Quia pius es

Als iemand sterft, maken wij de balans op. Bij geliefden zijn we mild en vriendelijk. Luister naar de toespraken op de dag van de uitvaart. Wat hebben we gelachen, samen. Wat was je zorgzaam. Het is griezelig eenzijdig. Bij niet-geliefden doen we er graag het zwijgen toe. Is een publieke samenkomst de plaats om je onvrede en ergernis te delen? Zeg je daar dat je beschadigd bent door de overledene? We zijn goed in het verzwijgen. Maar laten we niet denken dat we de overledene zo recht doen.

Als een internationaal bekend iemand sterft, maken we groots de balans op. De kranten schrijven In Memoriams over de emeritus paus Benedictus XVI, geboren Joseph Ratzinger. Hij overleed op de laatste dag van 2022. De balans van zijn pontificaat (2005 – 2013) wordt opgemaakt. Zijn aftreden wordt in dagblad Trouw geroemd als een ‘weergaloos gebaar’. Nu het gaat om de leider van de wereldkerk, ligt zijn leven onder het vergrootglas. Nu komen de missers en feilen op tafel. Hij veroorzaakte commotie in de islamitische wereld door zijn rede aan de universiteit van Regenburg. Hij herstelde een bisschop die de Holocaust ontkent, in het ambt. Maar bovenal wordt hem zijn weinig krachtdadige optreden rond de misbruikschandalen verweten. In het publiek een enkel woord – verder veel achter een muur van zwijgen. Uit het boek De twee Pausen van Anthony McCarten (2021) begreep ik dat hij daarin heel traditioneel katholiek handelde (199-205). Achter de schermen werken, geen publiciteit. In onze door de publieke media gedomineerde samenleving kan zoiets niet.

Was zijn aftreden een bewijs van zelfreflectie? Zei hij daarmee dat hij niet meer in staat was het schip van de kerk te sturen? Het is precies dat wat wij misschien wel nooit precies te weten zullen komen. Wat dreef de paus om niet in het harnas te sterven? Hij maakte ruimte voor zijn opvolger. De emeritus paus woonde met zijn persoonlijke secretaris in het voormalig klooster Mater Ecclesiae in de Vaticaanse Tuinen. Daar wijdde hij zich aan gebed en correspondentie. Wat heeft er zich voltrokken tussen de Heer en hem? Ik zou wensen dat wij bij het balansen van levens ons meer zouden realiseren hoe weinig wij weten van elkaar. En dat daarom de voorbede voor de overledene misschien wel de beste manier van gedenken is.

Dat heb ik geleerd van deze paus. Het begon toen ik me jaren geleden begon te verdiepen in het fenomeen Requiem. Requiem is Latijn en betekent ‘rust’. Het is ook de aanduiding voor een eredienst in de Rooms-katholieke traditie ter gelegenheid van een overlijden, genoemd naar het eerste woord van het eerste lied: Requiem Aeterna. Eeuwige rust. Een dergelijke mis kent verschillende vaste onderdelen, waaronder het lied Lux Aeterna, eeuwig licht.

“Laat het eeuwig licht hun verlichten Heer, met uw heiligen in eeuwigheid, want U bent barmhartig.
Schenk hun eeuwigdurende rust, Heer, en laat het eeuwig licht hen verlichten, want U bent barmhartig.”

De Heer wordt rechtstreeks aangesproken. Een dubbel verzoek, dat in twee woorden hetzelfde probeert te zeggen: of de Heer eeuwig licht wil schenken en eeuwige rust aan de doden. Ook wordt een pleitgrond aangevoerd. Op grond van de barmhartigheid van de Heer. Qiua pius es. Zo zitten smeekbeden in elkaar.
Maar is het bidden voor de doden niet gebaseerd op het geloof in het vagevuur? Dat is toch de periode na de dood waarin de overledene gelouterd wordt van kwalijke resten van zijn zondig bestaan? Door de gebeden van de nabestaanden en door de eucharistie kan die periode verkort worden. De Reformatie heeft met die gedachte gebroken op grond van de volkomen rechtvaardiging door het werk van onze Heer. Wie dat in zijn leven in geloof aanvaardt, is bij de dood van alle smetten vrij.

Paus Benedictus XVI heeft zich in zijn boek Over dood en eeuwig leven (uit 2009) ook verzet tegen het uit elkaar halen van het leven na de dood en het leven hier op aarde, voor de dood. Het vagevuur, zegt hij, is “… een innerlijk veranderingsproces waarin de mens naar Christus, naar God toe moet groeien, en daarmee naar verbondenheid met heel de communio sanctorum” (gemeenschap der heiligen, 208). Let op die verbinding: Christus én de gemeenschap der heiligen. De mens is geen gesloten eenling. Hij is in liefde en haat op anderen betrokken en leeft als zodanig in hen. “Zijn eigen leven is in de anderen aanwezig als schuld of genade” (209). Wanneer anderen een mens zegenen of vervloeken, hem vergeven of in liefde zijn schuld omvormen, maakt dat deel uit van zijn eigen bestemming. Wie Christus ontmoet, ontmoet ook zijn lichaam, de kerk, en je bent daarmee verbonden in zegen en vergeving.

De continuïteit van het leven hier en straks, door Christus. Ik kan het als protestant volop beamen. De eenheid van de gelovigen op aarde met de gelovigen in de hemel, idem dito. Wij lezen in Johannes 17,3 dat het eeuwige leven is dat wij God de Vader als de enige ware God kennen en zijn Zoon Jezus Christus als zijn gezant. Daarom vindt niemand het vreemd als in een gereformeerde preek gezegd wordt dat eeuwig leven nú begint en door de dood heen wordt voortgezet. Dat belijden wij ook in de catechismus, zondag 22, over het begin van de eeuwige vreugde die wij hier al proeven (antwoord 55). En antwoord 57 leert ons ook dat er persoonlijke continuïteit is tussen hier en straks. De gestorven heiligen wachten samen het komende oordeel af (Openbaring 6,11). We verwachten elkaar weer terug te zien bij de Heer (1 Tessalonicenzen 4,17).

Als iemand sterft maken we de balans op. We roemen het goede, we keuren het kwade af. We oordelen, en wie zal zeggen dat dat verboden is? Ik niet. De vraag is wat wij echt van de ander weten. En ten overstaan van wie wij ons oordeel uitspreken. In uitvaartdiensten van de gewone man en vrouw wordt het verzamelde publiek aangesproken. Of de dode zelf krijgt te horen hoe waardevol we hem of haar vonden. In het geval van een bekende wereldburger komt het oordeel tot degene die het nieuws volgt. Wie zal zeggen of ons oordeel de overledene recht doet? Kunnen wij de dode werkelijk recht doen als wij tot het meest innerlijke van zijn leven geen toegang hadden?

“Nu is mijn kennen nog beperkt,” schrijft de heilige apostel Paulus, “maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben.” (1 Korinte 13,12). Dat laatste is zo waar. De Heer kent ieder van ons. Door en door. Het is dan ook volledig terecht dat het laatste oordeel door Hem voltrokken mag worden. Bij het overlijden van een medemens verdient daarom het voorbedegebed van de nabestaanden alle aandacht en tijd. Zoals de paus al leerde: wij leven in elkaar. Dat geldt voor Christus en de gelovige, ook voor de gelovigen onderling, en voor mensen in hun levensnetwerk. Wie bidt voor de overledene zegt: onze band blijft over de grens van de dood heen. “Plaatsvervangende liefde is een centraal christelijk gegeven, en de leer van het vagevuur zegt dat de grenzen van de dood voor deze liefde niet gelden.” (210) Dat is een prachtige, nagelaten wijsheid van de paus. Voorbede is namelijk Christus aanspreken. Bij Hem kun je eerlijk en compleet over de dode. Daarbij verbleken de eenzijdige toespraakjes en de betweterige krantenkolommen. Wij vragen eerbiedig aan de Levende God om goede zorg voor de dode. En om recht. Alleen Hij kan het, echt iemand écht recht doen.

