt omdat we vrijwel nooit echt eerlijke feedback van anderen krijgen.” (45) Reacties zijn altijd gekleurd door de aard van de relatie – geliefden, collega’s, statusverschillen. “Oprechte eerlijkheid is een van de sterkste dingen die een therapeut kan geven.”

Een schat aan inzichten

Dit is slechts één voorbeeld van de leerzame punten in dit boek. Yalom besteedt aandacht aan het indirecte geheugen en intuïtie, aan de bijzondere stap om een hulpvrager jóúw te laten bevragen, en – daar nog voor – aan zelfonthulling als waardevol element in de helpende relatie. Ik herken vrijwel alles uit de pastorale praktijk en voel me uitgedaagd om het toe te passen.

Dit alles staat in het teken van Yaloms kernboodschap: de relatie is de remedie. “Daarmee wil ik zeggen dat de ontwikkeling die een patiënt doormaakt vooral voortkomt uit de hechte, veilige relatie met zijn of haar therapeut en veel minder het gevolg is van een specifieke interventie, diagnose of medicatie.” (187) Het verlangen naar persoonlijk contact blijkt een belangrijk motief voor mensen om hulp te zoeken. Dat heeft Yalom in zestig jaar als therapeut wel geleerd. Zoon Benjamin schrijft in het nawoord: “Naar blijkt is dit niet louter zijn persoonlijke mening, maar wordt dit belangrijke idee inmiddels krachtig ondersteund door de resultaten uit tientallen jaren aan onderzoek.” (265)

De paradox van verbinding

Mensen hunkeren naar warmere, betere relaties. Om die te bereiken moet je bereid zijn jezelf open te stellen. Je bloot te geven. En dat is nu juist wat het moeilijk maakt: kwetsbaarheid voelt niet veilig.
In zijn uur-sessies wilde Yalom bereiken dat mensen in korte tijd echte verbinding gingen ervaren – als opstap naar verdere hulp door anderen, op zijn aanbeveling. Het boek is een prachtig en leerzaam verslag van die gesprekken. Dat hij door zijn leeftijd soms last heeft van een gebrekkig geheugen, wordt onderdeel van het verhaal. Net als het verlies van zijn vrouw. Hij ontsluit zich voor de mensen die zijn hulp inroepen.
Opvallend: het zijn vaak therapeuten en psychologen zelf die zich bij hem melden. Actief om anderen te helpen, toch niet tevreden met hun eigen leven. De eenmalige sessies zijn leerverhalen, geen blauwdruk voor therapie in het algemeen. Zo heb ik het ook gelezen: welke strategieën past de zo ervaren Irvin Yalom toe en hoe zou dat kunnen werken in pastorale gesprekken?

Het hier-en-nu als spiegel

Een voorbeeld uit mijn eigen praktijk. Ik sprak eens een vrouw die bang was dat haar man haar zou verlaten. Uit haar verhaal kreeg ik de indruk dat het echt zou gebeuren. Een van zijn klachten was dat zij soms niet ophield en met stemverheffing op hem bleef inpraten. Over wat er beter moest en dat hij het huwelijk niet mocht opblazen. We hadden het ruim en intens onderzocht, toen begon ze opnieuw – heftig, geëmotioneerd. “Weet je wat er nu gebeurt?” vroeg ik. “Ik denk: ik wil hier weg. Ik voel: kan ik naar buiten?” Ze trok bleek weg. “Sorry, sorry,” zei ze geschrokken, “ik wilde je niet wegjagen.” Ik maakte haar duidelijk dat haar man waarschijnlijk hetzelfde voelde bij haar gedrag.

Yalom doet precies hetzelfde bij Sophia. Ze reageert dat ze verwarring en enige irritatie voelt bij de manier waarop hij met haar spreekt. “En nu vermoed ik,” antwoordt Yalom, “dat wat hier in ons gesprek gebeurt sterk overeenkomt met wat er tussen jou en de anderen gebeurt.” (46) Dat is de opening in het gesprek. Sophia realiseert zich dat ze zich niet snel blootgeeft. Dat is ze niet gewend en ze voelt zich er niet prettig bij.

Nooit te oud om te leren

Het uur van het hart is een boek dat ik zal herlezen. Je bent nooit te oud om te leren – dat laat de geleerde en gelouterde Yalom indringend zien. Een voorbeeld om te volgen.

Naar aanleiding van: Irvin D. Yalom en Benjamin Yalom, Het uur van het hart: Echt contact in een vluchtige tijd. Amsterdam: Balans 2025. Uit het Engels vertaald door Anne-Marie Vervelde en René van Veen. Oorspronkelijke titel Hour of the Heart, uitgegeven door Harper/Collins, verschenen in 2024. Naast publicaties in het veld van de psychiatrie schreef dr. Irvin Yalom ook verschillende bestsellers: Nietzsches tranen, De Schopenhauer-kuur en Het raadsel Spinoza.