Dat geloof ik ook voor Joseph Ratzinger. Hij heeft zijn leven in dienst van de Heer gesteld. De Heer zal de vrucht van het leven in een loodzwaar ambt beoordelen. Tonen waar deze mens tot zegen is geweest in het leven van anderen. En waar tot vloek. De Gekruisigde zal prijzen wat er te prijzen is. Hij vergeeft wat vergeven moet worden. Hij vernieuwt zijn leven. Jezus Christus geneest en verbindt. Want Hij is barmhartig. Dat is de louterende ontmoeting die elke gelovige tegemoet gaat.

Ik zal de overleden paus blijven herinneren als kerkleraar. Hij heeft zoveel goede theologie geschreven. Zijn boeken zal ik herlezen. Nu hij op oudejaarsdag 2022 stierf, wil ik als medegelovige voor hem doen wat hij mij geleerd heeft. En wat hij het meeste behoeft. In het door hem geliefde Latijn:

Lux æterna luceat eum, Domine, cum sanctis tuis in æternum, quia pius es.
Requiem æternam dona eum, Domine; et lux perpetua luceat eum, quia pius es.


Mede naar aanleiding van: Joseph Ratzinger Benedictus XVI, Over dood en eeuwig leven, Lannoo, Tielt, 2009. Oorspronkelijke titel: Eschatologie, Tod und Ewiges Leben. Regensburg: Verlag Friedrich Pustet, 2007. Vertaling uit het Duits door Maria ter Steeg.

Anthony McCarten, De twee pausen: Het boek achter de film The Two Popes. Heerenveen: Ark Media, 2021. Oorspronkelijke titel: The Two Popes: Francis, Benedict and the decision that shook the world. London: Curtis Brown Group,  2019. Uit het Engels vertaald door Jaël Vuijk.

Vriendschap bij zoveel zonden

In niet mis te verstane taal trekt Esther van Fenema ons masker af. Wij leven met een enorme leegte maar doen alsof wij ons mooie bestaan kunnen vullen, tot onze tevredenheid. Van Fenema is psychiater en coach en ziet de schaduwkant: mensen met burn-outklachten, paniek, verslaving, angst en andere kwalen komen bij haar langs. Achter de klachten ligt de leegte die het afscheid van God en religie heeft meegebracht. De last die dat met zich meebrengt blijkt voor velen van ons ondraaglijk. En omdat wij het individu centraal hebben gezet in het ons waardensysteem, staan we heel alleen voor, heel alleen.
Aan de hand van de zeven hoofdzonden wijst zij ons failliet aan: hoogmoed, luiheid, hebzucht, onmatigheid, lust, woede en afgunst. Het slothoofdstuk gaat over de onderliggende kwaal: een enorme leegte: “Vacuum of leegte is de ultieme hoofdzonde van onze tijd omdat we de groep hebben losgelaten en onszelf als middelpunt van het universum zijn gaan zien.” (276) God schiep de wereld ooit uit leegte, zegt ze, en wij blijken in staat om die wereld weer af te breken.  “Gaan we als God ten onder of kunnen we nog samen een Ark bouwen om de zondvloed te overleven?” Ik weet niet of Van Fenema het meent als zij ten slotte, echt in de laatste alinea, hersenonderzoeker Dick Swaab citeert: “Ach, de mens vindt altijd wel weer zijn weg uit de ellende. Dat zit nou eenmaal in onze genen, naast alle narigheid.” (277) Zij heeft hoofdstuk na hoofdstuk de onmacht van de moderne mens aangetoond en dan is dit het laatste sprankje hoop? Van Fenema kent de Bijbel op haar duimpje. Hoe kan het haar ontgaan dat de Ark een goddelijke uitweg was, die door Noach gehoorzaam werd gebouwd. (Genesis 6,22) Hoe kun je suggereren dat wij samen een Ark zullen maken, als er geen samen meer is en ook geen neiging tot Godsbesef?

Het is een merkwaardig boek. Nu ik het uitheb, zie ik het als een verzameling citaten en verwijzingen (zonder bronvermelding, of zeer gebrekkig), gecategoriseerd rond de zeven hoofdzonden. De strekking is keer op keer: overal zie je deze uitglijders terug. In de cultuur, in de spreekkamer van de psychiater/coach, in film en literatuur, het is een individueel gebrek en een maatschappelijke zonde. De individualisering breekt ons op en bovendien is het idee van hiërarchie zo ondermijnd dat wij ook geen goed leiderschap meer hebben (38, 42, 201). Zij haalt onbekommerd Oude en Nieuwe Testament aan (soms in een heel beroerde vertaling, zie 49) en schaart dat onder het kopje ‘cultuur’. Steeds is haar conclusie dat wij uitkomen bij de gevolgen van ons afscheid van God. Zonder Hem zijn we gaan geloven dat wij zijn plaats hebben ingenomen. “Door de zondeval zijn we gelijk geworden aan God, en hebben we kennis gekregen van het verschil tussen goed en kwaad. Daar dit besef dragen we een grote verantwoordelijkheid. We voelen diep vanbinnen dat we elkaar en de aarde verwaarlozen en zelfs misbruiken. … We hebben decennia lang geleefd alsof ons gedrag geen consequenties heeft, maar dragen wel persoonlijke verantwoordelijkheid voor ons gedrag juist omdat de notie van goed en kwaad in ons hart staat geschreven. We wanen ons allemaal God maar zijn desondanks dus niet in staat om de bijbehorende verantwoordelijkheid te dragen.” (43, en vele andere plaatsen). Het is per saldo zo een beschrijving geworden van wat wij als theologen de ernst en de diepgang van de zonde noemen. Het staat er slechter voor met ons dan wij gewoon zijn te denken.

Je gaat al lezend wel verlangen naar een woord van hoop. Wat ik er op de laatste bladzijde over lees is te om te weinig om te lachen. Dus bevreemdt het me dat diezelfde Bijbel haar niet geïnspireerd heeft om simpel op bekering aan te dringen. Als Noach gehoorzaam de ark bouwt, blijkt dat de levensboot te zijn. Het ‘luisterend hart’ dat koning Salomo ontvangt als de HEER hem verschijnt (1 Koningen 3,8-9) en hem uitnodigt om zijn diepste wens te formuleren, dat is wat goed leiderschap kan opleveren. Niet voor niets roept de apostel de christelijke gemeenten op om te bidden voor koningen en hooggeplaatsen. (1 Timoteüs 2,1 en 2) Dat kan toch alleen maar zijn om God te vragen hen te vervullen met zijn Geest. Zo is meeleven in een christelijke gemeente een kans om te leren oefenen met de dynamiek van een groep. Daarin vind je als individu je plaats, je leert je schikken naar een ander. “Aanvaard elkaars gezag uit eerbied voor Christus.” (Efeze 5,21) Daar leer je leven met het geluk van een ander, om dat je eigen geluk geborgen is in de relatie met God. “Wij hebben ons bevrijd uit allerlei groepsverbanden,” schrijft Van Fenema, “en leven in de illusie dat we het middelpunt van het universum zijn.” (199) Dus gaat het ons om erkenning, gezien en gehoord worden. De hoofdzonde woede gaat over de krenking van het niet-gezien worden. Dat levert ressentiment op omdat wij dan ook vol afgunst kijken naar de ander. Als hij of zij wel gezien wordt kunnen wij het nauwelijks verdragen. Elke gemeenschap die zich voorneemt op iedereen te willen ‘zien’ legt zichzelf de onmogelijke last op. Wie merkt dat hij daarin faalt al opvoeder of leider kan afknappen vanwege de woede die je dan over je heen krijgt, vaak vanuit de slachtofferhoek van de gekrenkte.

Het is alles bij elkaar te treurig voor woorden als er geen andere weg wordt gewezen dan wat Van Fenema doet. Uiteindelijk moet God weer in ere worden hersteld, zou ik denken. Als er iemand kan helpen je hoofdzonden te veranderen in Bergrede-deugden (nederigheid, kunnen treuren, zachtmoedigheid, hongeren en dorsten naar gerechtigheid, barmhartigheid, zuiverheid, vredestichter-zijn, Matteüs 5,3-10) dan Híj. Het geheim is dat je zijn liefdevolle autoriteit leert erkennen. Dat ga je doen als je ontdekt hoe geloofwaardig Hij ons leven deelt. Dan kan je je met verwachting en vertrouwen als leerling gaan gedragen en tegelijk om je heen zien hoe hij iedereen een eigen behandeling geeft. Christus had tijdens zijn leven op aarde twaalf leerlingen, maar er was een van wie Hij veel hield. (Johannes 13,23-25) Het is zijn privilege en het roept geen afgunst op. Want je komt bij Hem niets te kort. Hij is het middelpunt van het universum, wij niet. Dat lucht op, zo is ons leven niet ons project. Met Hem in vriendschap verbonden kan het eigenlijk niet mislukken.


Naar aanleiding van Esther van Fenema, Het verlaten individu: Waarom voelen we ons zo leeg? Amsterdam: Prometheus, 2022. Zie ook mijn blog over Andrew Root en The End of Youth Ministry.

De start van de reis (13,1-3)

1 “Aandacht biedt de kiem van een relatie, en daaruit zal een mens opstaan,” noteert Andries Baart bij de opening van zijn uitzonderlijk fraaie boekje Aandacht: Etudes in presentie (7). Hij heeft groot gelijk. Een mens leeft op aandacht, te beginnen van zijn Schepper. Je beseft het niet als je geboren wordt. Maar het kan je grijpen als je iets van Hem te horen krijgt. Theofilus is zo’n mens. Hij heeft ‘dienaren van het Woord’ ontmoet (Lukas 1,2) en is geraakt. Hij kreeg aandacht. Van mannen die getuigen waren geweest van wat hij niet eerder had gehoord. En niet in zijn wereld verzonnen was. Theofilus was – naar alle waarschijnlijkheid – een Romein. Hij bekleedt een hoge bestuursfunctie. Anders spreken de mensen je niet aan met de titel ‘hooggeachte’. Dat doet Lukas wel (1,3). De evangelist schaart zich in de kring van mensen die deze Romein aandacht willen geven. Hij is niet de eerste die het verhaal van Jezus Christus beschrijft, maar hij is er wel speciaal voor gaan zitten. Voor hem. Hij wil dat de hooggeachte Theofilus overtuigd raakt van de betrouwbaarheid van de zaken waarin hij al eerder onderricht is (1,4). Daarom een heel boek over wat Jezus is begonnen te doen. En – het kan niet op – ook deel 2: Handelingen van Gods gezanten. Jezus Christus koos namelijk mensen uit en gaf hen een opdracht mee. Die ‘dienaren van het woord’, die Theofilus ontmoet had, waren niet op eigen initiatief op pad gegaan. Het waren gezanten, door de Geest gekozen. En de opdracht was niets anders dan aandacht geven. Present worden. En zijn. In het leven van mensen als Theofilus, mensen die je eerder niet kent. Want als door aandacht de relatie gelegd wordt, dan kan het wonder gebeuren: een mens staat op uit de dood.

2 Ontwaak uit je slaap. Sta op uit de dood. De heilige apostel Paulus weet het wel te zeggen (Efeze 5,19). De gelovigen in de stad Efeze hebben een overgang gemaakt die niet te onderschatten is. Opstaan uit je slaap is wat – God zij gedankt voor bewaring elke nacht – maar opstaan uit de dood is onvoorstelbaar. Wie zijn oude goden de rug toekeert, doet niets minder dan dat. Terugkijkend moet je toegeven: wij waren dood in onze zonde (Efeze 2,3 en 5). Het kennen van Christus is leven. Het maakt je anders (4,20). Paulus mengt oude profetenwoorden met pas bekend geworden evangelie als hij zegt dat hij de heilige geschriften citeert: “Ontwaak uit uw slaap, en sta op uit de dood, en Christus zal over u stralen.” Het is een boeiende gedachte dat de evangelist Lukas dit uit eigen ervaring kan vertellen. Hij kent Paulus goed. In zijn tweede boek voor Theofilus staan bepaalde gedeelten in de eerste persoon meervoud: ‘wij’ (16,10-17; 20,5-21,18; 27,1-28,16). Lukas was bij Paulus in gevangenschap (Kolossenzen 4,14 en Filemon 1,24; en 2 Timoteüs 4,11). In tegenspoed trouw was deze man die waarschijnlijk ook een niet-Joodse achtergrond had. Nadat Paulus in zijn brief aan de gemeente in Kolosse eerst de medewerkers met joodse achtergrond noemt (4,11) noemt hij daarna Lukas en Demas. Lukas is goed opgeleid (arts), schrijft soepel Grieks en noteert ergens dat de inwoners van Jeruzalem een stuk grond ‘in hun eigen taal’ Akeldama noemen (dat is: bloedgrond). Hoe ook, het leven van deze Lukas is door de liefdevolle aandacht van de Heer opgestaan tot dienst. Hij heeft zich betrouwbaar getoond aan de grote Godsgezant Paulus. En nu ook aan de Godzoeker Theofilus. De toewijding en de trouw zijn de vruchten van een nieuw leven, met de Heer. Wat zou het geweldig zijn als ook de Romein Theofilus overtuigd raakt van de betrouwbaarheid van de dingen waarin hij al onderwezen is.

3 Het is beter voor jullie dat Ik wegga. Als ik vertrek zal Ik de pleitbezorger naar jullie toesturen. Dat zei Jezus al voor zijn dood tegen zijn leerlingen (Johannes 16,7). Hij hield woord. Hij vertrok en het was een wonderlijk schouwspel, met symboliek beladen. De mannen zagen hun Heer vertrekken op een wolk (Handelingen 1,9). Was dat niet het teken van Gods presentie geweest toen hun voorouders de woestijn doortrokken? Vrij uit slavernij waren zij onderweg naar het beloofde land. God trok mee. Jezus Christus had ook gezegd: Ik ben met jullie alle dagen, tot aan de voltooiing van de wereld. (Matteüs 28,20) Hij hield woord, zijn Geest kwam en Lukas wist Theofilus daarover uitgebreid te informeren. In Jeruzalem bleek de stortbui van de Geest alle taalgrenzen te doorbreken. De muren vielen om door het vrijmoedige spreken van de getuigen van het eerste uur. (Handelingen 2) En wat de Romein nu vooral moet weten dat onderweg door de tijd de Heer soms zelf verscheen, of het woord nam. Zo zag de eerste martelaar, Stefanus, de hemel opengaan. Hij zag de luister van God en Jezus, rechts van Hem (Handelingen 7,55). Saulus was onderweg naar Damascus en had duistere plannen van de christenen in die stad. Hemels licht omstraalt hem als hij iemand hoort zeggen: “Saul, Saul, waarom vervolg je mij?” En op de beduusde vraag wie er aan het woord is, blijkt deze ongevraagde aandacht te komen van ‘Jezus, die jij vervolgt.’ (Handelingen 9,5). Ook gezant Petrus wordt rechtstreeks aangesproken. Hij moet als eerste apostel de drempel van een Romein over. Mocht hij aarzelen als mensen hem daartoe komen uitnodigen op gezag van Cornelius, de stem die hem in het visioen over de drempel helpt, is van niemand minder dan de Geest van Jezus Christus (Handelingen 10 en 11). Als wij zien dat verrast het niet dat de Geest het woord neemt tijdens een samenkomst van de gemeente in Antiochië, in een vastenperiode. Maar toch ook wel. Dit wordt een moment om te markeren. Opnieuw blijkt hoe doelgericht de Heer aan het werk is. “Stel mij Barnabas en Saulus ter beschikking voor de taak die Ik hun heb toebedeeld.” (13,2) Mocht je denken dat de spectaculaire groei van de christelijke kerk in de eerste eeuw het resultaat was van een sterk staaltje menselijke planning en christelijke doortastendheid, vergeet het. Als je je afvraagt hoe het toch mogelijk is dat het goede nieuws over Jezus jou bereikt heeft, geloof me, daar zit de Heer zelf achter.

4 Het verhaal gaat dat Lukas afkomstig was uit het Syrische Antiochië. Onzekere informatie, maar wel boeiend om te bedenken dat hij misschien daar tot geloof is gekomen. Want na Jeruzalem is Antiochië de tweede grote stad waar het geloof in Christus tot gemeentevorming leidt. Daar, in Noord Syrië, zijn de joden in de minderheid, anders dan in Jeruzalem. Maar het is wel door joodse christenen dat het verhaal van Jezus daar arriveert. “De leerlingen die verdreven waren als gevolg van de onderdrukking die na de dood van Stefanus was begonnen, trokken naar Fenicië, Cyprus en Antiochië, maar verkondigden Gods boodschap uitsluitend aan de Joden.” (Handelingen 11,19) Dat is curieus. Begrijpelijk, soort zoekt soort, dat is nog steeds zo. Probeer maar eens een culturele drempel over te komen. Niet voor een uurtje in een exotisch restaurant maar als partner of schoonzoon, schoondochter. Ingewikkeld. Het is een stuk eenvoudiger als je elkaars taal en cultuur deelt. Ook het evangelie gaat vaak via die relaties verder. Zonder al te veel ongemak lezen we dan ook opgewekt verder: “Enkele Cyprioten en Cyreneeërs onder hen, die naar Antiochië waren gereisd maakten daar echter ook de Griekse bevolking bekend met het evangelie van de Heer Jezus Christus.” (Handelingen 11,20) Dat is het begin van gemeentevorming. Vanuit Jeruzalem komt Barnabas daar kijken en hij kan niet anders dan heel blij zijn. Sterker, hij wil graag als ervaren gelovigen de jonge christelijke gemeenschap ondersteunen. Hij zorgt voor versterking van het leiderschapsteam en begint te werken aan verdieping. Zo ontstaat in de gemeente een verhouding die lijkt op wat Christus op aarde voordeed: leraar en leerling. De ervaring die je in het leven opdoet kan altijd gebruikt worden om de jongere generatie inzicht te geven, te leren oefenen en vertrouwen op te doen. “Wat je in de aanwezigheid van velen van mij hebt gehoord, geef dat door aan betrouwbare mensen die geschikt zijn om anderen te onderwijzen.” (2 Timoteüs 2,2).

5 Eenzaamheid en alleen zijn. Dat laatste kan heel krachtig en helend zijn. Maar eenzaamheid is dat niet: “De kern van eenzaamheid is de afwezigheid van betekenisvolle sociale interactie: een intieme relatie, vriendschappen, familiebijeenkomsten of zelfs contacten binnen de samenleving op ons werk,” schrijft Brené Brown in Verlangen naar verbinding (62). Sociale verbinding is zo essentieel voor ons als voedsel en water. Als wij uit de groep worden geduwd gaan we in de overlevingsstand. We gaan onszelf beschermen, zelfs als we contact maken. “Eenzaamheid waar niets aan wordt gedaan leidt tot constante eenzaamheid doordat we bang worden om contact te zoeken.” (66). Eenzaamheid is levensbedreigend en daarom is er het groot geluk voor ons dat je kunt geloven in een sprekende God. Deze Geest van Jezus Christus bracht Antiocheense profeten en leraren in gebed samen. Sterker, zij hadden besloten een periode zich te onthouden van voedsel. De maat houden, om spirituele concentratie te vinden, we zouden het vaker moeten doen. Uit deze groep noemt Lukas vijf personen bij name. Het kan niet anders of zij moeten in de kring van Theofilus een zekere bekend hebben gehad: Barnabas, Simeon die Niger werd genoemd, Lucius de Cyreneeër, Manaen, een jeugdvriend van de tetrach Herodes en Saulus. De eerste en de laatste zullen worden geselecteerd. Maar de andere drie zijn noemenswaard en wij weten niet waarom. Elke snipper tekst leidt tot nieuwsgierigheid. Niger, de zwarte. Zijn huidskleur? Dat zou wijzen op Antiocheense diversiteit, in het leiderschapsteam. Mooi. Lucius heeft banden met Cyrene uit Noord-Afrika. Daar kwam ook de eerste kruisdrager van Jezus vandaan, Simon, van Cyrene. (Lukas 23,26) En wonderlijk, uit de kring van een van de meest gehate namen uit het evangelie, Herodes, komt een volgeling tevoorschijn. Er is hoop, alle soorten mensen kunnen zich bekeren. Maar misschien moet het meest tot ons doordringen dat twee uit vijf worden geselecteerd. Drie blijven thuis. Ook daar is werk te doen, kunnen we veilig aannemen. Profeet en leraar zijn in Antiochië is niet het heen en weer schuiven van lege dozen, terwijl de anderen uit je team voor de echte wedstrijd opgesteld worden. Wie een dergelijke selectie van anderen met een opgeruimd hart beleeft, moet de verbinding met de Heer heel sterk verinnerlijkt hebben. Je voelt je niet afgewezen als je anderen ziet vertrekken. Dan ben je niet eenzaam, ook als je niet gekozen wordt voor een speciale opdracht.

6 Over opdracht gesproken: Saulus is het instrument dat de Heer uitgekozen heeft om zijn naam uit te dragen onder de volken, en hun heersers en onder de Israëlieten (Handelingen 9,15). Dat krijgt Annanias te horen van de Heer, in een visioen. Daarom moet Annanias over zijn weerstand heen stappen en Saulus de handen opleggen. Over aandacht gesproken! Als de aandacht van de Heer actief wordt, dan worden mensen ingeschakeld en dat gaat bepaald niet langs de weg van gevoelde behoeften. “Aandacht is meer dan weldadig; ze soms ook gewelddadig doordat ze binnendringt en niet aflaat.” (Andries Baart in het eerder genoemde boek, 33)  Opdrachten moeten worden uitgevoerd en misschien kun je achteraf zeggen dat het meeviel die uit te voeren. De autonomie van de mens is in de missie van God bepaald geen eindpunt. Of, misschien beter, je kunt in je leven gaan willen wat God wil. Het begint met ‘Ja, Heer, ik luister’ en daarin heeft Annanias illustere voorgangers als Abraham (Genesis 22) en Samuël (1 Samuël 2) en Salomo (1 Koningen 3) en natuurlijk moeder Maria (Lukas 1). Zo zal ook Saulus zijn leven geheel schikken naar de opdracht die hij via de Heer kreeg en door Annanias werd bevestigd. Het geheim van de bereidwilligheid is, opnieuw, hoe kan het anders, de Geest. (9,17) Als de concrete oproep om op pad te gaan, niet alleen Saulus maar ook Barnabas betreft, licht daarin een fraai voorbeeld op van goddelijke zorg. Je staat er niet alleen voor. Lukas had ons Barnabas al voorgesteld als een vrijgevig man (4,36). Hij had blijkbaar niet voor niets de bijnaam ‘troostend mens’ gekregen. Dan duikt zijn naam ook op als Saulus Damascus snel moet verlaten. In Jeruzalem neemt Barnabas deze pasbekeerde onder zijn hoede (9,27). “Hij bracht zijn beschermeling naar de apostelen,” – scherp gezien door Jakob van Bruggen in zijn prachtige boekje Kroongetuigen van het evangelie – “Barnabas bemiddelt. Een troostende figuur voor de gewantrouwde leerling van Gamaliël. Zo vindt Saulus aanvaarding in de gemeente.” (65) De Heer houdt ervan om ons in teams te laten werken. Het kan ernstig mis gaan, ik weet het, en ook Lukas moffelt interne spanningen niet weg (13,5 en 13 en 15,37-40)  maar het principe van teamwork is typisch de God die ooit begon met uit een mens er twee te maken (Genesis 2,18-25). Hij creëert voortdurend relaties. Hij stapt hoogstpersoonlijk in menselijke relaties door mens te worden. Onder ons heeft Hij gehoorzaamheid geleerd (Hebreeën 2,17-18 en 5,8). Want als iets vormend is, dan wel mens te zijn op aarde.

7 Ik weet het nog goed: de oude hoogleraar in de dogmatiek legde zijn hand op mijn hoofd. Ik zat op de knielbank, ogen dicht, hoofd licht voorover gebogen. Hij zegende mij: dat de kracht van de heilige Geest mij mocht sterken in het uitoefenen van het ambt van predikant. Nu ik bijna vijfendertig jaar verder ben is het besef van geroepen-zijn alleen maar sterker geworden. “God heeft mijn leven opgeëist,” zei ik laatst tegen een bevriende broer in het geloof. Het was bijna een kreet uit de diepte. Ik hoorde weinig van de Heer en sprak des te meer over Hem. De spanning intern liep op. Waarom bleef de Heer zo stil terwijl we zo’n nood aan zijn stem hebben? Hij heeft mijn leven opgeëist, mag ik dan niet wat meer geluid van Hem vernemen? We liepen samen op de Heer aan in het gebed en deze goede broer adviseerde mij met enig geduld de stilte te beluisteren. En waarachtig, ergens in die tijd moest ik terug denken aan de handoplegging in de zomer van het jaar 1988. Hij heeft mij aangeraakt. De Heer was in de hand van mijn leermeester. Zo vertrok ik, het pad op van het ambt van dienaar van het woord. Ik heb zoveel mensen mogen spreken over de Heer, net als Lukas dat deed met Theofilus. Moslims en hindoes heb ik leren kennen. We zijn in gesprek geraakt over God en we deden dat met aandacht. Want in aandacht ligt de kiem van een relatie. Zoveel contacten zijn slechts contacten gebleven. Bij anderen begon er tussen ons iets te stromen. We spraken elkaar vaker dan één keer. Er gebeurde wat. Omdat ik verschillende keren weg werd geroepen, heb ik geen zicht op de effecten ervan. Ik heb allerlei mensen zien opstaan uit de dood van zonde. Zij leerden Christus kennen. Het ging hun leven werkelijk veranderen. Ik zie er naar uit om mensen terug te zien. Ik ga ervan uit dat dat zal gebeuren als wij alle tijd aan onszelf zullen hebben na de terugkeer van de Heer. In deze wachttijd heb ik de benedictijnse stabilitas loci niet kunnen beoefenen. Ik ben echt geen korte baanloper, maar na ruim tien jaar begon er ook een verlangen te groeien om nog weer elders te werken. Toen de Heer daartoe de mogelijkheid opende, vernam ik de stem. In vrede koos ik om te gaan. Het is een reis met minder wendingen als Saulus en Barnabas tegemoet gingen toen zij Antiochië verlieten. Zij deden Cyprus aan en hadden wat uit te vechten met de geestelijke machten daar. In het zuiden van Midden Turkije kwam het er vaak niet van een lang verblijf omdat de Joden hen dwarszaten en verjoegen. Een reeks steden komt langs in het verhaal – maar de meeste wel twee keer. Zij keren op een gegeven moment terug om de leerlingen te bemoedigen. (14,22) en hen aan te sporen te volharden in het geloof. Want pas na veel beproevingen kunnen wij het koninkrijk van God ingaan. Het is waar. Net als dit waar is: Saulus en Barnabas hebben er zelf hun portie van gehad. Maar zowaar als de hand van de Heer op hun hoofd was gelegd, zo waar verleende deze Heer zijn beloofde bijstand. Aandacht deed hen opstaan, aandacht hield hen overeind.


Mede naar aanleiding van:
Andries Baart, Aandacht: Etudes in presentie.2 Amsterdam: Boom, 2016.
Dr. Henri. J.M. Nouwen, Een levende heenwijzing: Dienst en gebed in aandenken aan Jezus Christus.2 Den Haag: Voorhoeve, 1985. (Vertaald uit het Engels door ds. J.G. Mees, The Living Reminder: Service and Prayer in Memory of Jesus Christ. New York: The Seabury Press 1981).
Naar aanleiding van: Brené Brown, Verlangen naar verbinding: Er echt bij horen en de moed om alleen te staan.3 Amsterdam: Bruna, 2018 (Bonella van Beusekom vertaalde de oorspronkelijk Engelstalige versie: Braving the Wilderness. New York, Random House, 2017).
Jakob van Bruggen, Kroongetuigen van het evangelie. Utrecht: Kok, 2014.

Rooms-katholiek én protestant

Nog niet zo lang geleden verscheen een boek dat mij zeer aansprak: Wij geloven. Een protestant en een Rooms-katholiek presenteerden samen een uitleg van de Geloofsbelijdenis van Nicea. Bram van de Beek, de protestantse theoloog die ik nauwgezet volg, werkte samen met de katholieke Herwi Rikhof, een naam die mij niet eerder bereikte. Beiden zijn emeritus hoogleraar theologie en blijkbaar bracht het beëindigen van de actieve werkzaamheden de ruimte voor dit gezamenlijk project. Een zekere urgentie is bij hen te bespeuren als ik het volgende in de introductie lees: “Wij zijn ervan overtuigd dat de eenheid van het geloof zoals dat in de verschillende tradities van de kerk beleden wordt groter is dan de nuances die door de gang van de geschiedenis daarin ontstaan zijn. Juist de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel is expressie van die eenheid. … De intentie van de schrijvers is met dit boek een bijdrage leveren aan de weg naar een nieuwe eenheid van de kerk, die immers niet gescheiden kan en mag zijn.” (5) Oei, de eenheid van de kerk van de Heer is een notoir ingewikkeld onderwerp. Ik neig naar fatalisme, op dit punt. Goede vrienden zijn beter dan broer en zus in één huis. Maar intussen verscheen met Wij geloven wel een leerzaam boek en verdiepte ik mijn verlangen mij meer aan de katholieke traditie te verbinden.

Laat ik nu echter kort geleden juist tegen dat laatste stevig gewaarschuwd worden. “Calling the Nicene faith the common basis can be an emotional appeal, but it is not a responsible action because, while the impression is given that we say the same things, the reality is that we are saying different things.” (18) Aan het woord is Leonardo De Chirico, in zijn boek van vorig jaar (2021): Same Words, Different Worlds. De Chirico is verbonden aan de Chiese Evangeliche Riformate Battiste in Italy. Dichtbij het katholieke vuur is hij kenner van de besluiten van het concilie van Trente (1545-1563), Vaticanum I (1889-1870) en II (1962-1965), van de encyclieken en de Katholieke Catechismus. Zijn missie is om te waarschuwen tegen de inclusiviteit van de katholieken. Je kunt als protestant wel denken dat je via de dialoog een echte oecumene gaat vormen, maar in denken en doen word je ingepakt. Want het zelfbesef van de katholieken is dat Rome de enige ware instrument van de Heer is in de geschiedenis. Als je dus de woorden van Nicea-Constantinopel gezamenlijk gebruikt, is de theologische betekenis intussen verschillend.

Verhelderend vond ik dat De Chirico aandacht vraagt voor de katholieke retoriek van analogie en participatie. “Analogical thinking means that similarities are stressed (rather than differences); everything is analogous to something else and therefore close, similar, next to it. Participatory thinking means that everything participates in one way or another in everything else; therefore, mutual indwelling and interrelationships are underlined (rather than distance and separtation).” (93) De analogie-gedachte is de reden waarom de huidige paus Franciscus over andere christelijke stromingen en over andere religies zo waarderend kan spreken. Hij kijkt vooral naar de overeenkomsten. Het benadrukken van de tegenstellingen behoort tot het verleden. Paus Franciscus is daarmee de vleesgeworden verkondiger van het denken van Vaticanum II (14) en het bijbehorende document over de missie, Ad Gentes. In feite is de Rooms Katholieke kerk nog steeds het imperiale fenomeen dat zichzelf in het centrum plaatst en het evangelie zoals Rome dat verstaat. Omdat deze kerk zichzelf ziet als de voortzetting van het priesterlijke werk van de Heer, kunnen er op gezag van Rome niet-Bijbelse dogma’s worden afgekondigd, over Maria of het gezag van de paus of de betekenis van de eucharistie. Tegen de mode in wil De Chirico de verschillen luid en duidelijk uitschrijven en analyseren waar de wissel wordt genomen.

Ik haak bijzonder aan als hij de sacramentaliteit als de essentie aanwijst. De kerk is met de eucharistie de wezenlijke aanwezigheid van de Heer op aarde. Daaraan ten grondslag ligt de gedachte dat de natuur het intrinsiek in zich heeft om verheven te worden door de genade. Genade is niet on-middellijk of extern te ontvangen. Zij wordt steeds bemiddeld, door het natuurlijke. (101, zie ook 104v) Daarnaast is dan de kerk noodzakelijk: zij heeft de taak om de natuur te transfigureren en zo de genade uit te delen. En omdat het Christus is die werkt door de sacramenten van de kerk, is het effect te verkrijgen uit het simpele feit dat het sacrament wordt voltrokken: ex opere operato. (102)

Hier horen wij de zaak waartegen de Heidelbergse Catechismus zich in 1563 verzet. In zondag 30, vraag en antwoord 80, klinkt de weerstand tegen het geloof dat Christus nog dagelijks moet worden geofferd door de kerk. Het is de nadruk op het geloof van de ontvanger en de werking van de Geest, ook los van het sacrament. Het geloof is door het Woord gewerkt, krijgt antwoord in het geloof van de gelovige, en wordt dan – secundair – versterkt door het gebruik van de sacramenten.
Met John Stott (in zijn Evangelical Truth uit 2003) legt De Chirico nadruk op het eenmalige van het werk van Christus. Hapax is het Griekse woord voor ‘eens en voor altijd’. “With regard to God’s redemption, Paul, Peter and the writer to the Hebrews all apply the verb hapax not only to Christ’s first coming in general but specifically to his cross, from which he cried out in triumph, ‘It is finished’” (34) Er is een tweede woord van belang, ook Grieks, en dat wijst op het doorgaande werk van de Geest. “So the appropriate adverb to describe the Holy Spirit’s activity today is not hapax (‘once and for all’) but mallon (‘more and more’). For the Holy Spirit is constantly, and indeed increasingly, showing Christ to us and forming Christ in us.” (36)

Ik kom hier goed in mee. Er is onderscheid in de dienst van de Heer, op aarde, en zijn bediening nu door middel van de Geest. Boeiend om te lezen dat ook Van de Beek en Rikhof dat naar voren halen. “Er is een andere verhouding tussen de mens en God als het gaat om de Christologie dan wanneer het gaat om de pneumatologie. De relatie van de Geest en de mens geeft meer distantie tussen God en mens dan de eenheid van beide in Christus.” (171) Van de Beek had dat in zijn Lichaam en Geest van Christus (uit 2012) toegepast op de kerk, het ambt en de Schrift. Dat komt ook terug in Wij geloven en de betekenis daarvan is niet gering. De menselijke wijze van de presentie van de Geest betekent dat er een hermeneutiek moet plaatsvinden, niet alleen van de Schrift, maar ook van het ambt. Woorden en daden van de ambtsdragers moeten beoordeeld worden, in het geheel van de geloofstraditie, schrijven zij, ‘die ten laatste georiënteerd wordt door Gods volkomen presentie in de wereld in Christus.” (172) Er is altijd een kritische benadering nodig. Maar er is één plek in de kerk waar Christus zelf, direct en werkelijk aanwezig is. “Dat is in de eucharistie.” (172) In het avondmaal ontvangen wij Christus zelf. Helaas is het is een sjibbolet geworden in de oecumene. Ten onrechte? “Over de praesentia realis bestaat geen fundamenteel verschil tussen Rome en de reformatie,” schrijven de beide emeriti in dit samenwerkingsboek. “Thomas, Calvijn, Cajetanus en Luther leren allen de werkelijke aanwezigheid van Christus in het sacrament. De metaforen kunnen verschillen en de uitwerking kan variëren, maar op het principiële punt zijn allen het eens: Christus is werkelijk aanwezig in de eucharistie.” (173)

Dat geloof ik ook. De treffende analyse van De Chirico gaat helaas samen met de opvallende afwezigheid van de positieve onderbouwing van het Bijbels-theologische basis van zijn reformatorische inzet. Met Stott komen we goed aan de start: hapax en mallon, dat snijdt hout. Verder kent de Bijbel een soort ‘tegelijk’ van aanwijzen van dwaling en het waardering van het goede bij allen die Christus niet kennen. Mensen moeten zich afkeren van hun afgoden en zich bekeren tot de levende God (Handelingen 14,15) en tegelijk bewijzen de inwoners van Malta ‘buitengewone vriendelijkheid’ aan schipbreukelingen (Handelingen 28,2). In Athene kan Paulus onbekommerd en instemmend Griekse dichters citeren en tegelijk een toespraak laten uitlopen of de aankondiging van Christus: Hij komt een rechtvaardig oordeel over de mensheid vellen (Handelingen 17,28 en 31).
En over participatietaal gesproken: wie in Jezus gelooft, kan dezelfde apostel citeren en zeggen: “Christus leeft in mij.” (Galaten 2,20). Andere voorbeelden komen uit toespraken van de Heer: “Ik leef door de Vader; zo zal wie mij eten, leven door Mij.” (Johannes 6,57) Of via de beeldspraak van de wijnstok: “Blijf in Mij, dan blijf ik in jullie.” (Johannes 15,3 en 7) God de Vader is in Christus boven allen, door allen én in allen. (Efeze 4,6) De Catechismus ontleent aan dergelijke teksten de uitleg van de sacramentele spreekwijze. “Wat betekent dat: het gekruisigd lichaam van Christus eten en zijn vergoten bloed drinken?” Het antwoord wijst eerst op het gelovig hart. Daarmee nemen wij vergeving van zonden en eeuwig leven als vrucht van het lijden en sterven van Christus aan. Maar er is meer: “Verder ook, dat wij door de Heilige Geest, die tegelijk in Christus en in ons woont, steeds meer met zijn heilig lichaam verenigd worden, en wel zo, dat wij, hoewel Christus in de hemel is en wij op aarde zijn, toch vlees van zijn vlees en been van zijn gebeente zijn; en ook zo, dat wij door één Geest eeuwig leven en geregeerd worden, zoals de leden van het lichaam door één ziel.” (vraag en antwoord 76)

Zelfde woorden, zelfde werelden? Nee, zover wil ik niet gaan. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat er in denken en doen verschillen zijn. De Chirico helpt ons bij het onderscheiden ervan maar hij gaat me te ver in het aanwijzen van de kloof. Gelukkig snapt De Chirico dat je de officiële documenten niet moet toepassen op de individuele gelovigen. “What is true of the Roman catholic Church as a doctrinal and intitutional reality is not necessarily true of individual Catholics. God’s grace is at work in men and women who repent and trust in God alone, who respond to God’s gospel by living as Christian disciples, and who seek to know Christ and make him known.” (126) Wij zien het gebeuren in het boek Wij geloven.


Naar aanleiding van: Bram van de Beek en Herwi Rikhof, Wij geloven: Rooms-katholiek en protestant: één geloof. (De geloofsbelijdenis van Nicea/Constantinopel uitgelegd). Utrecht: KokBoekencentrum, 2019.

Leonardo De Chirico, Same Words, Different Worlds: Do Roman Catholics and Evangelicals Believe the Same Gospel? London: Inter-Varsity Press, 2021.

John Stott, Evangelical Truth: A personal plea for unity, integrity and faithfulness. Leicester: Inter- Varsity Press, 2003.

De Chirico verraste me met deze duiding: “The Roman imperial pattern was the influential blueprint that shaped the papal institutions from the fourth century onwards. The papacy is more a child of imperial categories than of biblical ones. The papacy never would have emerged if there were no empire forming the politcal and cultural milieu of the life of the early church.” (72, zie ook 10 en 120)

Lange termijnverwachting

Stel je voor dat je niet gelooft in een leven na de dood. Je neemt aan dat in de evolutie van de kosmos onze genen zich willen voortplanten. Je moet lang genoeg leven om dat te bereiken. Maar daarna is het gunstig in een wereld met beperkte bronnen van bestaan dat oudere lichamen verdwijnen. En als je ook ontdekt hebt dat we een intelligente soort zijn, homo sapiens, dan kom je een keer bij de vraag uit wat wij kunnen nalaten. Niet slechts individueel of per generatie, maar als soort. Zoals de dinosauriërs een keer van de aardboden verdwenen, zo kan het ook met ons gaan. Kunnen wij op zo’n dreigend drama anticiperen?

Een vriend gaf me een mooi boek cadeau: Jeff Hawkins, A Thousand Brains: A New Theory of Intelligence. Het gaat over de werking van onze oude en nieuwe hersenen. Mijn vriend is als ondernemer betrokken bij universiteiten waar hersenonderzoek wordt gedaan om toepasbaar te maken. De mens heeft immers behoefte aan hulp tegen ziekten bijvoorbeeld. We verlangen naar het voorkomen van allerlei beperkingen. Het cadeau gaf me de kans zijn interesse te volgen en zo heb ik een boek gelezen dat voor een groot deel tamelijk onbegrijpelijk is. Jeff Hawkins is duidelijk een expert op zijn vakgebied, en hij doet in dit boek echt z’n best om het voor de gewone man uit te leggen – maar hoe je het ook wendt of draait, de hersenen vormen een complex onderdeel van ons organisme. Je hebt nogal wat technische termen nodig om uit te leggen wat er onder ons schedeldak gebeurt. Zoveel heb ik er wel van begrepen dat onze kennis en intelligentie ontstaat doordat onze hersenen steeds modellen maken van de omgeving, op basis van input via onze zintuigen. Zo leren wij manoeuvreren door de werkelijkheid, bouwen we levensvertrouwen op en zorgen we voor herinneringen en levenservaring. De afgelopen decennia is er in de neurowetenschap veel nieuwe kennis bijgekomen. De ontwikkelingen gaan snel verder en het is daarom niet vreemd dat de auteur van het boek ook doordenkt over de toekomst. Was ik al een betrokken lezer vanwege mijn vriend, door de uitloop van het boek naar de toekomst werd ik het des te meer. Want het gaat Hawkins uiteindelijk over de toekomst van onze soort. Laat ik daar nu als theoloog en gelovige ook wat over vinden. Ik geloof namelijk in een leven na de dood.

Jeff Hawkins gelooft in de zelfzuchtige genen. Die beheersen ons oude brein. Nu hebben we er een nieuw brein bovenop gekregen, de neocortex, en dat maakt ons slim en nieuwsgierig. Zo veel zelfs dat wij kunnen verzinnen dat er intelligente machines kunnen worden gemaakt, waar wij wat mee kunnen. Daarover wil Hawkins met dit boek ons voorlichten. “The goal of our research is to understand how the neocortex works in sufficient detail that we can explain the biology of the brain and built intelligent machines that work on the same principles.” (3, zie ook 36) Wij bleken als homo sapiens door de evolutionaire ontwikkeling van onze hersenen tot grote stappen voorwaarts in staat, wat kan daar nog bij komen als wij intelligente machines ontwerpen? Wij hebben namelijk als mensen een onvermijdelijke drang om nieuwe kennis op te doen. “Humans want to learn. We are drawn to explore, to seek out knowledge, and to understand the unkown. We want to know the answers tot he mysteries of the universe: How did it all begin? How will it end? Is life common in the universe? Are there other intelligent beings? The neocortex is the organ that allow humans to seek this knowledge.” (160)

Het gaat Hawkins dus om meer dan het bestrijden van bedreigingen van de menselijke gezondheid. Of het vergemakkelijken van het zware bestaan. Maar als je slimme machines maakt, vergroot je dan niet juist het gevaar? Machines kunnen zich aan menselijke supervisie onttrekken. Straks zijn ze sterker dan wij en, nog een stap verder, dan hebben zij ons niet meer nodig. Of de intelligente entiteiten gaan doelen formuleren die niet compatible zijn met wat wij waardig vinden. Kortom, wij verliezen controle. Hawkins zegt eerlijk dat zulke angstbeelden gevoed worden door een gebrek aan kennis over wat intelligentie is. (163) Hij ontkent niet dat er gevaren kunnen dreigen, maar die schuilen vooral in de exemplaren van onze eigen soort. “I don’t want to leave you with the impression that machine intelligence is not dagerous. Like any powerful technology, it could cause great harm used by humans with ill intent.” (170)

Hier heb ik de neiging Hawkins bij te vallen. Niet dat ik helemaal snap wat kunstmatige intelligenties straks al of niet kunnen, maar ik geloof wel erg in het bestaan van slechte mensen. En als wij nu juist het goede voor elkaar en de planeet willen, en als wij de hulp van slimme machines kunnen organiseren, wat moeten wij dan met de dood? De evolutie zegt: de dood hoort erbij. Ook is helder dat de evolutie geen doel kent. “There is no plan or desired direction to evolution.” (171, 229 without a guiding hand, 233). Maar wij mensen kunnen wel doelen stellen. Sterker nog, wij willen van waarde zijn en betekenis geven aan de dingen die wij doen. “If our species cannot live forever, are there things we can do today that would make our present existence meaningful, even when we are gone?” (208) Hawkins denkt van wel. Bijvoorbeeld door te laten weten dat wij bestonden. Dat kan door flessenpost, een ‘message in a bottle’. Denk aan de Voyager, weggestuurd in 1977. De ruimtesonde heeft in augustus 2013 de heliosfeer verlaten en de interstellaire ruimte bereikt. Andere optie is ‘het licht aan laten’. Als je weg bent, toch laten weten dat je er ooit was. Wij scannen nu met satellieten of er intelligent leven in de ruimte is. Laten we het omdraaien: wij zenden berichten uit, in de hoop dat anderen het opvangen. Of, derde mogelijkheid, ‘Wiki Earth’. Onze beste kennis is zo zeldzaam en mooi dat wij het moeten archiveren en zolang het kan updaten. We gaan het bewaren in satellieten die wij rond de zon laten draaien. Wie weet wordt het later gevonden.
Wie al lezend nu lichte ademnood voelt, moet nog even doorbijten. (223v) Wat denk je van het idee om als soort op meerdere planeten tegelijk te gaan leven? Of het modificeren van onze genen? Of zelfs onze hele biologische bepaaldheid te verlaten. We gaan onze kennis los van onze lichamelijkheid vastleggen en wegsturen. Eventueel in machines die zelf weer nieuwe kennis gaan opdoen. Hawkins neemt je mee in verbazingwekkend weidse perspectieven. Er staat blijkbaar iets op het spel. Onze kwetsbare, maar o zo slimme en mooie soort loopt het gevaar van verdwijning.

Maar wat nu als je gelooft in het leven na de dood? Hawkins rekent dat tot een van de false beliefs. Hoe vertaal je dat? Verkeerde overtuigingen? Ondeugdelijke? Misleidende? Hoe dan ook, het hindert het zinvol denken over de toekomst. Geloven in het leven na de dood is volgens hem vergelijkbaar met de warrige overtuiging dat vaccinaties autisme veroorzaken of de zorgelijke gedachte dat klimaatverandering geen dreigend gevaar is. Het lastige van geloven in leven na de dood is dat er geen wetenschappelijke studies zijn die kunnen aantonen dat het onwaar is. Je kunt dus als gelovige de tegenovergestelde claim negeren. De overtuiging bovendien is als een virus te verspreiden. Op zich, erkent Hawkins, is dit geloof niet perse schadelijk. “The threat arises if you believe that the afterlife is more important than the present life.” (195) Dan kan het leiden tot gedrag dat meewerkt aan de vernietiging van de aarde.
Hier ga ik hem tegenspreken.
Als namelijk het leven na de dood voorafgegaan wordt door een moment van verantwoording afleggen, dan kan het ook een sterke impuls aan duurzaam leven geven. Het leven nu doet er wel degelijk toe. Als je gelooft in het leven na de dood, dan is dat nooit een los element uit je geloof. Dan komt er ook een God bij die een oordeel over je huidige leven velt. (Ik houd het in deze blog bij de christelijke versie van geloven, ik laat bijvoorbeeld het hindoeïstische karma erbuiten). Met een zo ingevulde set overtuigingen is het de vraag of je Hawkins’ denkoefening wel nodig hebt. Wij hebben kennis gekregen aan Jezus Christus. Wij hebben ons persoonlijk en als christelijke geloofsgemeenschap volkomen aan zijn plannen verbonden. En dat heeft onder andere tot gevolg dat wij ervanuit mogen gaan dat onze persoonlijkheid niet zal verdwijnen. “Ik zal zijn naam niet uit het boek van het leven schrappen,” belooft de Heer. (Openbaring 3,5) Bovendien is er de toezegging dat de daden van de mensen je na de dood zullen vergezellen. (Openbaring 14,13) Of anders gezegd: wat wij doen uit ontzag en liefde voor de Heer, is niet tevergeefs. (1 Korinte 15,58) Dat ontslaat mij van elke bezorgdheid of het menselijk kennisarchief wel behouden blijft. Natuurlijk! Daar hoeven wij geen interstellaire strategie op te zetten.

Daar komt dat nog bij dat ik de producten van onze neocortex iets lager inschat dan de daden van ons hart. De beroemde zin ‘zo blijven dan geloof, hoop en liefde, maar de meeste ervan is de liefde,’ (1 Korinte 13,13) geeft aan dat onderlinge aandacht en trouw een onschatbare waarde vertegenwoordigen. De kleding voor de naakten, de opvang van de vluchteling en het bezoek aan gevangenen zijn de hoogste prestaties van de menselijke soort. (Matteüs 25,31-45) Zij steken af bij geld vermenigvuldigen of de zucht naar status. Ook de visionaire gedachten over het conserveren van onze soort valt bleek weg bij het verbinden van wonden of het sussen van psychotische medemensen.
Hawkins kent deze tegenwerpingen. “Would it be better to put all our efforts into improving life on Earth?” (222) Hij pakt deze vraag op als een dilemma tussen korte termijn investeringen en lange termijn. Het weigeren aan de lange termijn is volgens hem een garantie voor een toekomstige fout. Maar het punt is dat wij niet overal verantwoordelijkheid voor hebben. De toekomst van de aarde ligt niet in onze hand. Want wat wij individueel als mens en collectief als mensheid tegemoet gaan wordt in de Bijbel beschreven als een catastrofe: “De dag van de Heer zal komen als een dief. De hemelsferen zullen die dag met luid gedreun vergaan, de elementen gaan in vlammen op, de aarde en alles wat daarop gedaan is verdwijnt.” (2 Petrus 3,12) Als dit waar is, dan motiveert dat ons op een heel nieuwe manier om nu zorgvuldig en duurzaam met de aarde om te gaan. Zolang de aarde draait, is het onze opdracht die te behandelen als bij ons in bewaring gegeven bezit van een ander. (Matteüs 24,14) Wij mogen de schepping niet uitputten en uitbuiten alsof zij van ons is. Mijn motief om duurzaam te leven is niet dat ik wil meewerken aan de verlenging van de levensmogelijkheden van zoveel mogelijk mensen op aarde. Maarten Luther zei dat hij nog een appelboompje zou planten als hij wist dat de Heer morgen zou komen. Zo wil ik zuinig zijn op de aarde en steeds meer mijn gedrag daarop aanpassen, ook al is het morgen allemaal afgelopen.

Het blijft mij als gelovige overigens wel schokken dat de Heer zo grondig de kosmos zal vernieuwen. “… maar wij vertrouwen op Gods belofte en zien uit naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont.” (2 Petrus 3,13) Ter wille daarvan gaat het oude door de shredder? Dan is er van de wereld waar wij nu zuinig op proberen te zijn niets meer over. Blijkbaar gaat het de Heer nu vooral om ons, mensen. Hij wil werken aan ons karakter en ons vormen tot mensen die goed zijn, onder alle omstandigheden. Hij kijkt hoe wij omgaan met wat Hij ons toevertrouwd heeft. Hij wil dat wij alles inzetten om het leven zo draaglijk mogelijk te maken of te houden. Daarom vind ik dat Hawkins en de zijnen belangrijk werk doen. Als neuroscience iets kan opleveren dat leed kan verzachten, ziekten kan bestrijden, angst kan reduceren en verdraagzaamheid bevorderen, dan kunnen wij daar alleen maar heel dankbaar voor zijn.

Naar aanleiding van: Jeff Hawkins, A Thousand Brains: A New Theory of Intelligence. (With a foreword by Richard Dawkins). New York: Basic Books, 2021. Hawkins is cofounder van Numenta, een Amerikaans onderzoeksbedrijf dat zich bezig houdt met neuroscience. Hij is lid van de National Academy of Engineering in de VS en publiceerde al eerder over intelligentie.

Hoe kunnen mensen geloven dat de aarde plat is? Dat heb ik me wel eens afgevraagd. Hawkins geeft het antwoord: negeren van het bewijs dat zich tegen je model verzet. “Flat-Earth believers say they distrust all evidence that they cannot directly sense.  ..  If you limit what you believe to only things you can directly expierience, and you are not an astronaut, then a Flat-Earth model is what you will end up with.” (179)